Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU3140

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-11-2011
Datum publicatie
02-11-2011
Zaaknummer
201104213/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 4 juni 2010 heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een verzoek van [appellant] om een bedrag van € 85.395,89 alsnog uit te betalen wegens het verrichten van werkzaamheden als tolk afgewezen en diens uurtarief vastgesteld op € 48,60.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201104213/1/H2.

Datum uitspraak: 2 november 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Den Haag,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 30 maart 2011 in zaak nr. 10/9050 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Veiligheid en Justitie.

1. Procesverloop

Bij brief van 4 juni 2010 heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een verzoek van [appellant] om een bedrag van € 85.395,89 alsnog uit te betalen wegens het verrichten van werkzaamheden als tolk afgewezen en diens uurtarief vastgesteld op € 48,60.

Bij besluit van 9 december 2010 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 maart 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 april 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 3 mei 2011.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 oktober 2011, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. J.P.L.C. Dijkgraaf, advocaat te Den Haag, en de minister, vertegenwoordigd door mr. M.S. van Muiswinkel en C.A.M. Volk-Vissers RA, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet tarieven in strafzaken (hierna: Wtis) worden voor werkzaamheden ingevolge verzoeken en opdrachten als bedoeld in artikel 1, eerste en derde lid, de tarieven voor vergoedingen bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld.

Ingevolge het vierde lid kan de minister nadere regelen stellen.

Ingevolge artikel 9, tweede lid, wordt de declaratie wanneer de opdracht is gegeven door de justitie onderworpen aan de goedkeuring van de autoriteit, die de opdracht tot de werkzaamheden heeft gegeven. Bij afwijzing of bij goedkeuring van slechts een deel van het gedeclareerde bedrag wordt de reden daarvan op de declaratie aangegeven en terstond aan de declarant medegedeeld.

Ingevolge het vierde lid kan door de belanghebbende tegen de beschikkingen, bedoeld in de leden 2 en 3, schriftelijk bezwaar worden gemaakt. Is de beschikking genomen door de kantonrechter of de rechter-commissaris, dan wordt op het bezwaar beslist door de voorzieningenrechter (vóór 1 januari 2002: de president) van de rechtbank. Is de beschikking genomen door de voorzieningenrechter (vóór 1 januari 2002: de president) van de rechtbank of het gerechtshof, dan wordt op het bezwaar beslist door de raadkamer van het betrokken gerecht. Is de beschikking genomen door het openbaar ministerie of de griffier, dan wordt op het bezwaar beslist door de voorzieningenrechter van het gerecht of, indien het de Hoge Raad betreft, door de president van de Hoge Raad (vóór 1 januari 2002: de voorzitter van het college of, indien de kantonrechter bevoegd is over de zaak te oordelen of van de zaak kennis neemt of kennis heeft genomen, door de kantonrechter, oudste in rang).

Ingevolge artikel 10 kan het bezwaar, bedoeld in de artikelen 8 en 9, slechts schriftelijk worden ingediend binnen veertien dagen na de dag van uitreiking of verzending van de beschikking, waartegen bezwaar wordt ingediend.

Ingevolge artikel 12 staat tegen de beslissing op het bezwaarschrift geen rechtsmiddel open.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 (hierna: Btis) bedraagt het tarief voor de vergoeding van werkzaamheden als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Wtis voor tolken € 43,89 per uur.

Ingevolge het tweede lid behouden tolken die vóór 1 oktober 2000 reeds een hogere uurvergoeding voor hun werkzaamheden ontvingen, in afwijking van het eerste lid, het recht op een hogere vergoeding.

Deze vergoeding bedraagt:

a. voor tolken in Europese talen € 46,29 per uur;

b. voor tolken in veelbeheerste niet-Europese talen € 48,60 per uur;

c. voor tolken in overige niet-Europese talen € 54,- per uur.

2.2. Bij brief van 13 juli 2009 heeft [appellant] gesteld dat de minister aan hem te lage tolkvergoedingen heeft betaald voor door hem verrichte werkzaamheden als tolk in de Zaza-taal in de periode van februari 1997 tot en met januari 2008, aangezien de minister zijn vergoeding heeft berekend op grond van het uurtarief voor een 'veelbeheerste niet-Europese taal', terwijl deze op grond van het uurtarief voor een 'overige niet-Europese taal' had moeten worden berekend. [appellant] heeft de minister verzocht om het verschil, zijnde een bedrag van € 85.395,89, alsnog aan hem uit te betalen. Bij het besluit op bezwaar van 9 december 2010 heeft de minister de afwijzing van dit verzoek gehandhaafd. Daaraan heeft hij ten grondslag gelegd dat het Zaza een dialect is dat onder de Koerdische taal valt en dat die taal een veelbeheerste niet-Europese taal is.

2.3. [appellant] betoogt -samengevat- dat de rechtbank heeft miskend dat de minister zich ten onrechte, onder verwijzing naar de lijst Tolk- en vertaaltarieven van de werkgroep gerechtskosten van het Expertisecentrum van het Openbaar Ministerie, op het standpunt heeft gesteld dat Zaza een veelbeheerste niet-Europese taal is. Zaza moet als aparte taal worden beschouwd die slechts door weinig tolken in Nederland wordt beheerst en derhalve valt binnen de categorie 'overige niet-Europese talen'. Daarnaast heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat niet is gebleken dat hij vóór 2008 melding heeft gemaakt van zijn bezwaren tegen de indeling van het Zaza als dialect van het Koerdisch, aldus [appellant].

2.4. De Afdeling dient ambtshalve te beoordelen of de brief van 4 juni 2010 een besluit bevat in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Ter zitting heeft [appellant] bevestigd dat zijn verzoek om hem een aanvullende vergoeding te betalen tot een bedrag van € 54,00 per uur alleen betrekking heeft op tolkwerkzaamheden die hij indertijd voor de politie in de regio Haaglanden heeft verricht. In andere regio's waarvoor hij werkte werden zijn werkzaamheden wel afgerekend op basis van dit bedrag. [appellant] heeft in dit verband gesteld dat het hem in die tijd niet is gelukt het probleem van het te hanteren tarief bij de korpsleiding van de politie Haaglanden aan te kaarten. Dat doet er echter niet aan af dat [appellant] wel de mogelijkheid had zijn uren op basis van het hogere en zijns inziens juiste tarief te declareren. Indien deze declaraties op grondslag van artikel 9, tweede lid, van de Wtis geheel of gedeeltelijk niet zouden zijn goedgekeurd, dan had hij daartegen ingevolge het vierde lid van dat artikel binnen veertien dagen schriftelijk bezwaar kunnen maken bij de voorzieningenrechter. [appellant] had indertijd derhalve de mogelijkheid een procedure over het te hanteren tarief uit te lokken. Van die mogelijkheid heeft hij geen gebruik gemaakt. Hij heeft daarentegen in die periode bij de politie Haaglanden declaraties op basis van het lage uurbedrag van € 48,60 ondertekend, en die declaraties zijn door dit korps destijds goedgekeurd zoals zij zijn ingediend en dienovereenkomstig uitbetaald.

De Wtis geeft een uitputtende regeling voor de afhandeling van declaraties en het maken van bezwaar daartegen. Daarin is niet voorzien in het indienen van verzoeken om een aanvullende vergoeding voor werkzaamheden waarvoor overeenkomstig ingediende declaraties is betaald. Het staat [appellant] weliswaar vrij om daarom te vragen, zoals hij met de brief van 13 juli 2009 heeft gedaan, en het staat de minister vrij om een dergelijk verzoek te beoordelen, maar de reactie van de minister levert geen besluit op nu daarvoor geen wettelijke grondslag bestaat. [appellant] kon dan ook niet opkomen tegen de brief van 4 juni 2010. De rechtbank heeft niet onderkend dat de minister het bezwaar om die reden niet-ontvankelijk had moeten verklaren. Nu de aangevallen uitspraak reeds daarom niet in stand kan blijven, kunnen de door [appellant] aangedragen gronden onbesproken blijven. Aan de vraag die partijen inhoudelijk verdeeld houdt kan in deze procedure niet worden toegekomen.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep alsnog gegrond verklaren en het besluit op bezwaar van 9 december 2010 vernietigen. De Afdeling zal op na te melden wijze in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.6. De minister dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 30 maart 2011 in zaak nr. 10/9050;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de minister van Veiligheid en Justitie van 9 december 2010, kenmerk 2010-0000805706;

V. verklaart het bezwaar tegen de brief van 4 juni 2010 niet-ontvankelijk;

VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VII. veroordeelt de minister van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.748,00 (zegge: zeventienhonderdachtenveertig euro); het dient aan de secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 56.99.94.977) onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VIII. gelast dat de minister van Veiligheid en Justitie aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 377,00 (zegge: driehonderdzevenenzeventig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. Dallinga

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 november 2011

18-705.