Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU3406

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-10-2011
Datum publicatie
04-11-2011
Zaaknummer
201012858/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Van belang is het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) van 5 mei 2011, C-434/09, McCarthy (www.curia.europa.eu), waarin het Hof onder punt 43 heeft overwogen dat artikel 3, eerste lid, van richtlijn 2004/38/EG aldus moet worden uitgelegd dat deze richtlijn niet van toepassing is op een burger van de Unie die zijn recht op vrij verkeer nooit heeft uitgeoefend, die altijd heeft verbleven in een lidstaat waarvan hij de nationaliteit bezit en die ook de nationaliteit van een andere lidstaat bezit. Naar in hoger beroep onbestreden is gebleven is referente in Nederland geboren en heeft zij nimmer in een andere lidstaat dan Nederland gewoond en gewerkt. Dat referente bij haar geboorte alleen in het bezit was van de Spaanse nationaliteit en pas op latere leeftijd de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen, laat onverlet dat zij niet heeft gesteld zich ooit feitelijk te hebben begeven naar een andere lidstaat teneinde daar krachtens het Unierecht te verblijven en aldus gebruik te hebben gemaakt van haar recht op vrij verkeer. Gelet op voormeld arrest van het Hof valt referente derhalve niet onder het toepassingsbereik van artikel 3, eerste lid, van richtlijn 2004/38/EG. Deze richtlijn is daarom niet op haar van toepassing, ten gevolge waarvan de vreemdeling, als partner van referente, geen verblijfsrecht aan deze richtlijn kan ontlenen.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 8
Vreemdelingenwet 2000 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2012/44
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201012858/1/V2.

Datum uitspraak: 28 oktober 2011

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister voor Immigratie en Asiel,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage van 1 december 2010 in zaak nr. 10/5297 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de minister.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 augustus 2009 heeft de staatssecretaris van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.

Bij besluit van 11 februari 2010 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 1 december 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 29 december 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend en bij brieven van 22 juni 2011 en 20 juli 2011 een nadere toelichting daarop gegeven.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de overwegingen wordt onder de minister tevens diens rechtsvoorgangers verstaan.

2.2. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (hierna: richtlijn 2004/38/EG) is deze richtlijn van toepassing ten aanzien van iedere burger van de Unie die zich begeeft naar of verblijft in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit, en diens familieleden als gedefinieerd in artikel 2, punt 2, die hem begeleiden of zich bij hem voegen.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000 wordt, voor zover thans van belang, aan de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder e, en gemeenschapsonderdaan is als bedoeld in artikel 1, onder e, sub 2, een document of schriftelijke verklaring verstrekt, waaruit het rechtmatig verblijf blijkt.

Ingevolge artikel 8, aanhef en onder e, voor zover thans van belang, heeft de vreemdeling in Nederland rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan zolang deze onderdaan verblijf houdt op grond van een regeling krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (hierna: het EG-Verdrag).

Ingevolge artikel 1, aanhef onder e, sub 1, wordt onder gemeenschapsonderdanen verstaan onderdanen van de lidstaten van de Europese Unie die op grond van het EG-Verdrag gerechtigd zijn een andere lidstaat binnen te komen en er te verblijven.

Ingevolge sub 2 van laatstvermelde bepaling wordt onder gemeenschapsonderdanen evenzeer verstaan familieleden van de sub 1 genoemden die de nationaliteit van een derde staat bezitten en die uit hoofde van een ter toepassing van het EG-Verdrag genomen besluit gerechtigd zijn een lidstaat binnen te komen en er te verblijven.

