Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU3151

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-11-2011
Datum publicatie
02-11-2011
Zaaknummer
201008425/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 juni 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Heikant, 1e herziening", kenmerk Rb2010/27, vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201008425/1/R2.

Datum uitspraak: 2 november 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Heikant, gemeente Hulst,

en

de raad van de gemeente Hulst,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 juni 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Heikant, 1e herziening", kenmerk Rb2010/27, vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 augustus 2010, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 23 september 2010.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 september 2011, waar [appellant], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. J. Schuttkowski, advocaat te Hulst, en de raad, vertegenwoordigd door A.C.J.M. van den Broucke, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet onder meer in een inrit en een woonbestemming op het perceel van het [transportbedrijf] (hierna: het transportbedrijf) aan de Julianastraat te Heikant.

2.2. [appellant], eigenaar en bewoner van de woning [locatie 1] tegenover het transportbedrijf, kan zich niet verenigen met het plan. Hij heeft allereerst bezwaar tegen de bestemming "Tuin (T)" met de subbestemming "inrit (Ti)" en betoogt dat de raad door een inrit met een breedte van 22 meter als zodanig te bestemmen in strijd heeft gehandeld met de eerdere onthouding van goedkeuring door het college van gedeputeerde staten aan dit plandeel. Hij voert aan dat de noodzaak van de inrit niet is onderbouwd en dat ten onrechte niet is gebleken van een onderzoek naar alternatieve ontsluitingsmogelijkheden, nu hij overlast ondervindt vanwege de inrit. Verder betoogt hij dat op het perceel schuin tegenover hem ten onrechte de bestemming "Woondoeleinden (W)" met de aanduiding 'erven (e)' is aangebracht. [appellant] betoogt dat er door de raad onvoldoende rekening is gehouden met zijn belangen en zijn woon- en leefklimaat.

2.3. De raad brengt naar voren dat het transportbedrijf al langere tijd is gevestigd op dit perceel en dat hij de bestaande bedrijfssituatie als zodanig heeft willen bestemmen.

2.4. Voor zover [appellant] betoogt dat schuin tegenover zijn woning ten onrechte de bestemming "Woondoeleinden (W)" met de aanduiding 'erven (e)' is aangebracht, blijkt uit het beroepschrift en het verhandelde ter zitting dat [appellant] vreest dat het transportbedrijf op deze locatie ook (bij)gebouwen kan plaatsen. Voor deze vrees van [appellant] bestaat geen aanleiding, nu ingevolge artikel 3 van de planregels de gronden met de bestemming "Woondoeleinden" uitsluitend zijn bestemd voor het wonen met bijbehorende erven, tuinen, toegangs- en achterpaden en aan-huis-gebonden beroepen.

2.5. Met betrekking tot het betoog van [appellant] dat de raad ten onrechte de inrit als zodanig heeft bestemd, omdat onvoldoende rekening is gehouden met zijn belangen en woon- en leefklimaat, overweegt de Afdeling als volgt.

Het college van gedeputeerde staten heeft op 27 januari 2009 goedkeuring onthouden aan delen van het plan 'Heikant'. Daarbij is onder meer overwogen dat de illegaal ontstane inrit bij het transportbedrijf niet zonder meer als zodanig kan worden bestemd. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat door de raad bij het besluit ten onrechte geen belangenafweging is gemaakt ten aanzien van inrit. Op grond hiervan heeft volgens de raad bij het bestreden besluit een reparatie plaatsgevonden, hetgeen heeft geresulteerd in het bestemmingsplan "Heikant, 1e herziening". In onderhavig plan is echter niet gebleken dat de gevolgen van de inrit en het gebruik daarvan zijn onderzocht. In het bijzonder is daarbij van belang dat niet is onderzocht welke alternatieve mogelijkheden er voor het bestemmen van de inrit zijn die leiden tot een minder belastende uitkomst voor de directe omwonenden. Dat klemt temeer nu [appellant] ook bij de raad heeft aangevoerd veel overlast van de inrit, die zich direct tegenover zijn huis bevindt, te ondervinden. Van een afweging van de belangen van het transportbedrijf ten opzichte van de belangen van de omwonenden is in onderhavig plan dan ook niet gebleken.

In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, wat het plandeel met de bestemming "Tuin (T)" met de subbestemming "inrit (Ti)" voor het perceel [locatie 2] betreft, niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep van [appellant] is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd.

2.6. De Afdeling ziet, gelet op hetgeen in 2.5 is overwogen en gezien de samenhang die tussen de beide plandelen bestaat, aanleiding tevens het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden (W)" met de aanduidingen 'erven (e)' en 'W4' voor het perceel [locatie 2] te vernietigen.

2.7. De raad dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen. De raad dient vóór 1 juli 2012 een nieuw bestemmingsplan te hebben vastgesteld voor de perceel [locatie 2] te Hulst. Daarbij zal blijk moeten worden gegeven van afweging van de belangen van de omwonenden en het transportbedrijf en van een onderzoek naar alternatieve mogelijkheden, waarbij in het bijzonder te denken valt aan het slopen van de bestaande, in slechte staat verkerende, woning en het verleggen van de inrit naar de zuidoostelijke zijde van het perceel, thans aangeduid als 'W4'. Het nieuwe besluit dient op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt te worden.

2.8. De raad dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant] gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Hulst van 10 juni 2010, kenmerk Rb2010/27, voor zover het betreft:

- het plandeel met de bestemming "Tuin (T)" met de subbestemming "inrit (Ti)" voor het perceel [locatie 2];

- het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden (W)" met de aanduidingen 'erven (e)' en 'W4' voor het perceel [locatie 2];

III. draagt de raad van de gemeente Hulst op vóór 1 juli 2012 met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

IV. verklaart het beroep van [appellant] voor het overige ongegrond;

V. veroordeelt de raad van de gemeente Hulst tot vergoeding van de bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 898,51 (zegge: achthonderdachtennegentig euro en eenenvijftig cent), waarvan € 874,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat de raad van de gemeente Hulst aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Kuipers

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 november 2011

271-704.