Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU3133

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-11-2011
Datum publicatie
02-11-2011
Zaaknummer
201008731/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 juli 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Omgeving Jodenpaadje" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201008731/1/R3.

Datum uitspraak: 2 november 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid EM-TÉ supermarkten B.V., gevestigd te Veghel, en [appellant A], gevestigd te Bergen (Limburg),

en

de raad van de gemeente Boxmeer,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 juli 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Omgeving Jodenpaadje" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben EM-TÉ supermarkten B.V. en [appellant A] bij brief, bij de Raad van State via faxbericht ingekomen op 6 september 2010, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 1 oktober 2010.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben [belanghebbenden] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

EM-TÉ supermarkten B.V. en [appellant A] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 juli 2011, waar EM-TÉ supermarkten B.V. en [appellant A], vertegenwoordigd door mr. H.A. Samuels Brusse-van der Linden, advocaat te Utrecht, de raad, vertegenwoordigd door mr. T.E.P.A. Lam, advocaat te Nijmegen, en [belanghebbenden] zijn verschenen.

De Afdeling heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde EM-TÉ supermarkten B.V. en [appellant A] in de gelegenheid te stellen schriftelijk te reageren op een door de raad ingebracht rapport. Bij brief van 31 augustus 2011 hebben EM-TÉ supermarkten B.V. en [appellant A] een schriftelijke reactie ingediend. Bij brief van 30 september 2011 heeft de raad hierop een reactie ingediend.

Met toestemming van partijen is afgezien van een nadere behandeling van de zaak ter zitting. De Afdeling heeft het onderzoek vervolgens gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Het plan maakt de vestiging van detailhandel, waaronder een supermarkt, in het pand van de [houthandel] en de bouw van vier woningen aan de noordzijde van de Burgemeester Verkuijlstraat in Boxmeer mogelijk. Verder worden parkeerplaatsen ten behoeve van de woningen en de supermarkt in de omliggende openbare ruimte mogelijk gemaakt.

2.2. EM-TÉ supermarkten B.V. en [appellant A] voeren aan dat de raad ten onrechte het plandeel met de bestemming "Detailhandel" heeft vastgesteld. Daartoe voeren zij aan dat geen behoefte is aan een nieuwe supermarkt, aangezien in de directe omgeving al vijf supermarkten zijn gevestigd. Verder stellen EM-TÉ supermarkten B.V. en [appellant A] dat ten onrechte geen distributie-planologisch onderzoek is gedaan, zodat onvoldoende onderzocht is wat de gevolgen zijn van een nieuwe supermarkt. Zij vrezen dat een nieuwe supermarkt het voorzieningenniveau duurzaam zal ontwrichten. Ten onrechte heeft de raad geen branchebepalingen opgenomen, aldus EM-TÉ supermarkten B.V. en [appellant A].

2.2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 10 juni 2009 in zaak nr. 200808122/1/R3) komt voor de vraag of sprake is van een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau geen doorslaggevende betekenis toe aan de vraag of sprake is van een overaanbod in het verzorgingsgebied en mogelijke sluiting van bestaande detailhandelsvestigingen, maar is het doorslaggevende criterium of ook na het mogelijk sluiten van een of meer voorzieningen voor de inwoners van een bepaald gebied een voldoende voorzieningenniveau behouden blijft in die zin dat zij op een aanvaardbare afstand van of in hun woonplaats hun dagelijkse inkopen kunnen doen.

2.2.2. De op de verbeelding als "Detailhandel" aangewezen gronden zijn ingevolge artikel 3, lid 3.1.1, van de planregels, voor zover hier van belang, onder andere bestemd voor detailhandel, waaronder een supermarkt.

EM-TÉ supermarkten B.V. en [appellant A] hebben noch in hun beroepschrift, noch ter zitting aannemelijk gemaakt dat de mogelijkheden die het plandeel biedt voor de vestiging van een nieuwe supermarkt zal leiden tot het verdwijnen van een zodanig deel van het winkelaanbod dat voor de inwoners van het verzorgingsgebied wezenlijke beperkingen zullen ontstaan bij het doen van hun dagelijks inkopen. Dat een nieuwe supermarkt wellicht zal leiden tot verminderde omzet bij de overige supermarkten, dan wel sluiting van een supermarkt, wat niet is uitgesloten, kan niet tot een ander oordeel leiden, aangezien de omstandigheid van een overaanbod, wat daar ook van zij, op zich niet noopt tot de conclusie dat het voorzieningenniveau in de gemeente Boxmeer zal worden ontwricht.

De door EM-TÉ supermarkten B.V. en [appellant A] gemaakte vergelijking met de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2005, in zaak nr. 2004052920/1 (www.raadvanstate.nl) kan niet worden gevolgd, omdat in dat geval sprake was van een verplaatsing van een supermarkt en er bij de beoordeling of het voorzieningenniveau ernstig zou worden verstoord geen rekening was gehouden met het gegeven dat het plan de vestiging van een nieuwe supermarkt op de oude locatie niet uitsloot. Van verplaatsing van een supermarkt is in voorliggend geval geen sprake. Bovendien is thans de vraag of sprake is van een overaanbod niet meer van doorslaggevende betekenis.