2.3. In de aangevallen uitspraak is de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2008 in zaak nr. 200800488/1 (www.raadvanstate.nl), tot het oordeel gekomen dat ten aanzien van de echtgenote van de vreemdeling (hierna: referente), die zowel de Nederlandse als de Spaanse nationaliteit bezit, aanknopingspunten bestaan met het Unierecht, waardoor de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft als gemeenschapsonderdaan en hem derhalve het gevraagde document had moeten worden verstrekt. Een andersluidend oordeel zou, naar het oordeel van de rechtbank, betekenen dat referente gedwongen wordt zich eerst in een andere lidstaat te vestigen, alvorens zij zich met de vreemdeling op grond van het Unierecht in Nederland zou kunnen vestigen. Nu zij reeds als gemeenschapsonderdaan hier te lande verblijft, moet dit als een beperking van de vrijheid van vestiging worden gezien, aldus de rechtbank.

2.4. In de enige grief klaagt de minister dat de rechtbank, door aldus te overwegen, niet heeft onderkend dat, hoewel ten aanzien van referente aanknopingspunten bestaan met het Unierecht, de vreemdeling niettemin geen aanspraak op verblijf aan richtlijn 2004/38/EG kan ontlenen, nu referente nimmer in een andere lidstaat heeft gewoond of gewerkt en derhalve niet wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 3 van die richtlijn.

2.4.1. In genoemde uitspraak van 15 juli 2008 heeft de Afdeling, samengevat weergegeven, overwogen dat de minister niet kan worden gevolgd in zijn in die zaak ingenomen standpunt dat, hoewel de echtgenoot van de vreemdeling op wie de zaak betrekking had naast de Nederlandse ook de Spaanse nationaliteit bezit, geen enkel aanknopingspunt bestaat met het Unierecht, nu die echtgenoot in Nederland woonachtig is en geen gebruik heeft gemaakt van zijn recht op vrij verkeer.

In de onderhavige zaak heeft de minister niet bestreden dat het feit dat referente naast de Nederlandse ook de Spaanse nationaliteit bezit, met zich brengt dat sprake is van een aanknopingspunt met het Unierecht. De minister stelt zich evenwel op het standpunt dat dit niet tot gevolg heeft dat de vreemdeling, als partner van referente, een aanspraak op verblijf aan het Unierecht kan ontlenen. Terzake hiervan biedt voormelde uitspraak van 15 juli 2008, anders dan de rechtbank lijkt te hebben aangenomen, geen uitsluitsel.

2.4.2. Van belang is het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) van 5 mei 2011, C-434/09, McCarthy (www.curia.europa.eu), waarin het Hof onder punt 43 heeft overwogen dat artikel 3, eerste lid, van richtlijn 2004/38/EG aldus moet worden uitgelegd dat deze richtlijn niet van toepassing is op een burger van de Unie die zijn recht op vrij verkeer nooit heeft uitgeoefend, die altijd heeft verbleven in een lidstaat waarvan hij de nationaliteit bezit en die ook de nationaliteit van een andere lidstaat bezit.

Naar in hoger beroep onbestreden is gebleven is referente in Nederland geboren en heeft zij nimmer in een andere lidstaat dan Nederland gewoond en gewerkt. Dat referente bij haar geboorte alleen in het bezit was van de Spaanse nationaliteit en pas op latere leeftijd de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen, laat onverlet dat zij niet heeft gesteld zich ooit feitelijk te hebben begeven naar een andere lidstaat teneinde daar krachtens het Unierecht te verblijven en aldus gebruik te hebben gemaakt van haar recht op vrij verkeer. Gelet op voormeld arrest van het Hof valt referente derhalve niet onder het toepassingsbereik van artikel 3, eerste lid, van richtlijn 2004/38/EG. Deze richtlijn is daarom niet op haar van toepassing, ten gevolge waarvan de vreemdeling, als partner van referente, geen verblijfsrecht aan deze richtlijn kan ontlenen.

De grief slaagt.

2.5. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 11 februari 2010 alsnog ongegrond verklaren.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 1 december 2010 in zaak nr. 10/5297;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins de Vin, voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. C.H.M. van Altena, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Vreken Westra, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin

voorzitter

w.g. Vreken-Westra

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2011

434.

Verzonden: 28 oktober 2011

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser