Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU3118

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-11-2011
Datum publicatie
02-11-2011
Zaaknummer
201105690/1/H2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ7817, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 april 2005 heeft het dagelijks bestuur geweigerd de stichting krachtens de Monumentenwet 1988 vergunning te verlenen voor het verplaatsen van houtzaagmolen "De Otter" (hierna ook: de molen).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201105690/1/H2.

Datum uitspraak: 2 november 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. het dagelijks bestuur van het stadsdeel West,

2. de vereniging Belangenvereniging Hugo de Groot, gevestigd te Amsterdam, [appellant sub 2A], [appellant sub 2B], [appellant sub 2C], [appellant sub 2D] en [appellant sub 2E], allen wonend te Amsterdam, (hierna: de vereniging en anderen)

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 mei 2011 in zaak nr. 10/2522 in het geding tussen:

de stichting Stichting Houtzaagmolen de Otter, gevestigd te Amsterdam

en

het dagelijks bestuur.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 april 2005 heeft het dagelijks bestuur geweigerd de stichting krachtens de Monumentenwet 1988 vergunning te verlenen voor het verplaatsen van houtzaagmolen "De Otter" (hierna ook: de molen).

Bij besluit van 20 april 2010 heeft het het door de stichting daartegen gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 mei 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door de stichting daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de stichting geacht wordt over de aangevraagde vergunning voor de verplaatsing van de molen te beschikken en de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben het dagelijks bestuur bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 mei 2011, en de vereniging en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 juni 2011, hoger beroep ingesteld. Het dagelijks bestuur heeft de gronden aangevuld bij brief van 16 juni 2011. De vereniging en anderen hebben dat gedaan bij brief van 12 juli 2011.

De stichting heeft een verweerschrift ingediend.

Het dagelijks bestuur, de stichting en de vereniging en anderen hebben nog nadere stukken overgelegd.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 september 2011, waar het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. I.H. van den Berg, advocaat te Amsterdam, vergezeld van drs. J. Hartog, E.M. Agricola, J. Boonstra en N.H. Jurgens, de vereniging en anderen, vertegenwoordigd door [appellant sub 2B] en de stichting, vertegenwoordigd mr. J.H. van Meurs, advocaat te Rotterdam, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 11, tweede lid, aanhef en onder a, van de Monumentenwet 1988 is het verboden zonder of in afwijking van een vergunning een beschermd monument af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen.

Ingevolge artikel 12 wordt een aanvraag om verlening van zodanige vergunning ingediend bij burgemeester en wethouders.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, voor zover thans van belang, beslissen burgemeester en wethouders op de aanvraag.

2.2. Houtzaagmolen "De Otter" is een paltrokmolen, die omstreeks 1638 is gebouwd. In 1978 is de molen als beschermd rijksmonument aangewezen. In 1991 is het complex, bestaande uit houtzaagmolen "De Otter" en de bijbehorende loodsen, als zodanig aangewezen. In de daarbij behorende redengevende omschrijving is vermeld: "Houtzaagmolencomplex van algemeen belang wegens de combinatie van 17e-eeuwse paltrokmolen - hoewel van wieken ontdaan thans de oudste nog bestaande molen van dit type in ons land - en later toegevoegde bedrijfsgebouwen die de ontwikkeling van het bedrijf weerspiegelen, alsook wegens de kenmerkende situering langs de Kostverlorenvaart, met inbegrip van het balkengat en de zijsloot - als laatste restant van het vroeger zeer uitgestrekte houtzaagmolengebied aan de westzijde van Amsterdam."

Tussen 1994 en 1996 is de molen ingrijpend gerestaureerd. Sindsdien is de molen zaagvaardig.

2.3. De stichting heeft aan de aanvraag om verlening van vergunning voor het verplaatsen van de molen naar het industrieel erfgoedpark "De Hoop" te Uitgeest ten grondslag gelegd dat het windklimaat rond de molen als gevolg van de destijds reeds gerealiseerde en nog te realiseren nieuwbouw in de nabijheid van de molen zozeer is verslechterd, dat de molen niet langer als werkend monument kan functioneren.

2.4. Aan het besluit van 12 april 2005 heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat het aan het cultuurhistorisch belang van het behoud van de molen op de oorspronkelijke locatie groter gewicht hecht dan aan dat van de zaagvaardigheid van de molen, welk belang in het advies van 4 maart 2005 van de toenmalige Rijksdienst voor de Monumentenzorg (thans de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; hierna: de Rijksdienst) voorop is gesteld. Daarbij heeft het onder meer verwezen naar een advies van de Commissie Welstand en Monumenten Amsterdam dat de situering van de molen van grote cultuurhistorische waarde is. Voorts heeft het in aanmerking genomen dat volgens onderzoeksrapporten van Peutz & Associés B.V. (hierna: Peutz) voldoende draaiuren resteren om de molen als werkend monument op de locatie te behouden. Bij besluit van 15 november 2005 heeft het dit besluit in bezwaar gehandhaafd. De rechtbank heeft het daartegen door de stichting ingestelde beroep bij uitspraak van 22 augustus 2006 ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 mei 2007 in zaak nr. 200607197/1 heeft de Afdeling de uitspraak van de rechtbank vernietigd, omdat deze had miskend dat het dagelijks bestuur ten onrechte niet de aanvaardbaarheid, uit het oogpunt van het behoud van het monument, van de wens van de eigenaar om de molen te verplaatsen tot uitgangspunt had genomen. Het had op basis van zorgvuldig onderzoek nader moeten motiveren, waarom verplaatsing niet toelaatbaar was en daarbij groot gewicht moeten toekennen aan het ingevolge de monumentenwet verplichte advies van de Rijksdienst. Voorts had de rechtbank ten onrechte van betekenis geacht dat de molen ten tijde van de aanwijzing geen wieken had en niet kon draaien en zagen. De aanwijzing als beschermd monument strekt volgens de Afdeling mede tot behoud van het monument. Daartoe is de molen gerestaureerd en in maal- en zaagvaardige staat gebracht en gehouden. De Afdeling heeft verder overwogen dat het dagelijks bestuur weliswaar grote betekenis aan de situering van de molen aan de Kostverlorenvaart mocht toekennen, maar andere zwaarwegende belangen, zoals het behoud van de molen als werkend monument, daartegen moest afwegen. Gelet op de deels gerealiseerde nieuwbouw rond de molen, kan volgens de Afdeling in de praktijk twijfel ontstaan of de resultaten van het door Peutz uitgevoerde onderzoek overeenkomen met de complexe feitelijke windsituatie ter plaatse. Het dagelijks bestuur heeft volgens haar dan ook ten onrechte niet laten onderzoeken of, gegeven die bebouwing, de hoeveelheid en kwaliteit van de wind die de molen bereikt nog voldoende is om de voor het behoud van de molen als werkend monument noodzakelijke jaarlijkse draai- en zaaguren te realiseren. Zij heeft het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 15 november 2005 vernietigd en het dagelijks bestuur opdracht gegeven opnieuw op het gemaakte bezwaar te besluiten en daartoe, met medewerking van de stichting, windonderzoek te laten verrichten.

2.5. Peutz heeft in opdracht van het dagelijks bestuur van 16 februari 2009 tot en met 16 februari 2010 nader onderzoek gedaan naar het windaanbod voor de molen. De resultaten van dat onderzoek zijn neergelegd in het rapport 'Insitu meting windaanbod Molen De Otter te Amsterdam' van 22 maart 2010. Volgens het rapport bedroeg het draaipotentieel van de molen in de meetperiode 282,3 uren. Gedurende dat aantal uren was er voldoende wind, dat wil zeggen een windsnelheid van 5 tot 15 meter per seconde gedurende ten minste 50% van een blok van tien minuten, om de molen te kunnen laten functioneren. Daarvan vielen 162,8 uren binnen werktijd.

De stichting en het op haar voorspraak ingeschakelde adviesbureau Ecofys hebben op het rapport gereageerd.