Ook het door Goudappel Coffeng opgestelde rapport van 11 mei 2011, dat door EM-TÉ supermarkten B.V. en [appellant A] is ingediend, kan niet tot een ander oordeel leiden. In dat rapport wordt weliswaar geconcludeerd dat in Boxmeer een overaanbod is en dat er geen economisch draagvlak is voor een zesde supermarkt in Boxmeer waardoor leegstand zal optreden, maar hieruit is niet af te leiden dat de toevoeging van de desbetreffende supermarkt ertoe zal leiden dat voor de inwoners van het verzorgingsgebied wezenlijke beperkingen zullen ontstaan bij het doen van hun dagelijkse inkopen. Over het betoog dat de vestiging van een extra supermarkt ertoe zal leiden dat een of meer supermarkten zal moeten sluiten en dat leegstand zal ontstaan, wordt overwogen dat in het voorliggende plan in het pand van de [houthandel] niet enkel een supermarkt mogelijk wordt gemaakt, maar detailhandel. Niet aannemelijk is dat het gebouw en de gronden daarvoor niet gebruikt kunnen worden.

Het standpunt van de raad dat het plan niet leidt tot een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau wordt bevestigd door het rapport "Onderzoek commerciële voorzieningen Boxmeer" (december 2010) van Seinpost Adviesbureau B.V. Volgens dit rapport is er nog uitbreidingsruimte in de dagelijkse artikelensector en kan deze ruimte gebruikt worden om het supermarktaanbod te moderniseren en diverser te maken. Voor zover EM-TÉ supermarkten B.V. en [appellant A] stellen dat dit rapport niet kan dienen als motivering voor het plan, omdat het dateert van na de vaststelling van het plan, wordt overwogen dat dit rapport slechts een nadere onderbouwing geeft van het door de raad reeds bij de vaststelling van het plan ingenomen standpunt. Voorts hebben EM-TÉ supermarkten B.V. en [appellant A] gelegenheid gekregen op dit rapport te reageren, hetgeen zij hebben gedaan met de brief van 31 augustus 2011 en de daarbij gevoegde toelichting van Goudappel Coffeng van 30 augustus 2011. Uit deze stukken volgt dat partijen verdeeld zijn over het standpunt of een extra supermarkt in Boxmeer bestaansrecht heeft of niet. Die vraag ziet echter op concurrentieverhoudingen en ligt hier niet voor. EM-TÉ supermarkten B.V. en [appellant A] blijven bij het standpunt dat overaanbod tot leegstand zal leiden, maar daarmee is niet aangetoond dat ter plaatse geen detailhandel mogelijk is. De raad heeft zich in redelijkheid op dat standpunt kunnen stellen.

Ten aanzien van de mogelijkheid om branchebepalingen op te nemen in het plan hanteert de raad als uitgangspunt dat geen branchebepalingen worden opgenomen als daar geen bijzondere reden voor is. De Afdeling acht dit uitgangspunt van de raad niet onredelijk. In dit geval zijn er, mede gelet op hetgeen hierboven is overwogen, geen bijzondere omstandigheden die daartoe noopten. Het betoog faalt.

2.3. Verder voeren EM-TÉ supermarkten B.V. en [appellant A] aan dat een supermarkt een grote verkeersaantrekkende werking heeft en dat dit zal leiden tot ernstige parkeerproblemen. Het plan voorziet volgens hen in te weinig parkeerplaatsen. De raad is bij de berekening ten onrechte uitgegaan van dubbelgebruik van parkeerplaatsen en heeft geen rekening gehouden met parkeerplaatsen voor het personeel. Reeds nu is er al een tekort aan parkeerruimte. Ook voor laden en lossen is er onvoldoende ruimte, aldus EM-TÉ supermarkten B.V. en [appellant A].

2.3.1. De raad betwist dat thans sprake is van een tekort aan parkeerplaatsen. Verder stelt de raad dat het aantal parkeerplaatsen is vastgesteld op basis van de Aanbevelingen stedelijke verkeersvoorzieningen 2004 (hierna: ASVV) van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek, thans het Nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte CROW (hierna: CROW). Aangezien de aanwezigheid van meer supermarkten niet tot gevolg heeft dat de verkeersgeneratie en dus ook de parkeerbehoefte gelijk is aan de som van alle supermarkten heeft de raad een correctiefactor toegepast bij de berekening van het aantal parkeerplaatsen. Daarbij heeft hij aangesloten bij het in de Parkeernota gemeente Boxmeer (mei 2005; hierna: parkeernota) gehanteerde aanwezigheidspercentage. De raad stelt dat met de realisatie van 86 parkeerplaatsen voldoende aan de parkeerbehoefte is voldaan.

