Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU3412

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-11-2011
Datum publicatie
04-11-2011
Zaaknummer
200909256/1/V3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2009:BK4992, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uit hetgeen hiervoor onder 2.4 is weergegeven volgt dat de minister de hem bij artikel 11, vijfde lid, van de Vw (oud) verleende bevoegdheid om een verblijfsvergunning te verlenen vanaf 5?april?1994 uitgeoefend door vreemdelingen een zodanige vergunning te verlenen indien zij aan de voorwaarden van het driejarenbeleid voldeden. Dat betekent dat de uitoefening van deze bevoegdheid ten opzichte van 1?januari?1973 vanaf 5?april?1994 in zoverre is versoepeld. Vanaf 1?januari?2003 heeft de minister deze uitoefening van de hem thans bij artikel 14, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 verleende bevoegdheid om een verblijfsvergunning te verlenen niet meer toegepast. Daarmee is deze toepassing ten opzichte van de door de minister vanaf 5?april?1994 uitgeoefende bevoegdheid om een zodanige vergunning te verlenen aangescherpt. Aangezien, zoals hiervoor onder 2.5 is overwogen, hetgeen het Hof in het arrest Toprak en Oguz voor recht heeft verklaard ook van betekenis is voor de uitleg van artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol, volgt daaruit dat het met ingang van 1 januari 2003 niet meer toepassen van de vanaf 5? april?1994 ingetreden verruimde uitoefening van de aan de minister verleende bevoegdheid om op grond van het driejarenbeleid een verblijfsvergunning te verlenen indien aan de voorwaarden van dat beleid is voldaan een bij artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol verboden "nieuwe" beperking vormt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200909256/1/V3.

Datum uitspraak: 1 november 2011

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie, thans de minister voor Immigratie en Asiel

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Dordrecht, van 3 november 2009 in zaak nr. 09/7135 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 mei 2006 heeft de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 19 februari 2009 heeft de staatssecretaris van Justitie het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar wederom ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 3 november 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 1 december 2009, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Bij onder meer uitspraak van 24 juli 2009 in zaak nr. 200803358/1/V3 heeft de Afdeling het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof) verzocht bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op de door haar gestelde vraag. Deze uitspraak is aangehecht.

Naar aanleiding van deze uitspraak heeft de Afdeling partijen bericht dat de behandeling van onderhavige zaak wordt aangehouden in afwachting van het antwoord van het Hof.

Bij arrest van 9 december 2010 in gevoegde zaken C-300/09 en C-301/09 (hierna: het arrest Toprak en Oguz) heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna eveneens: het Hof) de gestelde vraag beantwoord. Dit arrest is aangehecht.

De vreemdeling heeft desgevraagd een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de overwegingen wordt onder minister tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2.2. Op 12 september 1963 is een overeenkomst, waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap (hierna: de Gemeenschap) en de Republiek Turkije, namens die Gemeenschap gesloten. De overeenkomst is goedgekeurd en bevestigd bij besluit 64/732/EEG van de Raad van de Gemeenschap van 23 december 1963 (PB 1964, 217).

Op 23 november 1970 is een Aanvullend Protocol (hierna: het Aanvullend Protocol) ondertekend en namens de Gemeenschap gesloten. Het is goedgekeurd en bevestigd bij verordening (EEG) nr. 2760 van de Raad van 19 december 1972 (PB L 293). Voor het Europese deel van het Koninkrijk der Nederlanden is het protocol op 1 januari 1973 in werking getreden.

Ingevolge artikel 41, eerste lid, van dit protocol voeren de overeenkomstsluitende partijen onderling geen nieuwe beperkingen in met betrekking tot de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten.

2.3. In de enige grief klaagt de minister dat de rechtbank ten onrechte, onder verwijzing naar onder meer de uitspraak van 24 juli 2009 in zaak nr. 200803358/1/V3, heeft overwogen dat het standpunt dat artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol niet van toepassing is op de afschaffing van begunstigend beleid dat na 1 januari 1973 is ingevoerd niet zonder meer voor juist kan worden gehouden, omdat het Turkse vreemdelingen die zich op het driejarenbeleid hadden kunnen beroepen indien het niet was afgeschaft de mogelijkheid ontneemt om zich legaal in Nederland te vestigen en arbeid als zelfstandige te verrichten.

Voorts heeft de rechtbank, samengevat, ten onrechte overwogen dat indien het Hof zou oordelen dat het afschaffen van een na de inwerkingtreding van artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol ingevoerde versoepeling in strijd is met deze bepaling, aan de vreemdeling een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd zal moeten worden verleend indien hij aan de voorwaarden van het driejarenbeleid voldoet, waaraan het standpunt van de minister dat het Vreemdelingenbesluit 2000 geen ruimte biedt om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van het driejarenbeleid op aanvraag of ambtshalve te verlenen niet in de weg kan staan.

De rechtbank heeft volgens de minister dan ook ten onrechte overwogen, samengevat, dat hij dient te onderzoeken of de vreemdeling in aanmerking was gekomen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van het driejarenbeleid en, indien dit onderzoek positief voor de vreemdeling uitvalt, zich gelet op bij voormelde uitspraak van 24 juli 2009 gestelde prejudiciële vraag nader dient te beraden op zijn standpunt dat voormeld artikel 41, eerste lid, niet van toepassing is op de afschaffing van na 1 januari 1973 ingevoerd begunstigend beleid.

Daartoe voert de minister, samengevat, aan dat uit de punten 53 en 55 van het arrest van het Hof van 20 september 2007 in zaak C-16/05, Tum & Dari (www.curia.europa.eu) kan worden afgeleid dat een op 1 januari 1973 geldende regeling en niet een na die datum geldende regeling bepalend is. Het in het verleden gevoerde driejarenbeleid behelst een louter nationale kwestie en volgt niet uit enige communautaire verplichting, zodat het beroep van de vreemdeling op dit beleid niet relevant is, aldus de minister.

2.4. Uit de overwegingen 11 en 12 van de uitspraak van de Rechtseenheidskamer van 1 juni 1995 in zaak nr. 95/1866 (RV 1995, 40) volgt dat het driejarenbeleid vanaf 5 april 1994 ook op vreemdelingen die verblijf op een reguliere grond beoogden is toegepast. Bij Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire (hierna: TBV) 1996/12 van 3 december 1996, geldig van 13 december 1996 tot 3 december 1998 is dit beleid bekendgemaakt (Strcrt. 1996, nr. 242, p. 7). Bij Aanvulling 17 (besluit van 14 juli 1997; Strcrt. 1997, nr. 153, p. 5) is deze TBV verwerkt in paragraaf A/6.17 van de Vreemdelingencirculaire 1994.

Bij TBV 2002/62 van 18 december 2002 (Strcrt. 2002, nr. 245, p. 42) is bekendgemaakt dat het driejarenbeleid met ingang van 1 januari 2003 wordt afgeschaft.

2.5. In het arrest Toprak en Oguz heeft het Hof, voor zover thans van belang, voor recht verklaard dat artikel 13 van besluit nr. 1/80 in die zin moet worden uitgelegd dat een aanscherping van een na 1 december 1980 ingevoerde bepaling, die een versoepeling vormde van de op 1 december 1980 toepasselijke bepaling, een "nieuwe beperking" vormt in de zin van dat artikel, ook wanneer door deze aanscherping de voorwaarden voor verkrijging van de vergunning ten opzichte van de voorwaarden uit hoofde van de bepaling die van kracht was op 1 december 1980 niet strenger worden.

In het arrest van 21 oktober 2003, gevoegde zaken C-317/01 en C-369/01, Abatay e.a., punt 70 (www.curia.europa.eu), heeft het Hof, zakelijk weergegeven overwogen dat artikel 13 van besluit nr. 1/80 en artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol dezelfde betekenis hebben.

Daarom dient voormeld artikel 41, eerste lid, aldus te worden uitgelegd dat een aanscherping van een na 1 januari 1973 ingevoerde bepaling, die een versoepeling vormde van de op 1 januari 1973 toepasselijke bepaling, een "nieuwe beperking" vormt in de zin van dat artikel, ook wanneer door deze aanscherping de voorwaarden voor verkrijging van de vergunning ten opzichte van de voorwaarden uit hoofde van de bepaling die van kracht was op 1 januari 1973 niet strenger worden.

2.5.1. Het Hof heeft in punt 30 van het arrest Toprak en Oguz, samengevat, overwogen dat voormeld artikel 13 niet alleen van toepassing is op wettelijke bepalingen maar ook op die van een circulaire waarin wordt uiteengezet hoe de wet zal worden toegepast. Deze uitleg heeft, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, ook te gelden voor artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol.

2.5.2. Uit hetgeen hiervoor onder 2.4 is weergegeven volgt dat de minister de hem bij artikel 11, vijfde lid, van de Vw (oud) verleende bevoegdheid om een verblijfsvergunning te verlenen vanaf 5 april 1994 heeft uitgeoefend door vreemdelingen een zodanige vergunning te verlenen indien zij aan de voorwaarden van het driejarenbeleid voldeden. Dat betekent dat de uitoefening van deze bevoegdheid ten opzichte van 1 januari 1973 vanaf 5 april 1994 in zoverre is versoepeld. Vanaf 1 januari 2003 heeft de minister deze uitoefening van de hem thans bij artikel 14, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 verleende bevoegdheid om een verblijfsvergunning te verlenen niet meer toegepast. Daarmee is deze toepassing ten opzichte van de door de minister vanaf 5 april 1994 uitgeoefende bevoegdheid om een zodanige vergunning te verlenen aangescherpt.

Aangezien, zoals hiervoor onder 2.5 is overwogen, hetgeen het Hof in het arrest Toprak en Oguz voor recht heeft verklaard ook van betekenis is voor de uitleg van artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol, volgt daaruit dat het met ingang van 1 januari 2003 niet meer toepassen van de vanaf 5 april 1994 ingetreden verruimde uitoefening van de aan de minister verleende bevoegdheid om op grond van het driejarenbeleid een verblijfsvergunning te verlenen indien aan de voorwaarden van dat beleid is voldaan een bij artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol verboden "nieuwe" beperking vormt.

Dat, naar gesteld, het beroep op voormeld artikel 41, eerste lid, niet relevant is, omdat het driejarenbeleid een louter nationale kwestie behelst en niet uit enige communautaire verplichting volgt, vindt geen steun in de rechtspraak van het Hof. Gelet op hetgeen het Hof in de punten 55 en 61 van het arrest van 20 september 2007 in zaak C-16/05 (Tum & Dari; www.curia.europa.eu) heeft overwogen en naar volgt uit hetgeen het Hof in punt 44 van het arrest Toprak en Oguz heeft overwogen, valt een wijziging van de voorwaarden voor het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, voor zover deze wijziging van invloed is op de situatie van de vreemdeling, binnen de werkingssfeer van artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol. Uit deze arresten kan worden afgeleid dat louter van belang is of een wijziging in de voorwaarden voor het verlenen van een verblijfsvergunning van invloed is op de situatie van de vreemdeling. Het met ingang van 1 januari 2003 afschaffen van het driejarenbeleid dient als een zodanige wijziging te worden aangemerkt.

2.5.3. De rechtbank heeft dan ook terecht, samengevat, overwogen dat het standpunt van de minister om het door de vreemdeling gedane beroep op artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol af te wijzen niet overtuigend is. Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.5.2. is overwogen, had de minister derhalve met inachtneming van het driejarenbeleid op het door de vreemdeling gemaakte bezwaar dienen te beslissen.

De grief faalt.

2.6. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevallen, dient te worden bevestigd.

2.7. De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevallen;

II. veroordeelt de minister voor Immigratie en Asiel tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 665,50 (zegge: zeshonderdvijfenzestig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. bepaalt dat van de minister voor Immigratie en Asiel een griffierecht van € 447,00 (zegge: vierhonderdzevenenveertig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H.G. Sevenster en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Van de Kolk

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 november 2011

347.

Verzonden: 1 november 2011

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser