Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU3499

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-11-2011
Datum publicatie
07-11-2011
Zaaknummer
201107731/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aan de maatregel van bewaring is ten grondslag gelegd dat de vreemdeling (…) ongewenst is verklaard. (…) Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 4?augustus 2011 in zaak nr. 201102362/1/V3; www.raadvanstate.nl) dient bij de beoordeling of de bewaringsgronden voldoende dragend zijn, weliswaar te worden uitgegaan van de omstandigheden die in het besluit tot inbewaringstelling zijn vermeld, maar doet dit er niet aan af dat de minister, ter zitting van de rechtbank dan wel anderszins kan toelichten waarom de in de maatregel vermelde gronden hem aanleiding hebben gegeven de vreemdeling in bewaring te stellen. Deze toelichting dient vervolgens te worden betrokken bij de beoordeling van de vraag of de vreemdeling de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert. De rechtbank heeft terecht overwogen dat in het besluit tot oplegging van de maatregel niet is aangegeven dat de ongewenstverklaring een signalering betreft als bedoeld in paragraaf A3/9.2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000. De minister heeft er echter ter zitting bij de rechtbank op gewezen dat blijkens het zich in het dossier bevindende bericht omtrent signalering van 7 februari 2011 de vreemdeling gesignaleerd staat als ongewenst vreemdeling, omdat hij zich heeft onttrokken aan het toezicht. In het licht van deze toelichting kon deze omstandigheid aan de maatregel ten grondslag worden gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201107731/1/V3.

Datum uitspraak: 2 november 2011

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister voor Immigratie en Asiel,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 7 juli 2011 in zaak nr. 11/21176 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de minister.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 juni 2011 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 7 juli 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 14 juli 2011, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. De minister klaagt in zijn enige grief, samengevat weergegeven en voor zover thans van belang, dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden de bewaring niet kunnen rechtvaardigen. De minister betoogt dat voldoende gronden aanwezig zijn, die de oplegging van de maatregel rechtvaardigen in het licht van richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (hierna: de richtlijn).

2.1.1. Aan de maatregel van bewaring is ten grondslag gelegd dat de vreemdeling:

(a) niet beschikt over een identiteitspapier als bedoeld in artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000),

(b) geen vaste woon-/verblijfplaats heeft,

(c) beschikt over onvoldoende middelen om te voorzien in de kosten van zijn levensonderhoud dan wel om de terugreis naar zijn land van herkomst te kunnen bekostigen, en

(d) ongewenst is verklaard.

2.1.2. De Afdeling heeft in de uitspraak van 21 maart 2011 in zaak nr. 201100555/1/V3 (www.raadvanstate.nl), samengevat weergegeven en voor zover thans van belang, overwogen dat artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000, voor zover nodig, richtlijnconform kan worden uitgelegd in die zin dat, zolang niet aan artikel 3, zevende lid, van de richtlijn is voldaan, een maatregel van bewaring alleen mag worden opgelegd indien de betrokken vreemdeling de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert.

Bij de beoordeling of de vreemdeling de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert dient te worden uitgegaan van de omstandigheden die in het besluit tot oplegging van de bewaring zijn vermeld. Bij deze beoordeling moet rekening worden gehouden met de toelichting die de minister, ter zitting van de rechtbank dan wel anderszins, over deze omstandigheden heeft gegeven en in samenhang daarmee met hetgeen hieromtrent uit het bewaringsdossier van de vreemdeling valt af te leiden.

2.1.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 4 augustus 2011 in zaak nr. 201102362/1/V3; www.raadvanstate.nl) dient bij de beoordeling of de bewaringsgronden voldoende dragend zijn, weliswaar te worden uitgegaan van de omstandigheden die in het besluit tot inbewaringstelling zijn vermeld, maar doet dit er niet aan af dat de minister, ter zitting van de rechtbank dan wel anderszins kan toelichten waarom de in de maatregel vermelde gronden hem aanleiding hebben gegeven de vreemdeling in bewaring te stellen. Deze toelichting dient vervolgens te worden betrokken bij de beoordeling van de vraag of de vreemdeling de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat in het besluit tot oplegging van de maatregel niet is aangegeven dat de ongewenstverklaring een signalering betreft als bedoeld in paragraaf A3/9.2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000. De minister heeft er echter ter zitting bij de rechtbank op gewezen dat blijkens het zich in het dossier bevindende bericht omtrent signalering van 7 februari 2011 de vreemdeling gesignaleerd staat als ongewenst vreemdeling, omdat hij zich heeft onttrokken aan het toezicht. In het licht van deze toelichting kon deze omstandigheid aan de maatregel ten grondslag worden gelegd.

De vreemdeling heeft voorts niet betwist dat hij niet over voldoende middelen beschikt om te voorzien in de kosten van zijn levensonderhoud dan wel om de terugreis naar zijn land van herkomst te kunnen bekostigen. Dat hij stelt via de Internationale Organisatie voor Migratie te kunnen terugkeren, leidt niet tot het oordeel dat hij zelfstandig over voldoende middelen van bestaan beschikt. Evenmin heeft hij betwist dat hij niet over een identiteitspapier als bedoel in artikel 4.21 van het Vb 2000 beschikt.

Daarnaast blijkt uit het proces-verbaal van gehoor van 16 juni 2011 dat de vreemdeling voorafgaand aan zijn inbewaringstelling heeft verklaard niet naar zijn land van herkomst te willen terugkeren en dat hij naar België is vertrokken om daar opnieuw een asielaanvraag in te dienen.

Voormelde omstandigheden bieden voldoende grond om aan te nemen dat de vreemdeling de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert.

Gelet hierop slaagt de grief.

2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 17 juni 2011 beoordelen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover die gelet op hetgeen hiervoor is overwogen nog bespreking behoeven.

2.3. Bij de rechtbank heeft de vreemdeling naar voren gebracht dat de minister niet heeft onderzocht of met een lichter middel kan worden volstaan.

2.3.1. Zoals hierboven in 2.1.3. is overwogen, heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat er voldoende grond is om aan te nemen dat de vreemdeling de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert als bedoeld in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b, van de richtlijn. Gelet hierop en nu de vreemdeling voorts geen bijzondere feiten of omstandigheden heeft aangevoerd met betrekking tot zijn persoonlijke belangen die de maatregel onevenredig zouden kunnen maken, heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat in het geval van de vreemdeling geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De omstandigheid dat uit het dossier niet uitdrukkelijk blijkt dat door de minister voorafgaand aan de oplegging van de maatregel van bewaring is bezien of met een minder dwingende maatregel de verwijdering van een illegaal verblijvende vreemdeling kan worden verzekerd, kan hieraan niet afdoen.

De beroepsgrond faalt.

2.4. Het beroep van de vreemdeling dient alsnog ongegrond te worden verklaard. Er is geen grond voor schadevergoeding.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 7 juli 2011 in zaak nr. 11/21176;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;

IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. B. van Dokkum, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Van Dokkum

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 november 2011

480-654.

Verzonden: 2 november 2011

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser