Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU3127

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-11-2011
Datum publicatie
02-11-2011
Zaaknummer
200906521/1/M3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 juli 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Kom Scherpenisse, 1e herziening" (hierna: het bestemmingsplan) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200906521/1/M3.

Datum uitspraak: 2 november 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te wonend te Scherpenisse, gemeente Tholen,

en

de raad van de gemeente Tholen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 juli 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Kom Scherpenisse, 1e herziening" (hierna: het bestemmingsplan) vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 augustus 2009, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 december 2010, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door ing. J. van Dijk, en de raad, vertegenwoordigd door ing. P.A. Quist en R. Hoogervorst, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Bij tussenuitspraak van 6 april 2011, in zaak nr. 200906521/1/T1/M3, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen twaalf weken na de verzending van de tussenuitspraak het daarin omschreven gebrek in het besluit van 9 juli 2009 te herstellen.

Bij besluit van 16 juni 2011, bij de Raad van State ingekomen op 21 juni 2011, heeft de raad het besluit van 9 juli 2009 gewijzigd.

Bij brief van 20 juli 2011 is [appellant] in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze over het besluit van 16 juni 2011 naar voren te brengen. De Afdeling heeft de in deze brief daarvoor gegeven termijn desgevraagd met één week verlengd. Door [appellant] is bij brief van 23 augustus 2011 een zienswijze naar voren gebracht.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

De tussenuitspraak van 6 april 2010

2.1. De Afdeling heeft in overweging 2.4.3. van de tussenuitspraak overwogen dat het besluit van 9 juli 2009 in strijd is met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), omdat, gezien de beperkte afstand tussen het bedrijf van [appellant] en de voorziene woningen, een akoestisch onderzoek had moeten worden uitgevoerd om aan te tonen dat ter plaatse van die woningen aan de geluidvoorschriften van het Besluit landbouw milieubeheer (hierna: het Besluit landbouw) kan worden voldaan.

Bij de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen twaalf weken na de verzending van de tussenuitspraak met inachtneming van overweging 2.4.3. het besluit van 9 juli 2009 te herstellen door alsnog te onderzoeken of het bedrijf van [appellant] ter plaatse van de nieuwe woningen aan de geluidvoorschriften van het Besluit landbouw kan voldoen en zo nodig dat besluit te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling, en de Afdeling de uitkomst mede te delen.

Het besluit van 16 juni 2011

2.2. Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft de raad door Grontmij een akoestisch onderzoek laten uitvoeren, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport 'Bestemmingsplan "Kom Scherpenisse". Onderbouwing in het kader van een ruimtelijke ordeningsprocedure' van 23 mei 2011, nr. GM-0015980, revisie 0 (hierna: het akoestisch onderzoek).

2.3. Op grond van de uitkomsten van het akoestisch onderzoek heeft de raad bij het besluit van 16 juni 2011 het bestemmingsplan gewijzigd vastgesteld.

De verbeelding, behorende bij het bestemmingsplan, is gewijzigd vastgesteld in die zin dat de afstand tussen het perceel [locatie 1] te Scherpenisse en het bouwblok waarbinnen volgens genoemd bestemmingsplan nieuwe woningen mogen worden gebouwd is vergroot van 25 tot 70 meter en op een gedeelte van dit bouwblok een nadere aanwijzing "dove gevel" (dvg) is opgenomen.

Daarnaast is artikel 1 van de planregels aangevuld met een nieuw lid 1.26A, waarin een definitie van het begrip "dove gevel" is opgenomen, en is aan artikel 3, lid 3, sub h, een nieuwe bepaling (sub 6) toegevoegd, die als volgt luidt: 'Op de gronden met de nadere aanwijzing "dove gevel" (dvg) worden van hoofdgebouwen en de daarbij behorende aan- en uitbouwen (woningen) de naar de Molenweg gekeerde gevels uitgevoerd als dove gevel, tenzij op deze gevels wordt voldaan aan de geluidnormen volgens het Besluit landbouw milieubeheer vanwege het agrarisch bedrijf [locatie 1].'

2.4. Dit besluit wordt ingevolge de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van de Awb geacht mede onderwerp te zijn van het geding.

2.5. [appellant] voert aan dat in het akoestisch onderzoek niet alleen had moeten worden gekeken naar de activiteiten op [locatie 1], maar ook naar de activiteiten op [locatie 2] en de ontsluitingsmogelijkheid van [locatie 2] in oostelijke richting naar de Langeweg. [appellant] betoogt dat de uitkomsten van het akoestisch onderzoek ter plaatse van de [locatie 1], een 'doorkijk' naar de bedrijfsactiviteiten op [locatie 2] en de ontsluitingsweg eveneens relevant maken.

2.5.1. Het akoestisch onderzoek heeft uitsluitend betrekking op de geluidbelasting vanwege het deel van de inrichting op de [locatie 1] ter plaatse van de nieuwe woningen. De geluidbelasting vanwege het deel van de inrichting op de [locatie 2] alsmede de ontsluitingsmogelijkheid in oostelijke richting ter plaatse van de nieuwe woningen is niet betrokken in het akoestisch onderzoek.

2.5.2. In het voorstel van het college van burgemeester en wethouders aan de raad wordt hiertoe vermeld dat de afstand tussen het bouwvlak van het deel van de inrichting met de locatie [locatie 2] - waar overigens het zwaartepunt van de bedrijfsvoering ligt - en de voorziene woningen ongeveer 55 meter bedraagt. Dit voldoet aan de afstandseis van 50 meter van de brochure "Bedrijven en Milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en hiertegen zijn geen zienswijzen dan wel beroepsgronden ingediend, aldus het college. Uit het verhandelde ter zitting en de tussenuitspraak blijkt volgens het college dat alleen het aspect geluid met betrekking tot de [locatie 1] nog in het geding is. Met het woord "bedrijf" in het dictum van de tussenuitspraak wordt volgens het college dan ook de [locatie 1] bedoeld.

2.5.3. [appellant] heeft, zoals in de tussenuitspraak is verwoord, in beroep aangevoerd dat het plan de vestiging van woningen mogelijk maakt op een te korte afstand van zijn bedrijf, bestaande uit de percelen [locatie 2] en [locatie 1] met een ontsluitingsmogelijkheid in oostelijke richting naar de Langeweg. Voorts heeft hij onder meer betoogd dat zijn bedrijf wordt belemmerd in zijn huidige en toekomstige bedrijfsvoering en dat het woon- en leefklimaat ter plaatse van de voorziene woningen niet aanvaardbaar zal zijn. Het geschil betreft derhalve niet alleen de geluidbelasting vanwege het deel van de inrichting op de [locatie 1], maar de geluidbelasting vanwege de gehele inrichting.

De raad heeft zich bij het besluit van 16 juni 2011 ten onrechte op het standpunt gesteld dat ingevolge de bij de tussenuitspraak gegeven opdracht - die over het bedrijf spreekt en ook door de verwijzing naar overweging 2.4.3. niet is beperkt tot de [locatie 1] - uitsluitend onderzoek naar de geluidbelasting vanwege de [locatie 1] behoefde te worden gedaan. Door niet te onderzoeken of de gehele inrichting van [appellant] ter plaatse van de voorziene woningen aan de geluidvoorschriften van het Besluit landbouw kan voldoen, is bij het besluit van 16 juni 2011 het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek niet hersteld. Het besluit van 16 juni 2011 is gelet hierop in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Conclusie

2.6. Het beroep, voor zover dat is gericht tegen het besluit van 9 juli 2009, is gezien de tussenuitspraak gegrond. Het beroep, voor zover dat is gericht tegen het besluit van 16 juni 2011, is eveneens gegrond. De besluiten van 9 juli 2009 en 16 juni 2011 dienen wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

2.7. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat de gemachtigde van [appellant] niet kan worden aangemerkt als beroepsmatig rechtsbijstandverlener. Daarbij is van belang dat niet aannemelijk is gemaakt dat de gemachtigde beschikt over enige juridische scholing.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt de besluiten van de raad van de gemeente Tholen van 9 juli 2009 en 16 juni 2011;

III. gelast dat de raad van de gemeente Tholen aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M.W.L. Simons-Vinckx, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van staat.

w.g. Simons-Vinckx w.g. Drouen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 november 2011

271.