2.6. Aan het besluit van 20 april 2010 heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat de Commissie voor Welstand en Monumenten Amsterdam (hierna: de CWMA), de Amsterdamse Raad voor de Monumentenzorg (hierna: de ARM) en de Rijksdienst eerder in het kader van de voorbereiding van het primaire besluit advies hebben uitgebracht. De CWMA heeft te kennen gegeven dat zij ernstig bezwaar heeft tegen de beoogde verplaatsing en gepleit voor het nemen van maatregelen, waarmee het bestaansrecht voor de molen op de huidige locatie wordt bevestigd. De ARM heeft geadviseerd de molen te verplaatsen, indien aanpassingen in de toekomstige omgeving niet toereikend zijn om de zaagfunctie van de molen te behouden. De Rijksdienst heeft ook geadviseerd de molen te verplaatsen, omdat het behouden ervan op lange termijn alleen haalbaar is, als deze als bedrijfsvaardig werktuig wordt hersteld en in stand gehouden.

Volgens het dagelijks bestuur dient het belang bij het behoud van de molen op de oorspronkelijke locatie zwaarder te wegen dan dat van de zaagvaardigheid dat de Rijksdienst voorop heeft gesteld. Het heeft daarbij in aanmerking genomen dat uit het door Peutz uitgevoerde windonderzoek valt af te leiden dat de molen een draaipotentieel heeft van 282 uren, waarvan 163 uren binnen werktijd vallen. Daarbij moet volgens hem in aanmerking worden genomen dat, gelet op het feit dat de molen heeft gedraaid op dagen, waarop dat volgens de onderzoeksgegevens niet zou hebben moeten kunnen, de gehanteerde analysemethode wellicht te behoudend is geweest en de verlaging van de naastgelegen droogschuren en de kap van populieren aan de Jan van Galenstraat kunnen bijdragen aan verhoging van het draaipotentieel. Het concludeert dat, hoewel de zaagvaardigheid van de molen niet precies kan worden bepaald, uit het onderzoek blijkt dat er voor de molen voldoende mogelijkheden zijn om te functioneren.

Het heeft verder in aanmerking genomen dat de laatste twee jaar over aanpassing van het Rijksmonumentenbeleid voor molens wordt gesproken. De zaag- en maalvaardigheid is niet langer leidend bij behoud en herstel van molens. Als een molenbiotoop slecht is, dient niet automatisch geconcludeerd te worden tot verplaatsing, maar dient conservering te worden overwogen. Hoewel de Rijksdienst nog geen nieuw beleid voert, acht het dagelijks bestuur het advies van de Rijksdienst van 4 maart 2005, gelet op die discussie, achterhaald, nu dat slechts betrekking heeft op de zaagvaardigheid van de molen en de situeringswaarde ervan veronachtzaamt. Eventueel verlies aan zaagcapaciteit of zaagvaardigheid acht het dagelijks bestuur acceptabel in het licht van de historische locatie van de molen. Het heeft daarbij in aanmerking genomen dat de molen deel uitmaakt van het historisch stedelijk weefsel en naast zijn intrinsieke kwaliteiten, ook belangrijke betekenis heeft op de locatie aan de Kostverlorenvaart.

Het dagelijks bestuur concludeert dat het belang van de molen als functionerend monument op zijn oorspronkelijke locatie zwaarder weegt dan dat van de stichting bij de molen als bedrijfsvaardig monument.

2.7. De rechtbank heeft overwogen dat zij het betoog van het dagelijks bestuur dat het advies van de Rijksdienst van 4 maart 2005 achterhaald is niet volgt, aangezien het beleid nog niet is gewijzigd en nog niet vaststaat, op welke wijze het wordt herzien. Verder blijkt volgens haar uit een brief van 17 maart 2011 van een medewerker van de Rijksdienst dat op basis van ervaringsgegevens gemiddeld een minimum van enkele tientallen draaiuren per maand noodzakelijk is om de molen te kunnen behouden. Nu uit het onderzoek van Peutz blijkt dat dit aantal uren op de huidige locatie bij lange na niet wordt gehaald, heeft het dagelijks bestuur daarmee niet aannemelijk gemaakt dat de hoeveelheid en de kwaliteit van de wind die de molen bereikt voldoende is om de, voor het behoud van de molen als werkend monument noodzakelijke, jaarlijkse draai- en zaaguren te realiseren en verder verval te voorkomen. Onder die omstandigheden en in aanmerking nemend dat het dagelijks bestuur ter zitting te kennen heeft gegeven dat het geen geld ter beschikking heeft of stelt voor het behoud van de molen en de stichting afhankelijk is van subsidies en donaties, maar die moeilijk te krijgen zijn als de molen niet draait, heeft zij het oordeel van het dagelijks bestuur dat het belang bij behoud van de laatst overgebleven molen op de huidige locatie zwaarder moet wegen dan dat bij verplaatsing van de molen naar Uitgeest niet toereikend gemotiveerd geacht.

In het door het dagelijks bestuur ingestelde hoger beroep

2.8. Het dagelijks bestuur betoogt dat de rechtbank aldus heeft miskend dat het het advies van de Rijksdienst van 4 maart 2005 terecht achterhaald heeft geacht. Advies van de Rijksdienst is niet langer verplicht. Bovendien is het advies inhoudelijk achterhaald, nu sinds 2007 over wijziging van het beleid wordt gesproken, aldus het dagelijks bestuur.

2.8.1. De afwijzing dateert van 12 april 2005. Nu de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) op 1 oktober 2010 in werking is getreden, zijn deze wet en het in de Invoeringswet Wabo neergelegde overgangsrecht niet van toepassing. Van toepassing is de Monumentenwet 1988. Ingevolge artikel 16, eerste en tweede lid, van die wet, zoals die op dat moment luidde, is advies van de minister verplicht.

2.8.2. In het dossier bevinden zich een 'Beleidsbrief Modernisering van de Monumentenzorg' van de minister van 28 september 2009 en een persbericht van 6 mei 2010 met als bijlage een artikel uit de reader 'Naar een herzien molenbeleid' van 25 november 2009, waaruit valt af te leiden dat de Rijksdienst voornemens is het ten aanzien van het behoud van molens gevoerde beleid te wijzigen. Bij brief van 18 augustus 2011 heeft het dagelijks bestuur een notitie van de Rijksdienst, getiteld 'Een toekomst voor molens. Uitgangspunten voor de omgang met monumentale molens', overgelegd. De notitie betreft concept beleid dat ten tijde van het in beroep bestreden besluit nog niet was vastgesteld, zodat de rechtbank daar bij de beoordeling van het bij haar bestreden besluit terecht geen rekening mee heeft gehouden.

2.8.3. Gelet op het vorenstaande, heeft de rechtbank het dagelijks bestuur terecht niet gevolgd in het betoog dat het het advies van de Rijksdienst van 4 maart 2005 achterhaald mocht achten. Het betoog faalt.

2.9. Het dagelijks bestuur betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat het met het rapport van Peutz aannemelijk heeft gemaakt dat de hoeveelheid en de kwaliteit van de wind die de molen bereikt voldoende is om het voor het behoud van de molen als werkend monument, noodzakelijke aantal jaarlijkse draai- en zaaguren te realiseren en verder verval van de molen te voorkomen. Ter nadere toelichting heeft het een deskundigenrapport van juni 2011 overgelegd.

2.9.1. Volgens het rapport van Peutz, dat is opgesteld naar aanleiding van door Peutz in de periode van 16 februari 2009 tot en met 16 februari 2010 gedaan windonderzoek, bedroeg het draaipotentieel van de molen in de meetperiode 282,3 uren, waarvan 162,8 uren binnen werktijd. Gedurende dat aantal uren was er voldoende wind, dat wil zeggen een windsnelheid van 5 tot 15 meter per seconde gedurende ten minste 50% van een blok van tien minuten, om de molen te kunnen laten functioneren, aldus het rapport.

Uit het rapport valt niet af te leiden dat een windsnelheid van 5 tot 15 meter per seconde gedurende ten minste 50% van een blok van tien minuten voldoende is om de molen niet slechts te laten draaien, maar ook te laten zagen. De rechtbank heeft in dat verband terecht in aanmerking genomen dat de stichting onweersproken heeft gesteld dat voor het zagen een zekere continuïteit van de wind vereist is en uit het rapport, dat windblokken van 10 minuten weergeeft, niet blijkt van aaneengesloten winduren en evenmin dat de molen ook kan zagen, als de wind steeds voor langere tijd wegvalt. Dat, naar het dagelijks bestuur stelt, de door Peutz verrichte meting aan de behoudende kant is geweest, nu de molen in de meetperiode ook heeft gedraaid op dagen dat er volgens de meetgegevens te weinig wind was om dat te kunnen, betekent niet dat de molen op die dagen ook kon zagen.

Uit het rapport valt evenmin af te leiden, hoeveel uren de molen moet draaien en zagen om deze als werkend monument te kunnen behouden. Volgens een in beroep door het dagelijks bestuur als bijlage bij een brief van het BMA overgelegd advies van een molenspecialist van de Rijksdienst van 17 maart 2011 zijn voor behoud van de molen gemiddeld ten minste enkele tientallen draaiuren per maand nodig. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat dit aantal, gelet op het rapport van Peutz, bij lange na niet wordt gehaald, zelfs niet als er mee rekening wordt gehouden dat, zoals het dagelijks bestuur stelt, 2009 een jaar was met uitzonderlijk weinig wind.

Gelet op het vorenstaande, heeft de rechtbank het rapport van Peutz terecht niet toereikend geacht om te concluderen dat het windaanbod voldoende is om de molen op de oorspronkelijke plaats als werkend monument te kunnen behouden. Het rapport van juni 2011 leidt niet tot een ander oordeel, omdat dit voor het eerst in hoger beroep is overgelegd en de inhoud ervan niet mede aan het bij de rechtbank bestreden besluit ten grondslag is gelegd.

Ook dit betoog faalt.

2.10. Het dagelijks bestuur betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het behoud van de molen onvoldoende is gewaarborgd, omdat het dagelijks bestuur daarvoor geen geld ter beschikking heeft of stelt en de eigenaar van de molen, als gevolg van het beperkte aantal draaiuren moeilijk, subsidies en donaties kan krijgen. Het stelt daartoe dat subsidies die afhankelijk zijn van het aantal omwentelingen dat de molen maakt al enige tijd geleden zijn afgeschaft en de stichting subsidie kan aanvragen bij de Rijksdienst, de provincie en de gemeente. Ook zijn er volgens het dagelijks bestuur belangstellende partijen die - tegen betaling - iets met de molen zouden willen doen.

2.10.1. Door te oordelen dat het behoud van de molen in financieel opzicht onvoldoende is gewaarborgd, gaat de rechtbank eraan voorbij dat krachtens het Besluit rijkssubsidiëring instandhouding monumenten en de Regeling rijkssubsidiëring instandhouding monumenten subsidie kan worden verleend voor instandhouding van monumenten. De grond is derhalve terecht voorgedragen. Dit leidt evenwel op zichzelf niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. Daartoe wordt in aanmerking genomen dat, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 30 mei 2005, bij de beoordeling van de aanvraag om een monumentenvergunning voor verplaatsing van de molen de omstandigheid dat er voldoende financiële middelen zijn voor het behoud van de molen op de huidige locatie niet van doorslaggevend belang is.

