Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU3117

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-11-2011
Datum publicatie
02-11-2011
Zaaknummer
201105461/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De raad van de gemeente Heemskerk heeft naar aanleiding van het voorstel van het college van 23 september 2008 tot het voortzetten van de procedure krachtens artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) inzake de vestiging van een grootschalige supermarkt in het plangebied De Waterwegen, op 30 oktober 2008 besloten: - dat de ingediende zienswijzen geen aanleiding geven tot het niet voortzetten van deze procedure; - de procedure te vervolgen en bij het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college van gs) een verklaring van geen bezwaar aan te vragen; - reeds nu te besluiten de vrijstelling te verlenen zodra deze verklaring is verleend; - de zienswijzennota en de ruimtelijke ordening als integraal onderdeel van dit besluit te beschouwen; - de indieners van zienswijzen dienovereenkomstig te berichten en betrokkenen aan te geven hoe de procedure wordt voortgezet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201105461/1/H1.

Datum uitspraak: 2 november 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], wonend te Heemskerk,

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 1 april 2011 in zaken nrs. 09/5503 en 09/5507 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het college van burgemeester en wethouders van Heemskerk.

1. Procesverloop

De raad van de gemeente Heemskerk heeft naar aanleiding van het voorstel van het college van 23 september 2008 tot het voortzetten van de procedure krachtens artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) inzake de vestiging van een grootschalige supermarkt in het plangebied De Waterwegen, op 30 oktober 2008 besloten: - dat de ingediende zienswijzen geen aanleiding geven tot het niet voortzetten van deze procedure; - de procedure te vervolgen en bij het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college van gs) een verklaring van geen bezwaar aan te vragen; - reeds nu te besluiten de vrijstelling te verlenen zodra deze verklaring is verleend; - de zienswijzennota en de ruimtelijke ordening als integraal onderdeel van dit besluit te beschouwen; - de indieners van zienswijzen dienovereenkomstig te berichten en betrokkenen aan te geven hoe de procedure wordt voortgezet.

Bij besluit van 23 februari 2009 heeft het college aan [vergunninghoudster] vrijstelling en bouwvergunning eerste fase verleend voor het bouwen van een supermarkt boven een parkeergarage, en een parkeerterrein op het perceel Rijksstraatweg tegenover 39 te Heemskerk.

Het college van gs heeft op 16 december 2008 een verklaring van geen bezwaar afgegeven.

Bij besluit van 25 augustus 2009, verzonden op 29 september 2009, heeft het college het door [appellanten] tegen de verleende bouwvergunning eerste fase gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het heeft daarin tevens verklaard dat de raad in zijn vergadering van 24 september 2009 het door [appellanten] tegen de verleende vrijstelling gemaakte bezwaar ongegrond heeft verklaard.

Bij tussenuitspraak van 16 december 2010 (hierna: de tussenuitspraak), verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen op de bezwaren gericht tegen het vrijstellingsbesluit van 23 februari 2009.

Bij besluit van 4 januari 2011 heeft het college het door [appellanten] tegen het vrijstellingsbesluit van 23 februari 2009 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 april 2011 (hierna: de einduitspraak), verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellanten] tegen het besluit van 25 augustus 2009 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 mei 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 8 juni 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 september 2011, waar [appellanten], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.C.S. Leiss, B. de Bie, en T.H.M.J. van der Geest, allen werkzaam bij de gemeente, en F.A. Aalbers en R.J. de Graaf, beiden werkzaam bij adviesbureau Goudappel Coffeng B.V., zijn verschenen. Voorts is daar vergunninghoudster, vertegenwoordigd door mr. H.J.G. Dudink, advocaat te Beverdijk, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in het oprichten van een zogeheten Albert Heijn XL-supermarkt, waarvan de bruto-vloeroppervlakte 3.750 m2 zal bedragen en de winkelvloeroppervlakte 3.050 m2. Onder de winkelruimte is een halfverdiepte parkeergarage met minimaal 113 parkeerplaatsen voorzien. Bij het pand wordt voorts een parkeerterrein aangelegd met minimaal 107 parkeerplaatsen.

2.2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Waterakkers-Lunetten" rust op het perceel de uit te werken bestemming "Kantoren+Bedrijven (UK+B)". Het bouwplan is daarmee in strijd. Een grootschalige supermarkt kan niet worden geschaard onder de volumineuze detailhandel, waarvoor ingevolge de uitwerkingsregels vrijstelling kan worden verleend als bedoeld in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de WRO. Om realisering van het bouwplan niettemin mogelijk te maken, heeft het college vrijstelling van het bestemmingsplan verleend op grond van artikel 19, eerste lid, van de WRO.

2.3. [appellanten] betogen dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op hun betoog dat het gemeentebestuur er bij het verlenen van de vrijstelling niet van uit mocht gaan dat een Albert Heijn XL-winkel gelijk te stellen is aan een bouwmarkt of een andere detailhandel in volumineuze goederen. Zij voeren tevens aan dat het bestemmingsplan niet voorziet in een vrijstelling ten gunste van een detailhandelsvestiging als de bedoelde Albert Heijn XL. Verder stellen zij dat een dergelijke supermarkt ten aanzien van onder meer de bezoekersaantallen en openingstijden, niet te vergelijken is met een bouwmarkt.

2.3.1. Het betoog is terecht voorgedragen, doch leidt niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. De omstandigheid dat het bestemmingsplan niet voorziet in een vrijstelling ten behoeve van het bouwplan als bedoeld in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de WRO, betekent niet dat geen vrijstelling krachtens artikel 19, eerste lid, van die wet mocht worden verleend. Voorts heeft het college terecht overwogen dat in de ruimtelijke onderbouwing uitvoerig is ingegaan op de effecten van de grootschalige supermarkt, en dat de afwijking van hetgeen krachtens het bestemmingsplan mogelijk, relatief gering is. Daarbij heeft het van belang kunnen achten dat volgens de planologische kernbeslissing "Ruimte voor ontwikkeling", waarin het nationaal ruimtelijk beleid is vastgelegd, geen onderscheid meer wordt gemaakt tussen zogeheten perifere detailhandelsvestigingen en grootschalige detailhandelsvestigingen.

Het betoog faalt.

2.4. Het betoog van [appellanten] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het gemeentebestuur de adviezen van Goudappel Coffeng niet aan zijn besluitvorming ten grondslag mocht leggen, omdat dit bureau volgens hen niet onpartijdig is, is een herhaling van hetgeen zij in beroep bij de rechtbank hebben aangevoerd. De rechtbank is hierop in de overwegingen van de aangevallen uitspraak ingegaan. In hoger beroep hebben [appellanten] geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende gronden en argumenten in de aangevallen uitspraak onjuist, dan wel onvolledig zou zijn. Er bestaat derhalve in zoverre geen aanleiding voor vernietiging van de aangevallen uitspraak.

2.5. [appellanten] betogen verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het gemeentebestuur het rapport "Verkeerskundige effectstudie grootschalige AH-supermarkt Rijksstraatweg - Eindrapportage" Goudappel Coffeng van 24 november 2006 (hierna: de verkeerskundige effectstudie) niet aan zijn besluitvorming ten grondslag mocht leggen, omdat de gegevens waarop het bureau zich baseert achterhaald zijn en het rekenmodel dat het heeft gebruikt, te beperkt is, omdat dit een vereenvoudiging is van de werkelijkheid.

Zij betogen verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de conclusies van Goudappel Coffeng met betrekking tot sluipverkeer als gevolg van realisering van het bouwplan door de wijk Waterakkers-Lunetten, waar zij woonachtig zijn, niet juist zijn. Volgens hen bestaat een groot risico op sluipverkeer in hun wijk.

Bovendien is het college ten onrechte voorbijgegaan aan de door Grontmij opgestelde "second opinion" van 1 juni 2007, waarin Grontmij kritische kanttekeningen plaatst bij de gevolgen van het bouwplan voor de parkeerdruk en de verkeersintensiteit ter plaatse, aldus [appellanten].

2.5.1. Goudappel Coffeng heeft aan de hand van kaartmateriaal, waaronder een plattegrond van de wijk Waterakkers, ter zitting toegelicht dat bij de berekening van de verkeersdruk als gevolg van de vestiging van de supermarkt, in twee opzichten is uitgegaan van een "worstcasescenario". In de eerste plaats is als uitgangspunt genomen dat alle bezoekers van de supermarkt deze per auto zullen bezoeken. In werkelijkheid zal een deel daarvan gebruikmaken van de fiets. In de tweede plaats zijn de berekeningen gebaseerd op de situatie dat alle verkeer dat naar de supermarkt gaat, zogeheten nieuw verkeer is, terwijl in de praktijk een deel daarvan wordt gevormd door personen die in de buurt van de supermarkt woonachtig zijn en op weg naar huis hun boodschappen doen.

Anders dan [appellanten] betogen blijkt uit de ter zitting in hoger beroep gegeven toelichting op het rapport van Goudappel Coffeng dat daarin rekening is gehouden met de bevindingen in het rapport van Grontmij. Wegens de te verwachten verkeershinder is besloten tot een aanpassing van de ontsluiting van het supermarktterrein. De toegang naar het parkeerterrein zal aan de zijde van de Rijksstraatweg zodanig worden ingericht dat alleen verkeer uit de richting Beverwijk het terrein kan oprijden en het verkeer dat het terrein verlaat, alleen rechtsaf kan slaan in de richting van Castricum. Het betoog van [appellanten] dat deze wijziging van de ontsluiting niet wordt vermeld op de bouwtekening behorend bij de aanvraag om bouwvergunning, kan niet leiden tot het daarmee beoogde doel. Deze wijziging van de ontsluiting van het supermarktterrein, die is doorgevoerd om de verkeersafwikkeling van en naar het terrein te verbeteren, is opgenomen in de ten behoeve van de vrijstelling opgestelde ruimtelijke onderbouwing van 17 september 2008, en leidt ertoe dat minder auto's het terrein zullen verlaten aan de zijde waar zij woonachtig zijn.

Ten aanzien van de parkeerdruk is Goudappel Coffeng tot dezelfde conclusie gekomen als Grontmij. Uitgaand van een worstcasescenario zal op zekere piekmomenten, zoals in de kerstperiode, enige overlast ontstaan. [appellanten] hebben niet aannemelijk gemaakt dat als gevolg daarvan ter plaatse een onaanvaardbare situatie zal ontstaan.

Voor wat betreft het door [appellanten] gevreesde sluipverkeer in de wijk Waterakkers, doordat automobilisten volgens hen de verkeerslichten in de omgeving van het bouwplan zullen mijden, heeft Goudappel Coffeng toegelicht dat de route door de wijk langer is dan de alternatieven en dat de wijk een 30 km-zone is. Uit haar berekeningen is gebleken dat, zelfs indien alle verkeer gebruik zou maken van de straat Water acker, de norm voor verkeersintensiteiten op een 30 km-weg niet zal worden overschreden. Voorts heeft het gemeentebestuur in dit verband te kennen gegeven dat wanneer daar onverhoopt aanleiding toe zou ontstaan, het (extra) verkeersregulerende dan wel snelheidsremmende maatregelen zal nemen. Ter zitting is door Goudappel Coffeng toegelicht dat zij op dit onderdeel een andere inschatting heeft gemaakt dan Grontmij.

2.5.2. Uit het voorgaande volgt dat niet is gebleken dat de door Goudappel Coffeng opgestelde berekeningen niet juist zijn. De rechtbank heeft daarom terecht overwogen dat het gemeentebestuur de rapportage van Goudappel Coffeng, bestaande uit de verkeerskundige effectstudie, de oplegnotitie van 20 december 2007, de "Beantwoording zinsneden/aspecten en/of vragen m.b.t. zienswijzen (betreffende grootschalige AH-vestiging Rijksstraatweg) van 17 september 2008, en de "Beantwoording vragen commissie voor de bezwaarschriften (betreffende grootschalige AH-vestiging Rijksstraatweg) - definitief" van 11 augustus 2009, aan zijn besluitvorming ten grondslag mocht leggen. Zij is tevens terecht tot het oordeel gekomen dat hetgeen [appellanten] aanvoeren over de door hen gevreesde toename van het verkeer, en over sluipverkeer door hun wijk, onvoldoende is om de conclusie te rechtvaardigen dat dit tot een onaanvaardbare situatie zal leiden, en voor het gemeentebestuur aanleiding had moeten zijn vrijstelling en bouwvergunning te weigeren. Voorts heeft Goudappel Coffeng gemotiveerd toegelicht op welke wijze zij de kanttekeningen die Grontmij bij het bouwplan heeft geplaatst, heeft verwerkt.

2.5.3. De door [appellanten] aangedragen recente ontwikkelingen, waaronder de aanleg van een rotonde, waarop de nieuw aangelegde westelijke randweg aansluit ter hoogte van de Rijksstraatweg, leiden evenmin tot de conclusie dat door realisering van het bouwplan de verkeerssituatie ter plaatse zodanig zal worden dat het gemeentebestuur de vrijstelling en bouwvergunning had moeten weigeren. Naar aanleiding van het betoog van [appellanten] dat het laden en lossen aan de Water acker zal toenemen, heeft vergunninghoudster te kennen gegeven dat de Water acker is bedoeld als ontsluitingsweg voor bedrijfskavels. Tevens heeft Goudappel Coffeng ter zitting toegelicht dat met een toename van de verkeersdruk de verkeerssituatie niet per se onveiliger wordt, en dat menging van verkeer juist tot een veiliger verkeerssituatie leidt.

2.5.4. Het betoog faalt.

2.6. Hetgeen [appellanten] betogen over de door hen gevreesde precedentwerking, treft evenmin doel. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college een eventueel volgend verzoek om vrijstelling voor een detailhandelsvestiging op zijn eigen merites moet beoordelen. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat bij de dan aan de orde zijnde belangenafweging de aanwezigheid van de Albert Heijn XL-supermarkt zal moeten worden betrokken. Naar aanleiding van de stelling van [appellanten] dat het college heeft toegezegd dat geen nadere vrijstellingen meer mogelijk zouden zijn, en dat zich desondanks diverse detailhandelsbedrijven in de omgeving van hun woning hebben gevestigd, heeft het college ter zitting toegelicht dat dit bedrijven zijn waarvoor door middel van een vrijstelling als bedoeld in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de WRO, vrijstelling kon worden verleend.

2.7. [appellanten] verwijzen in hoger beroep overigens naar hetgeen zij eerder in de procedure hebben aangevoerd. De rechtbank is op deze gronden in de overwegingen van de aangevallen uitspraak ingegaan. In hoger beroep hebben [appellanten] geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende gronden en argumenten in de aangevallen uitspraak onjuist, dan wel onvolledig zou zijn. Er bestaat derhalve in zoverre geen aanleiding voor vernietiging van de aangevallen uitspraak.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Lodder

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 november 2011

17-619.