Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU3404

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-10-2011
Datum publicatie
04-11-2011
Zaaknummer
201009737/1/V4
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Anders dan de vreemdeling betoogt heeft de minister in het besluit van 27 april 2010, voor zover thans van belang, ter motivering van zijn standpunt dat een duurzame relatie niet is aangetoond, niet volstaan met een verwijzing naar het ontbreken van een inschrijving in de GBA gedurende zes maanden doch heeft hij zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat voormelde stukken onvoldoende zijn om het bestaan van een duurzame relatie aan te tonen. De rechtbank heeft dan ook terecht – en overigens in hoger beroep onbestreden – overwogen dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de vreemdeling evenmin met deze door hem overgelegde stukken heeft aangetoond dat hij en zijn partner gedurende een termijn van zes maanden een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2012/11
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201009737/1/V4.

Datum uitspraak: 26 oktober 2011

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 10 september 2010 in zaak nr. 10/15865 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 maart 2010 heeft de minister van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.

Bij besluit van 27 april 2010 heeft de minister van Justitie het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 10 september 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 8 oktober 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De minister voor Immigratie en Asiel (hierna: de minister) heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 februari 2011, waar de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. L.J. Meijering, advocaat te Utrecht, en de minister, vertegenwoordigd door mr. M.M. van Asperen, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In de overwegingen wordt onder de minister tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2.2. In de enige grief klaagt de vreemdeling, zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang, dat de rechtbank heeft miskend dat het begrip duurzame relatie door de minister, gelet op Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PB 2004 L 158; hierna: de richtlijn), te restrictief wordt uitgelegd.

Daartoe voert de vreemdeling aan dat er ook sprake kan zijn van een duurzame relatie wanneer er korter dan zes maanden een gezamenlijke huishouding wordt gevoerd.

Voorts betoogt de vreemdeling dat, door uitsluitend betekenis toe te kennen aan de inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie (hierna: GBA) en andere bewijsmiddelen bij voorbaat uit te sluiten, in strijd wordt gehandeld met de richtlijn en dat ook met andere bewijsmiddelen kan worden aangetoond dat sprake is van een gezamenlijke huishouding voor de duur van zes maanden.

2.3. Zoals de Afdeling in de uitspraak van 6 september 2011 in zaak nr. 201009139/1/V4 (www.raadvanstate.nl) heeft overwogen staat de richtlijn er niet aan in de weg dat een duurzame relatie tussen ongehuwde partners pas wordt aangenomen indien de relatie ten minste zes maanden heeft geduurd en dat in beginsel mag worden verlangd dat gedurende deze termijn een gezamenlijke huishouding is gevoerd. In zoverre faalt het betoog.

Voorts heeft de Afdeling overwogen dat de minister, door behoudens omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht, uitsluitend een GBA-inschrijving, dan wel de geboorte van een kind uit de relatie, als bewijs van een duurzame relatie te accepteren, gelet op de richtlijn, een te beperkte uitleg aan het begrip 'deugdelijk bewezen duurzame relatie' geeft.

De klacht van de vreemdeling is dan ook in zoverre terecht voorgedragen, maar de grief kan, gelet op het volgende, niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden.

2.3.1. In het kader van de onderhavige aanvraag hebben de vreemdeling en zijn partner een relatieverklaring ondertekend waarin door beiden wordt verklaard dat zij sinds 25 december 2008 een duurzame en exclusieve relatie onderhouden, daartoe een gezamenlijke huishouding voeren en feitelijk samenwonen. Voorts heeft de vreemdeling in bezwaar de volgende documenten overgelegd:

- een uittreksel uit de GBA van zichzelf en zijn partner d.d. 13 april 2010 waaruit blijkt dat de vreemdeling sinds 14 december 2009 op hetzelfde adres als zijn partner staat ingeschreven;

- een aan de vreemdeling gerichte uitnodigingsbrief voor een informatiebijeenkomst over het inburgeringsprogramma en de Nederlandse taalles d.d. 2 april 2010, waarbij het correspondentieadres correspondeert met het GBA-adres;

- een kopie proces-verbaal van vermissing van het rijbewijs van de vreemdeling d.d. 10 maart 2010; en

- twee foto's.

2.3.2. In de uitspraak van 6 september 2011 heeft de Afdeling ook overwogen dat, wanneer een familielid zijn verklaring dat hij een duurzame relatie onderhoudt met de burger van de Unie, die gebruik heeft gemaakt van zijn recht van vrij verkeer, onderbouwt met bewijs, de minister dit bewijs dient te beoordelen, en in voorkomend geval dient te motiveren waarom het bestaan van een duurzame relatie niet is aangetoond.

Anders dan de vreemdeling betoogt heeft de minister in het besluit van 27 april 2010, voor zover thans van belang, ter motivering van zijn standpunt dat een duurzame relatie niet is aangetoond, niet volstaan met een verwijzing naar het ontbreken van een inschrijving in de GBA gedurende zes maanden doch heeft hij zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat voormelde stukken onvoldoende zijn om het bestaan van een duurzame relatie aan te tonen.

De rechtbank heeft dan ook terecht – en overigens in hoger beroep onbestreden – overwogen dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de vreemdeling evenmin met deze door hem overgelegde stukken heeft aangetoond dat hij en zijn partner gedurende een termijn van zes maanden een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd.

2.3.3. De in beroep overgelegde huurovereenkomst en verklaring van de verhuurders hadden eerder kunnen en derhalve moeten worden overgelegd. Reeds daarom kunnen de stukken niet in de beoordeling worden betrokken.

2.3.4. Hetgeen voor het overige is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. H.G. Sevenster, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Van de Kolk

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2011

347-617.

Verzonden: 26 oktober 2011

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser