Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU3500

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-10-2011
Datum publicatie
07-11-2011
Zaaknummer
201009717/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 15?juli?2009 heeft de minister het BMA -?onder meer?- verzocht onderzoek te doen naar de behandelmogelijkheden in Tanzania. Voor zover de vreemdeling heeft bedoeld aan te voeren dat de minister dat verzoek ten onrechte heeft gedaan, bestaat hiervoor geen grond. Immers, de minister heeft zich in het besluit op het standpunt gesteld dat de vreemdeling in de eerder door hem doorlopen asielprocedure heeft verzuimd zijn gestelde Burundese?nationaliteit te staven. Verder heeft de minister?in dat verband de uitkomst van een in die procedure uitgebrachte taalanalyse van 11?april?2006, die luidt dat de vreemdeling eenduidig niet te herleiden is tot de spraak- en cultuurgemeenschap binnen Burundi,?gezien de uitspraak van de Afdeling van 10?december?2007 in zaak nr.?200707254/1 (www.raadvanstate.nl), terecht van betekenis geacht. Ook de uitkomst van een op 28?juli?2008 uitgebrachte taalanalyse, die luidt dat de vreemdeling eenduidig is te herleiden tot de spraak- en cultuurgemeenschap binnen Tanzania, heeft de minister, ook?omdat de vreemdeling daartegen geen contra-expertise heeft ingebracht, daarbij terecht van belang geacht. Derhalve moet, zoals de minister in het besluit heeft opgemerkt, ervan worden uitgegaan dat de vreemdeling afkomstig is uit Tanzania. Dat de Tanzaniaanse autoriteiten eerder hebben geweigerd de vreemdeling een laissez?passer te verstrekken, mist in dit verband betekenis, omdat?de afgifte van?zodanig document eerst bij uitzetting van de vreemdeling van belang kan worden?en moet worden beoordeeld aan de hand van zich dan voordoende feiten en omstandigheden en beschikbare?informatie. Ten slotte heeft het BMA in het BMA-advies, in antwoord op vraag?1b, weliswaar vermeld dat de behandelaar het suïciderisico bij uitzetting groot acht, maar het heeft ook, in antwoord op vraag?3, toegelicht om welke redenen het uitblijven van behandeling niet zal leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn. Verder blijkt uit het antwoord op vraag?4a dat het BMA, gezien dat risico, als reisvereisten heeft gesteld dat de vreemdeling door een psychiatrische verpleegkundige dient te worden begeleid en dat hij over medicatie dient te beschikken. Uit de bij de rechtbank ingediende brief van 18?maart?2010 blijkt niet dat de behandelaar voormelde bevindingen van het BMA heeft weersproken. Gelet op het voorgaande is het?BMA-advies zorgvuldig tot stand gekomen en is voorts de inhoud daarvan inzichtelijk.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 64
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2012/109 met annotatie van mr. M.A.G. Reurs
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201009717/1/V1.

Datum uitspraak: 31 oktober 2011

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de minister van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen, van 26 augustus 2010 in zaak nr. 10/3665 in het geding tussen:

[vreemdeling]

en

de minister.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 augustus 2009 heeft de staatssecretaris van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om op hem artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) toe te passen, afgewezen.

Bij besluit van 31 december 2009 (hierna: het besluit) heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 26 augustus 2010, verzonden op 13 september 2010, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 8 oktober 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Onder de minister wordt tevens verstaan: de staatssecretaris.

2.2. De minister klaagt in de grieven - voor zover thans van belang en samengevat weergegeven - dat de rechtbank ten onrechte, onder verwijzing naar - onder meer - de uitspraak van de Afdeling van 4 september 2008 in zaak nr. 200708871/1 (www.raadvanstate.nl), heeft overwogen dat, nu hij zich uitsluitend in algemene zin heeft laten informeren door de Dienst Terugkeer en Vertrek (hierna: de DT&V), hij zich er niet van heeft vergewist dat bij de daadwerkelijke verwijdering van de vreemdeling aan het in het advies van het Bureau Medische Advisering (hierna: het BMA) van 31 juli 2009 (hierna: het BMA advies) gestelde fysieke overdrachtsvereiste wordt voldaan. Hiertoe voert de minister aan dat de rechtbank, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 7 september 2009 in zaak nr. 200809022/1/V1 (www.raadvanstate.nl), slechts diende te beoordelen of het redelijkerwijs te verwachten valt dat op het tijdstip van vertrek van de vreemdeling uit Nederland aan dat vereiste wordt voldaan. Nu uit het BMA advies volgt dat de vreemdeling in het Aga Khan Hospital, gevestigd in Dar es Salaam, Tanzania, (hierna: de instelling) kan worden behandeld en hij in het besluit heeft gemotiveerd op welke wijze de DT&V de vreemdeling zal uitzetten, bestaat geen grond voor het oordeel dat hij alsdan niet aan dat vereiste kan voldoen, aldus de minister.

2.2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 1 december 2010 in zaak nr. 201002688/1/V3; www.raadvanstate.nl), dient de minister zich reeds bij de beoordeling of artikel 64 van de Vw 2000 op een vreemdeling van toepassing is, ervan te vergewissen dat het mogelijk is dat bij de daadwerkelijke verwijdering van de desbetreffende vreemdeling aan de door het BMA aan de uitzetting verbonden vereisten wordt voldaan. De minister kan dat niet uitstellen tot het moment waarop hij daadwerkelijk tot verwijdering overgaat. Voorts volgt uit deze uitspraak dat, indien de minister inzichtelijk heeft gemaakt met welke concreet bij naam genoemde behandelaars dan wel instellingen vóór uitzetting van de desbetreffende vreemdeling contact zal worden opgenomen teneinde aan het door het BMA gestelde fysieke overdrachtsvereiste te voldoen en de minister tevens heeft toegezegd dat die vreemdeling niet zal worden uitgezet, ingeval die overdracht niet kan worden geregeld, hij aan zijn vergewisplicht heeft voldaan. Deze vergewisplicht strekt evenwel niet zover dat de fysieke overdracht reeds ten tijde van de totstandkoming van het desbetreffende besluit, voor zover dit feitelijk al mogelijk is, geregeld en gegarandeerd dient te zijn.

2.2.2. In het besluit heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat in verband met het in het BMA advies gestelde vereiste van fysieke overdracht en directe voortzetting van de behandeling, voorafgaande aan de uitzetting van de vreemdeling contact zal worden gelegd met een arts in Tanzania en met hem afspraken zullen worden gemaakt over de datum en wijze waarop de medische behandeling wordt overgedragen. Gezien de uitdrukkelijke verwijzing naar het BMA advies kan worden aangenomen dat de minister daarbij ervan is uitgegaan dat volgens het aan dat advies ten grondslag gelegde bericht van International SOS van 7 januari 2009, nr. 9PAR008290, de voor de vreemdeling vereiste ambulante psychiatrische behandeling kan worden verstrekt door de instelling die in dat bericht wordt genoemd en dat de minister in het besluit die instelling op het oog heeft gehad. Onder die omstandigheden is voldoende inzichtelijk dat de minister vóór de uitzetting van de vreemdeling contact zal opnemen met een behandelaar in de instelling, teneinde te voldoen aan het ter zake in het BMA advies gestelde vereiste aan de overdracht van de vreemdeling. Verder heeft de minister in het besluit toegezegd dat de vreemdeling niet zal worden uitgezet, indien de fysieke overdracht niet kan worden geregeld.

Uit het voorgaande volgt dat de minister aan zijn vergewisplicht heeft voldaan en de rechtbank hem in dat opzicht te vergaande eisen heeft gesteld. De grieven slagen.

2.3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen de minister overigens heeft aangevoerd, behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal het besluit worden getoetst in het licht van de daartegen bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden, voor zover die, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, nog bespreking behoeven.

2.4. De vreemdeling heeft aangevoerd dat - samengevat weergegeven - het BMA advies onzorgvuldig tot stand is gekomen, omdat, nu hij de Burundese nationaliteit bezit, het BMA ten onrechte heeft onderzocht of hij in Tanzania kan worden behandeld. Bovendien valt volgens de vreemdeling niet in te zien op welke wijze fysieke overdracht in dat land kan plaatsvinden, aangezien de Tanzaniaanse autoriteiten eerder hebben geweigerd hem een laissez passer te verstrekken. Ten slotte heeft de vreemdeling in dit verband aangevoerd dat, nu uit het BMA advies blijkt dat zijn behandelaar het suïciderisico groot acht, de conclusie van het BMA dat geen medische noodsituatie op korte termijn valt te verwachten, niet inzichtelijk is.

2.4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 oktober 2010 in zaak nr. 201001245/1/V1; www.raadvanstate.nl) dient de minister, indien hij een BMA-advies, daaronder begrepen de eventueel nadien uitgebrachte nota's, aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, zich ingevolge artikel 3:2 van de Awb ervan te vergewissen dat dit naar wijze van totstandkoming - zorgvuldig en - naar inhoud - inzichtelijk en concludent is.

2.4.2. Bij brief van 15 juli 2009 heeft de minister het BMA - onder meer - verzocht onderzoek te doen naar de behandelmogelijkheden in Tanzania. Voor zover de vreemdeling heeft bedoeld aan te voeren dat de minister dat verzoek ten onrechte heeft gedaan, bestaat hiervoor geen grond. Immers, de minister heeft zich in het besluit op het standpunt gesteld dat de vreemdeling in de eerder door hem doorlopen asielprocedure heeft verzuimd zijn gestelde Burundese nationaliteit te staven. Verder heeft de minister in dat verband de uitkomst van een in die procedure uitgebrachte taalanalyse van 11 april 2006, die luidt dat de vreemdeling eenduidig niet te herleiden is tot de spraak- en cultuurgemeenschap binnen Burundi, gezien de uitspraak van de Afdeling van 10 december 2007 in zaak nr. 200707254/1 (www.raadvanstate.nl), terecht van betekenis geacht. Ook de uitkomst van een op 28 juli 2008 uitgebrachte taalanalyse, die luidt dat de vreemdeling eenduidig is te herleiden tot de spraak- en cultuurgemeenschap binnen Tanzania, heeft de minister, ook omdat de vreemdeling daartegen geen contra expertise heeft ingebracht, daarbij terecht van belang geacht. Derhalve moet, zoals de minister in het besluit heeft opgemerkt, ervan worden uitgegaan dat de vreemdeling afkomstig is uit Tanzania. Dat de Tanzaniaanse autoriteiten eerder hebben geweigerd de vreemdeling een laissez passer te verstrekken, mist in dit verband betekenis, omdat de afgifte van zodanig document eerst bij uitzetting van de vreemdeling van belang kan worden en moet worden beoordeeld aan de hand van zich dan voordoende feiten en omstandigheden en beschikbare informatie. Ten slotte heeft het BMA in het BMA advies, in antwoord op vraag 1b, weliswaar vermeld dat de behandelaar het suïciderisico bij uitzetting groot acht, maar het heeft ook, in antwoord op vraag 3, toegelicht om welke redenen het uitblijven van behandeling niet zal leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn. Verder blijkt uit het antwoord op vraag 4a dat het BMA, gezien dat risico, als reisvereisten heeft gesteld dat de vreemdeling door een psychiatrische verpleegkundige dient te worden begeleid en dat hij over medicatie dient te beschikken. Uit de bij de rechtbank ingediende brief van 18 maart 2010 blijkt niet dat de behandelaar voormelde bevindingen van het BMA heeft weersproken.

Gelet op het voorgaande is het BMA-advies zorgvuldig tot stand gekomen en is voorts de inhoud daarvan inzichtelijk.

2.4.3. De beroepsgronden falen.

2.5. Het inleidende beroep tegen het besluit is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen, van 26 augustus 2010 in zaak nr. 10/3665;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. R. van der Spoel, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Beerse

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2011

154-636.

Verzonden: 31 oktober 2011

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser