Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU3713

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-11-2011
Datum publicatie
09-11-2011
Zaaknummer
201009221/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 april 2010 heeft de raad het bestemmingsplan

"Sint-Oedenrode Noord" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2011/94 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/2947

Uitspraak

201009221/1/R3.

Datum uitspraak: 9 november 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Sint-Oedenrode,

2. [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]), beiden wonend te Sint-Oedenrode,

3. [appellanten sub 3], beiden wonend te Sint-Oedenrode,

4. [appellant sub 4], wonend te Sint-Oedenrode,

en

de raad van de gemeente Sint-Oedenrode,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 april 2010 heeft de raad het bestemmingsplan

"Sint-Oedenrode Noord" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 september 2010, [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 september 2010, [appellanten sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 oktober 2010, en [appellant sub 4] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 oktober 2010, beroep ingesteld. [appellant sub 4] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 21 oktober 2010.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad heeft nadere stukken overgelegd.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 oktober 2011, waar [appellant sub 1], [appellant sub 2], bijgestaan door A.C.L. van Vessem, [appellanten sub 3], [appellant sub 4], en de raad, vertegenwoordigd door J.C.A.M. den Otter, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

Het beroep van [appellant sub 1]

2.1. [appellant sub 1] betoogt dat de raad ten onrechte het plandeel met de bestemming "Wonen" op zijn perceel aan de [locatie 1] heeft vastgesteld. Hij voert daartoe aan dat hij ter plaatse sinds een aantal jaar een bedrijf in grondwerken exploiteert, waarbij hij de aanwezige gebouwen gebruikt voor opslag van machines en voertuigen. Daarnaast houdt hij ter plaatse tussen de 50 en 100 kippen. In het voorheen geldende plan was aan het perceel een agrarische bestemming toegekend. Hij stelt dat een bedrijfsbestemming had moeten worden toegekend.

2.1.1. De raad stelt zich op het standpunt dat uit zogenoemde meitellingen en de mestboekhouding volgt dat ter plaatse geen agrarische bedrijfsactiviteiten meer plaatsvinden. Het houden van 50 tot 100 kippen is dermate kleinschalig dat dit binnen de woonbestemming is toegestaan. Nu het een woonomgeving betreft, is een woonbestemming toegekend en bestaat er geen aanleiding voor de gewenste bedrijfsbestemming.

2.1.2. Aan het perceel [locatie 1] is de bestemming "Wonen" toegekend.

Ingevolge artikel 15, lid 15.1, aanhef en onder a en d, van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor wonen met daaraan ondergeschikt beroepsmatige activiteiten aan huis.

In het voorheen geldende plan "Bestemmingsplan Buitengebied" uit 1974 had dit perceel de bestemming "Agrarische doeleinden C".

Ingevolge artikel 9, lid c, onder 1, van de planvoorschriften was het verboden de bouwwerken op deze gronden te gebruiken voor de uitoefening van enige tak van handel en/of bedrijf met uitzondering van een agrarisch bedrijf.

2.1.3. Ter zitting is vast komen te staan dat [appellant sub 1] het perceel sinds een aantal jaar onder meer gebruikt voor zijn bedrijf in grondwerken en het houden van kippen. Voorts heeft de raad ter zitting aangegeven dat geen onderzoek ter plaatse heeft plaatsgevonden naar de bedrijfsactiviteiten, hoewel dit wel wenselijk was geweest. De Afdeling overweegt dat de door de raad gegeven motivering voor de woonbestemming onder de gegeven omstandigheden niet toereikend is, nu deze slechts bestaat uit de stelling dat ter plaatse geen agrarisch bedrijfsmatig gebruik aanwezig is. De raad is daarmee voorbij gegaan aan de zienswijze van [appellant sub 1] waarin hij uitdrukkelijk heeft verzocht om de woonbestemming te wijzigen en heeft aangegeven dat hij ter plaatse sinds 2009 een bedrijf in grondwerken exploiteert. In dat verband had het op de weg van de raad gelegen om dat te onderzoeken en inzichtelijk te maken of ter plaatse andere dan agrarische bedrijfsmatige activiteiten plaatsvinden en vervolgens had de raad in het kader van een goede ruimtelijke ordening een gemotiveerde afweging dienen te maken of ter plaatse de door [appellant sub 1] gewenste bedrijfsbestemming mogelijk is.

2.1.4. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Wonen" aan de [locatie 1], is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid en niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is gegrond. Het besluit dient in zoverre wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) te worden vernietigd.

2.1.5. Ten aanzien van het beroep van [appellant sub 1] is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen niet gebleken.

Het beroep van [appellant sub 2]

2.2. [appellant sub 2], die aan de [locatie 2] een tandartsen- en diëtistenpraktijk exploiteert, betoogt dat de raad ten onrechte de plandelen met de bestemmingen "Dienstverlening" en "Verkeer-Verblijfsgebied" op de hoek van de Ollandseweg en Kinderbos heeft vastgesteld. Hij betoogt dat niet is gemotiveerd waarom het door hem gewenste bouwvlak niet mogelijk is. Nu het opgenomen bouwvlak ongeschikt is voor de door hem gewenste uitbreiding van het paramedisch centrum, wordt hij in zijn mogelijkheden beperkt. De raad heeft ten onrechte gesteld dat het bouwvlak moet worden gericht naar de Ollandseweg. De naastgelegen woonwijk zal bovendien niet extra worden belast en het bouwvlak zal ook niet binnen een geurcirkel liggen. Door de gewenste uitbreiding niet mogelijk te maken, handelt de raad in strijd met afspraken uit 1998, die bij de koop van de gronden tussen [appellant sub 2] en de gemeente zijn gemaakt en waar ten aanzien van het bouwvlak geen beperkingen zijn opgenomen. Hij voert verder aan dat de raad ten onrechte wijzigingsbevoegdheden in het plan heeft opgenomen om de bestemmingen te wijzigen naar de bestemming "Wonen", nu dat in strijd is met eerdergenoemde afspraken waarin het paramedisch centrum als functie voor de gronden is geaccepteerd. Ten slotte heeft de raad onvoldoende gemotiveerd waarom geen woning op het plandeel mogelijk wordt gemaakt. Het standpunt dat van een tweede dienstwoning sprake zou zijn is onjuist, nu de woning van [appellant sub 2] aan de [locatie 3] geen dienstwoning is.

2.2.1. De raad stelt zich op het standpunt dat in het plan al een ruimer bouwvlak is opgenomen dan het huidige gebouw, waardoor uitbreiding van het huidige paramedisch centrum mogelijk is. De situering van het door [appellant sub 2] gewenste bouwvlak is ongewenst in verband met de hinder die na de bebouwing op achterliggende woonpercelen zal ontstaan. Ook liggen dat bouwvlak en de door [appellant sub 2] gewenste woning binnen de geurcirkel van het agrarisch bedrijf aan de [locatie 4] en op gronden van de gemeente, die de gemeente eerst wenst te ontwikkelen indien de geurcirkel niet meer aanwezig is. Voorts zou een woning een tweede dienstwoning zijn, waarvoor geen noodzaak bestaat.

2.2.2. Aan de gronden op de hoek van de Ollandseweg en Kinderbos zijn de bestemmingen "Dienstverlening" en "Verkeer-Verblijfsgebied" toegekend en de aanduiding "Wro-zone wijzigingsgebied 2". Op het plandeel met bestemming "Dienstverlening" is een bouwvlak aanwezig dat rond het bestaande gebouw is gesitueerd.

Ingevolge artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder a, van de planregels, zijn de voor "Dienstverlening" aangewezen gronden, voor zover hier van belang, bestemd voor dienstverlening, inclusief dienstverlening met een zakelijk dan wel maatschappelijk karakter.

Ingevolge artikel 6, lid 6.6, onder 6.6.1, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd de bestemming "Dienstverlening" te wijzigen in "Wonen" indien aan een zestal voorwaarden wordt voldaan.

Ingevolge artikel 27, onder c, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd ter plaatse van de aanduiding "Wro-zone wijzigingsgebied 2" de bestemmingen te wijzigen in de bestemming "Wonen" indien aan een zestal voorwaarden wordt voldaan.

2.2.3. Ten aanzien van het door [appellant sub 2] gewenste gedraaide bouwvlak overweegt de Afdeling dat de raad bij de keuze van de bestemming en aanduidingen een afweging dient te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beoordelingsvrijheid. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen. Niet is gebleken dat de raad alternatieven onvoldoende heeft betrokken bij de vaststelling van het plan. De raad heeft bij het opnemen van het bouwvlak in het plan terecht groot gewicht toegekend aan de geurcirkel van het agrarische bedrijf aan de [locatie 4], die deels over het perceel ligt. De raad heeft terecht overwogen dat het mogelijk maken van geurgevoelige objecten in deze cirkel dit bedrijf kan belemmeren. Verder heeft de raad in redelijkheid de invloed van het gewenste bouwvlak op de naastgelegen woningen bij zijn belangenafweging kunnen betrekken, nu het gewenste bouwvlak dichter bij de noordelijk gelegen woningen ligt en niet uit te sluiten is dat het gewenste bouwvlak een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse met zich kan brengen.

Over het betoog van [appellant sub 2] dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, wordt overwogen dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat door of namens de raad verwachtingen zijn gewekt of afspraken zijn gemaakt dat het plan in het door hem gewenste bouwvlak zou voorzien. De raad heeft het plan op dit punt derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld.

Gelet op het voorgaande en nu het bedrijf van [appellant sub 2] als zodanig is bestemd en binnen het toegekende bouwvlak is voorzien in enige uitbreidingsruimte, bestaat geen grond voor het oordeel dat de raad de belangen van [appellant sub 2] onvoldoende in de belangenafweging heeft betrokken.

2.2.4. Voor zover [appellant sub 2] zich richt tegen de wijzigingsbevoegdheden als bedoeld in artikel 6, lid 6.6, onder 6.6.1, van de planregels en artikel 27, onder c, van de planregels en vreest dat hij bedoelde gronden, na wijziging van de bestemming, niet meer kan gebruiken voor zijn paramedisch centrum en als parkeerterrein, overweegt de Afdeling dat in de wijzigingsregels is opgenomen dat er bij wijziging geen afbreuk mag worden gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken. Gelet hierop en gelet op de mogelijkheid om rechtsmiddelen tegen een mogelijk wijzigingsplan aan te wenden ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad deze wijzigingsbevoegdheden niet in redelijkheid in het plan heeft kunnen opnemen.

2.2.5. Ten aanzien van de door [appellant sub 2] gewenste woning, overweegt de Afdeling dat de raad in redelijkheid heeft kunnen afzien van het opnemen hiervan in het plan. Nog daargelaten de vraag of van een dienstwoning sprake zou zijn, zou deze woning binnen de geurcirkel van het bedrijf aan de [locatie 4] komen te staan en de gemeente, als eigenaar van deze gronden, heeft aangegeven pas over te willen gaan tot ontwikkeling nadat deze belemmering is komen te vervallen. Het betoog faalt.

2.2.6. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

2.2.7. Ten aanzien van het beroep van [appellant sub 2] bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

Het beroep van [appellanten sub 3]

2.3. [appellanten sub 3] betogen dat de raad ten onrechte het plandeel met de bestemming "Wonen" op de percelen [locatie 5] en het achterliggende perceel heeft vastgesteld, nu ter plaatse niet de gewenste twee nieuwe woningen mogelijk worden gemaakt. De raad had voor deze woningen een wijzigingsbevoegdheid of bouwvlakken moeten opnemen. De raad heeft hun belangen miskend, nu hij de in het voorheen geldende plan toegekende bedrijfsbestemming wel heeft verwijderd, maar daar onvoldoende tegenover heeft gesteld. De intentie van de raad om door middel van herziening van het plan alsnog woningbouw mogelijk te maken, is onvoldoende. Zij voeren verder aan dat onduidelijk is of de raad ter plaatse tweedelijns bebouwing aanvaardbaar acht. Bij toepassing van de door de raad voorgestelde beleidsnota's zullen zij alsnog een aanzienlijk bedrag moeten betalen om ter plaatse woningen mogelijk te kunnen maken.

2.4. De raad stelt zich op het standpunt dat, nu ten tijde van de vaststelling van het plan onvoldoende duidelijk was waar op de percelen twee woningen konden worden gerealiseerd, er aanleiding was om de bedrijfsbestemming te verwijderen en een woonbestemming zonder bouwvlak op te nemen. Bij de vaststelling van het plan is voorts besloten dat zowel eerste- als tweedelijnsbebouwing mogelijk is en dat in overleg zal worden getreden met [appellanten sub 3] over invulling van de percelen.

2.4.1. Aan de percelen van [appellanten sub 3], voor zover hier van belang, is de bestemming "Wonen" toegekend.

Ingevolge artikel 15, lid 15.2, onder 15.2.1, onder a, van de planregels, mogen binnen deze bestemming hoofdgebouwen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd.

De bestaande woningen aan de [locatie 6], [locatie 5] en [locatie 7] hebben een bouwvlak gekregen. Op het overige deel van de percelen rust geen bouwvlak.

In het voorheen geldende bestemmingsplan hadden de in geding zijnde percelen de bestemming "Bedrijven II - Hoveniersbedrijf". Over beide percelen lag een bouwvlak.

2.4.2. De Afdeling overweegt dat in het plan op het perceel [locatie 5] en op het achterliggende perceel niet is voorzien in de bouw van nieuwe woningen. De raad heeft ter plaatse een woonbestemming zonder nieuw bouwvlak toegekend omdat hij wel mogelijkheden ziet voor woningbouw ter plaatse, maar nog onvoldoende duidelijk is op welke wijze deze woningen mogelijk zullen worden gemaakt. Daarbij is de raad er aan voorbijgegaan dat de toegekende bestemming tot gevolg heeft dat ter plaatse geen bedrijvigheid meer mag worden uitgeoefend, die op basis van de in het voorheen geldende bestemmingsplan opgenomen bedrijfsbestemming wel mogelijk was en dat deze wijze van bestemmen ook de door de raad wel aanvaardbaar geachte bebouwing uitsluit. De raad heeft naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende gemotiveerd waarom deze wijze van bestemmen in overeenstemming moet worden geacht met een goede ruimtelijke ordening en hoe daarbij met de belangen van [appellanten sub 3] rekening is gehouden.

2.4.3. In hetgeen [appellanten sub 3] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Wonen" op de plandelen zoals nader aangeduid op de bij deze uitspraak behorende kaart, is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid en niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is gegrond. Het besluit dient in zoverre wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb te worden vernietigd.

2.4.4. De raad dient ten aanzien van het beroep van [appellanten sub 3] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Het beroep van [appellant sub 4]

2.5. [appellant sub 4] betoogt dat de raad het plan, voor zover het betreft de artikelen 17 tot en met 20 van de planregels onterecht heeft vastgesteld. Hij voert hiertoe aan dat deze bepalingen, die de bouwmogelijkheden op gronden met archeologische waarden regelen, in strijd zijn met het gemeentelijke erfgoedplan en het archeologiebeleid uit 2007. De uitzondering op het bouwverbod is te beperkt, nu slechts tot zeer beperkte diepte en omvang bouwwerkzaamheden mogen worden verricht en de uitzondering niet geldt voor kleine bijgebouwen, maar slechts voor verbouw en/of nieuwbouw van bestaande gebouwen. Bovendien dient eerst archeologisch onderzoek te worden verricht en een vergunning te worden aangevraagd waarin vereisten omtrent archeologie worden opgenomen. Pas na eenzelfde archeologieonderzoek kan ingevolge de artikelen 17, lid 17.4, 18, lid 18.4, 19, lid 19.4 en 20, lid 20.4, de aanduiding worden verwijderd. Een andere mogelijkheid om bouwwerkzaamheden van grotere omvang te verrichten, is ten onrechte niet gegeven. De bouwmogelijkheden voor gronden met een archeologische aanduiding worden daardoor onevenredig beperkt.