2.11. Het dagelijks bestuur betoogt tot slot dat de rechtbank ten onrechte zelf in de zaak heeft voorzien.

2.11.1. Dat betoog slaagt. Door te overwegen dat niet aannemelijk is dat het dagelijks bestuur er in zal slagen de geconstateerde motiveringsgebreken te herstellen, is de rechtbank eraan voorbij gegaan dat het goed gemotiveerd kan en mag oordelen dat het belang bij behoud van de molen op de huidige locatie zwaarder weegt dan dat van de stichting bij verplaatsing van de molen. Dat in aanmerking genomen, alsmede gelet op het voornemen van de Rijksdienst om het ten aanzien van het behoud van molens gevoerde beleid te wijzigen, heeft de rechtbank in het aangetroffen motiveringsgebrek ten onrechte aanleiding gezien om zelf in de zaak te voorzien.

In het door de vereniging en anderen ingestelde hoger beroep

2.12. Het door de stichting gevoerde betoog dat de vereniging en anderen niet-ontvankelijk zijn, omdat zij hun standpunten voor het eerst in hoger beroep naar voren hebben gebracht, terwijl zij dat, gelet op de vele publiciteit rond deze zaak, eerder hadden kunnen doen, slaagt niet. Eerst doordat de rechtbank, zelf in de zaak voorziend, heeft bepaald dat de stichting geacht wordt over de aangevraagde vergunning voor de verplaatsing van de molen te beschikken, zijn de vereniging en anderen in een nadeliger situatie komen te verkeren, dan waarin zij zich voordien bevonden. Zij hadden voordien dan ook geen aanleiding hoeven zien om hun standpunten naar voren te brengen en er bestaat geen grond om het door hen ingestelde hoger beroep, omdat zij dat niet hebben gedaan, niet-ontvankelijk te verklaren.

2.13. De vereniging en anderen betogen dat het advies van de Rijksdienst onzorgvuldig en achterhaald is, omdat het voorbij gaat aan het Charter van Venetië en de redengevende omschrijving en in het advies voorts niet wordt ingegaan op de waarde van het ter plaatse behouden van de molen, hetgeen getuigt van een doelredenering en vooringenomenheid.

2.13.1. Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.8.2 is overwogen, heeft de rechtbank het dagelijks bestuur terecht niet gevolgd in het betoog dat, omdat de Rijksdienst voornemens is het ten aanzien van het behoud van molens gevoerde beleid te wijzigen, het advies van de Rijksdienst van 4 maart 2005 achterhaald is.

Van belang is verder dat het Charter van Venetië niet voor toepassing door de rechter vatbaar is, zodat, nog daargelaten dat daaruit niet volgt dat in het kader van de bescherming van cultuurerfgoed de verplaatsing van molens is uitgesloten, dat niet de betekenis heeft die de vereniging en anderen daaraan gehecht willen zien.

Het betoog dat de draai- en zaagvaardigheid van de molen, als ook de verplaatsbaarheid daarvan, blijkens de redengevende omschrijving geen rol spelen en daar, volgens de vereniging en anderen, dus geen doorslaggevend belang aan had mogen worden gehecht in het advies van de Rijksdienst, gaat er aan voorbij dat de Afdeling in de uitspraak van 30 mei 2007 heeft overwogen dat de rechtbank ten onrechte van betekenis heeft geacht dat ten tijde van de aanwijzing de molen geen wieken had en destijds niet kon draaien en zagen. De aanwijzing als beschermd monument strekt mede tot behoud van het monument voor de toekomst. Daartoe is de molen gerestaureerd en in maal- en zaagvaardige staat gebracht en gehouden. Dat zijn ontwikkelingen, waarmee destijds bij de totstandkoming van de redengevende omschrijving geen rekening kon worden gehouden, maar waar thans rekening mee moet worden gehouden. Dit geldt evenzeer voor het alternatief om de molen te verplaatsen.

Tot slot geeft het aangevoerde geen grond voor het oordeel dat de rechtbank heeft miskend dat in het advies van de Rijksdienst ten onrechte niet is ingegaan op de waarde van het ter plaatse behouden van de molen, reeds omdat in het advies, zij het kort, op het behoud van de molen op de huidige locatie is ingegaan. Daar komt bij dat uitgangspunt van het door het rijk gevoerde instandhoudingsbeleid voor beschermd molenerfgoed is dat molens slechts als bedrijfsvaardig werktuig worden hersteld en in stand gehouden, omdat behoud van de molen op langere termijn alleen dan haalbaar is. Betrouwbare maalwind, waarmee ook gezaagd kan worden, is daarvoor onontbeerlijk. Gelet daarop, mocht de Rijksdienst van doorslaggevend belang achten dat de molen draai- en zaagvaardig wordt gehouden en heeft zij geen aanleiding hoeven zien uitgebreider op de situering ervan in te gaan.

Het betoog faalt.

2.14. Het betoog van de vereniging en anderen dat de rechtbank heeft miskend dat anticiperen op gewijzigd beleid mogelijk is, faalt reeds gelet op hetgeen hiervoor onder 2.8.2 is overwogen.

2.15. De vereniging en anderen betogen verder dat de rechtbank er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat er alternatieven zijn om de molen op zijn huidige locatie te behouden, waaronder technische aanpassingen van de molen. Voorts zijn er volgens hen voldoende vrijwilligers die een opleiding tot molenaar willen volgen om de molen op geschikte dagen te kunnen laten draaien en is het conserveren van de molen, zonder dat deze draait, een goed alternatief, dat bovendien recht doet aan het toeristische potentieel van de molen op de huidige locatie.

2.15.1. Nog daargelaten of de bedoelde technische aanpassingen afbreuk zouden doen aan de monumentale waarde van de molen, gaat het betoog eraan voorbij dat, zoals de Afdeling in de uitspraak van 30 mei 2007 heeft overwogen, het dagelijks bestuur de aanvaardbaarheid uit een oogpunt van het behoud van het monument van de wens van de eigenaar om de molen te verplaatsen tot uitgangspunt diende te nemen. Dat er alternatieven zijn om de molen op de huidige locatie te behouden, is daarom niet van doorslaggevend belang. Daar komt bij dat de stelling van de vereniging en anderen dat de molen ook geconserveerd kan worden als hij niet draait, voorbij gaat aan het advies van de Rijksdienst dat molens slechts als bedrijfsvaardig werktuig worden hersteld en in stand gehouden. Het betoog faalt.

2.16. De vereniging en anderen betogen tot slot dat de rechtbank er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat, samengevat weergegeven, de molenaar de molen op dit moment bewust zo veel mogelijk stil laat staan en niet onderhoudt om daarmee aan te tonen dat de molen op de huidige locatie niet kan worden behouden en verplaatsing noodzakelijk is. Het verval van de molen is dus niet zozeer het gevolg van het feit dat de molen niet draait, als wel van het feit dat deze niet behoorlijk wordt onderhouden. De molen is volgens de vereniging en anderen dan ook een gijzelaar van de stichting en de molenaar. Voorts heeft de voorzitter van de stichting belang bij verplaatsing van de molen, nu hij eigenaar is van industrieel erfgoedpark "De Hoop" in Uitgeest, aldus de vereniging en anderen.

2.16.1. Het aldus gestelde heeft niet de betekenis die de vereniging en andere daaraan gehecht willen zien, nu het geen feiten en omstandigheden betreft die bij de aan de weigering van de vergunning ten grondslag liggende belangenafweging kunnen worden betrokken. De rechtbank heeft dat dan ook terecht niet gedaan bij de beoordeling van de vraag of het dagelijks bestuur de gevraagde vergunning mocht weigeren.

Conclusie

2.17. Het door de vereniging en anderen ingestelde hoger beroep is ongegrond. Het door het dagelijks bestuur ingestelde beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank daarbij zelf in de zaak heeft voorzien. De aangevallen uitspraak dient voor het overige, met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.

2.18. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het door het dagelijks bestuur van het stadsdeel West ingestelde hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 mei 2011 in zaak nr. 10/2522, doch slechts, voor zover de rechtbank daarbij zelf in de zaak heeft voorzien;

III. bevestigt die uitspraak voor het overige.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. C.J.M. Schuyt en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Wieland, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Wieland

Voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 november 2011

502.