2.3.2. Niet in geschil is dat detailhandel, in het bijzonder een supermarkt, een verkeersaantrekkende werking zal hebben. Om die reden zijn de in het plan voor "Detailhandel" en voor "Verkeer - Verblijfsgebied " aangewezen gronden mede bestemd voor parkeervoorzieningen. Volgens de plantoelichting zijn voor een supermarkt met de in het plan toegestane omvang minimaal 63 en maximaal 95 parkeerplaatsen berekend en voor de woningen 7, in totaal dus minimaal 70 en maximaal 102 parkeerplaatsen.

Voor de berekening van dit aantal is de raad uitgegaan van de parkeernota en de ASVV. Uit de parkeernota volgt dat voor woongebieden, werklocaties en winkelfuncties in de parkeernota parkeernormen zijn vastgelegd, waarbij gebruik is gemaakt van de aanbevelingen uit de ASVV. Deze aanbevelingen van het CROW geven in het algemeen aanbevelenswaardige minimum- en maximumaantallen parkeerplaatsen aan, welke normen gebruikt kunnen worden bij de berekening van de parkeerbehoefte. Voorts staat in de parkeernota dat voor de parkeernormen van de overige functies de aanbevelingen uit de ASVV zullen worden gevolgd. Indien een onderbouwd mobiliteitsprofiel aangeeft dat andere normen gelden kan van de ASVV worden afgeweken.

Het plangebied behoort tot deze overige functies. In overeenstemming met deze nota heeft de raad de aanbevelingen uit de ASVV, waarin het aantal benodigde parkeerplaatsen voor personeel is inbegrepen, in redelijkheid als uitgangspunt kunnen hanteren. Vervolgens heeft de raad, eveneens in overeenstemming met de parkeernota, die op dit punt niet onredelijk kan worden geacht, in redelijkheid een correctiefactor wegens dubbelgebruik toe kunnen passen. In de parkeernota staat dat er voor winkels op middagen het hoogste aanwezigheidspercentage is van 75%. Uit de nota volgt niet dat dit percentage enkel van toepassing is in het winkelgebied in het centrum van Boxmeer, waar het plangebied net buiten ligt. Voorts zijn er zijn geen aanknopingspunten voor het standpunt dat het aanwezigheidspercentage uit de parkeernota alleen betrekking heeft op verschillende functies en niet gebruikt mag worden in het geval van meer supermarkten. Gelet hierop heeft de raad het benodigde aantal parkeerplaatsen niet op onjuiste wijze berekend.

Het door EM-TÉ supermarkten B.V. en [appellant A] ingediende rapport van 19 mei 2011 van Goudappel Coffeng en de toelichting van 30 augustus 2011 kunnen niet tot een ander oordeel leiden. In deze stukken wordt de totstandkoming van het aantal berekende parkeerplaatsen bekritiseerd, omdat de raad de ASVV en de parkeernota door elkaar zou hebben gebruikt. Gelet op het voorgaande deelt de Afdeling dat standpunt niet. In overeenstemming met de parkeernota heeft de raad het aantal benodigde parkeerplaatsen inzichtelijk berekend en voldoende gemotiveerd. Verder is volgens het rapport van Goudappel Coffeng bij de berekening van de parkeerbehoefte onvoldoende rekening gehouden met de openingstijden tot 20.00 uur. Er zijn geen aanknopingspunten dat hiermee geen rekening is gehouden of dat dit tot een wezenlijke andere correctiefactor leidt. Voor het standpunt dat de raad voor de berekening van het aantal parkeerplaatsen ten onrechte is uitgegaan van een deel van het gebouw, zijn blijkens de berekening uit de plantoelichting evenmin aanknopingspunten. Weliswaar heeft de raad die indruk gewekt door de berekening die is gemaakt in het nadere stuk van 1 juli 2011, maar dit kan niet gezien worden als een wijziging van het eerder ingenomen standpunt. Daarbij wordt betrokken dat uit de reactie van 30 september 2011 volgt dat de raad de berekening zoals in de plantoelichting gemaakt, handhaaft.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad in redelijkheid van de aanleg van in totaal 86 parkeerplaatsen kon uitgaan. Het betoog faalt.

2.3.3. Ten aanzien van de ruimte voor laden en lossen wordt overwogen dat uit de doeleindenomschrijving naar voren komt dat de voor "Detailhandel" aangewezen gronden ook bestemd zijn voor parkeervoorzieningen, paden en wegen. Daarmee biedt het plan voldoende mogelijkheid om een laad- en losgelegenheid te realiseren.

2.4. In hetgeen EM-TÉ supermarkten B.V. en [appellant A] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep is ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.F.N. Pikart-van den Berg, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen w.g. Pikart-van den Berg

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 november 2011

350-661.