2.6. Artikel 17, lid 17.1, van de planregels luidt als volgt:

De voor "Waarde-Archeologie 2" aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor:

a. het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden.

Artikel 17, lid 17.2 bepaalt, voor zover hier van belang, het volgende:

a. Waar een hoofdbestemming samenvalt met een medebestemming geldt primair het bepaalde ten aanzien van de medebestemming. De bepalingen met betrekking tot de hoofdbestemming zijn alsdan uitsluitend van toepassing voor zover deze niet strijdig zijn met het bepaalde ten aanzien van de medebestemming.

b. Binnen voor "Waarde-Archeologie 2" aangewezen gronden is het niet toegestaan te bouwen, met uitzondering van verbouw en/of nieuwbouw van bestaande gebouwen, voor zover bij de bouw de bestaande oppervlakte van het gebouw met niet meer dan 50 m² wordt vergroot of ruimtelijk gewijzigd en voor zover bij de bouw geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd dieper dan 0,3 meter ten opzichte van het maaiveld.

c. Voor zover de betreffende bouwwerken toelaatbaar zijn volgens de overige voor deze gronden geldende bepalingen, kan de vergunning worden verleend, indien aan de vergunning de volgende regels worden verbonden:

1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;

2. de verplichting tot het doen van opgravingen, of;

3. de verplichting de uitvoering van de bouwwerken te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.

d. De bouwvergunning wordt niet verleend dan nadat de aanvrager een rapport heeft overgelegd, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld.

Artikel 18, lid 18.1 en 18.2, van de planregels luidt hetzelfde in die zin dat dit artikel geldt voor de gronden met de aanduiding "Waarde-Archeologie 3" en de in sub b genoemde omvang 100 m² betreft.

Artikel 19, lid 19.1 en 19.2, van de planregels luidt hetzelfde in die zin dat dit artikel geldt voor de gronden met de aanduiding "Waarde-Archeologie 4" en de in sub b genoemde omvang 100 m² betreft en de diepte 0,5 meter.

Artikel 20, lid 20.1 en 20.2, van de planregels luidt hetzelfde in die zin dat dit artikel geldt voor gronden met de aanduiding "Waarde-Archeologie 5" en de in sub b genoemde omvang 10.000 m² betreft en de diepte 0,5 meter.

Ingevolge de leden 17.4, 18.4, 19.4 en 20.4 van de artikelen, kan door middel van een wijzigingsbevoegdheid de aanduiding door het college van burgemeester en wethouders geheel of gedeeltelijk worden verwijderd, indien uit archeologisch onderzoek blijkt dat in het aangewezen gebied geen archeologische waarden zijn aangetroffen.

2.6.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de bestreden planregels weliswaar ongelukkig zijn geformuleerd, maar als volgt worden toegepast, waarbij de waarde van x en y overeenkomen met de waarden zoals die thans zijn opgenomen in sub b van lid 2 van de bij de betreffende aanduiding behorende planregel.

a. Voor het bouwen op gronden met een archeologische waarden aanduiding, overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen, dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen, voor zover bij de bouw de bestaande oppervlakte van het gebouw met meer dan x m² wordt vergroot of ruimtelijk gewijzigd en voor zover bij de bouw grondwerkzaamheden worden uitgevoerd dieper dan y meter ten opzichte van het maaiveld, een rapport over te leggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders in voldoende mate zijn vastgesteld.

b. Indien uit het in sub a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen zullen of kunnen worden verstoord, kan het college van burgemeester en wethouders één of meer van de volgende maatregelen verbinden aan de omgevingsvergunning:

1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden.

2. de verplichting tot het doen van opgravingen.

3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het college van burgemeester en wethouders bij de omgevingsvergunning te geven kwalificaties.

2.6.2. De Afdeling overweegt dat, anders dan de raad stelt, hetgeen in de bestreden planregels is geregeld niet overeenkomt met hetgeen de raad heeft beoogd te regelen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de planregels een vergaand bouwverbod inhouden voor alle bouwwerkzaamheden, behoudens voor zover het de verbouw of nieuwbouw van bestaande gebouwen betreft en wordt voldaan aan de in sub b van de betreffende regels genoemde omvang en diepte. Voor bouwwerkzaamheden binnen die grenzen is bovendien archeologisch onderzoek vereist, indien voor die werkzaamheden een bouwvergunning (thans: omgevingsvergunning voor bouwen) nodig is. Grotere bouwwerkzaamheden zijn slechts toegestaan indien het college, na overlegging van een rapport waaruit blijkt dat geen archeologische waarden in de gronden aanwezig zijn, de dubbelbestemming door middel van een wijzigingsplan verwijdert. Gelet op hetgeen is overwogen in 2.6.1 behelst dit een andere regeling dan hetgeen de raad voor ogen heeft gehad bij de vaststelling van het plan. De omstandigheid dat de raad de artikelen wel op de beoogde wijze toepast, doet niet af aan de onjuistheid van de in de planregels opgenomen bepalingen. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat de raad in zoverre heeft gehandeld in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het betoog slaagt.

2.6.3. In hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan, voor zover het betreft de artikelen 17, lid 17.2, 18, lid 18.2, 19, lid 19.2 en 20, lid 20.2, van de planregels heeft vastgesteld in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

2.6.4. Gelet op het belang van de bescherming van de mogelijke archeologische waarden in de grond, welke bescherming met de vernietiging komt te vervallen voor dit plangebied, ziet de Afdeling aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb te bepalen dat de raad binnen 26 weken na datum van verzending van deze uitspraak een bestemmingsplan dient vast te stellen waarin wordt voorzien in herziene planregels, voor zover deze zijn vernietigd, met inachtneming van deze uitspraak, en een voorlopige voorziening te treffen.

2.6.5. De raad dient ten aanzien van het beroep van [appellant sub 4] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen van [appellant sub 1], van [appellanten sub 3] en van [appellant sub 4] gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Sint-Oedenrode van 29 april 2010, voor zover het betreft:

a. het plandeel met de bestemming "Wonen" op het perceel [locatie 1];

b. het plandeel met de bestemming "Wonen", zoals nader aangeduid op de bij deze uitspraak behorende kaart;

c. artikel 17, lid 17.2, artikel 18, lid 18.2, artikel 19, lid 19.2, en artikel 20, lid 20.2, van de planregels;

III. draagt de raad van de gemeente Sint-Oedenrode op om binnen 26 weken na datum van verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen hierin is overwogen een bestemmingsplan vast te stellen voor de onder II, onder c, genoemde planonderdelen en dit vervolgens op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen;

IV. treft de voorlopige voorziening dat artikel 17, lid 17.2, artikel 18, lid 18.2, artikel 19, lid 19.2 en artikel 20, lid 20.2 luiden zoals opgenomen in 2.6.1;

V. bepaalt dat de onder IV getroffen voorlopige voorziening vervalt op het tijdstip van inwerkingtreding van een bestemmingsplan waarin de onder II, onder c, genoemde planregels zijn herzien;

VI. verklaart het beroep van [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] ongegrond;

VII. veroordeelt de raad van de gemeente Sint-Oedenrode tot vergoeding van bij [appellanten sub 3] en [appellant sub 4] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten. Ten aanzien van het beroep van [appellanten sub 3] betreft dit een bedrag van € 67,35 (zegge: zevenenzestig euro en vijfendertig cent), met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander, en ten aanzien van het beroep van [appellant sub 4] betreft dit een bedrag van € 40,11 (zegge: veertig euro en elf cent);

VIII. gelast dat de raad van de gemeente Sint-Oedenrode aan [appellant sub 1], [appellanten sub 3] en [appellant sub 4] het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt (€ 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 1], € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellanten sub 3], met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander, en € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 4]).

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. Kegge, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen w.g. Kegge

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 november 2011

459-715.

<HR>

Kaart