Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU3112

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-10-2011
Datum publicatie
02-11-2011
Zaaknummer
201107446/2/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 november 2009 heeft het college het verzoek van [verzoeker] om handhavend op te treden tegen de vermeende detailhandelactiviteiten op het perceel [locatie] te Nieuwegein (hierna: het perceel) afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:18
Algemene wet bestuursrecht 6:19
Algemene wet bestuursrecht 8:81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2011/275 met annotatie van A.M.M.M. Bots
JOM 2012/57
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201107446/2/H1.

Datum uitspraak: 26 oktober 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Nieuwegein,

verzoeker,

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 23 mei 2011 in zaak nr. 10/1627 in het geding tussen:

[verzoeker]

en

het college.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 november 2009 heeft het college het verzoek van [verzoeker] om handhavend op te treden tegen de vermeende detailhandelactiviteiten op het perceel [locatie] te Nieuwegein (hierna: het perceel) afgewezen.

Bij besluit van 8 april 2010 heeft het college het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 mei 2011, verzonden op 25 mei 2011, heeft de rechtbank het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 8 april 2010 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 juli 2011, hoger beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 september 2011, heeft het college de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 20 oktober 2011, waar het college, vertegenwoordigd door mr. R. Visser en R.A. Hanoeman, werkzaam bij de gemeente, en [verzoeker], vertegenwoordigd door mr. J. van Berkel, zijn verschenen. Voorts is verschenen [belanghebbende], bijgestaan door J. van Wijk.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het college verzoekt de voorzitter te bepalen dat het geen nieuw besluit op het door [verzoeker] gemaakte bezwaar hoeft te nemen, totdat op het ingestelde hoger beroep is beslist. Volgens het college vinden er op het perceel geen met het bestemmingsplan "Vreeswijk-Noord" strijdige activiteiten plaats.

2.3. In hetgeen het college naar voren heeft gebracht, is, mede gelet op de ter plaatse geldende bestemming "Gebied voor wonen (WG)" alsmede de in artikel 1, onder 15, van de planvoorschriften opgenomen begripsomschrijving van "beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten aan huis", geen aanleiding te vinden voor het oordeel dat op voorhand moet worden aangenomen dat de aangevallen uitspraak in de bodemprocedure niet in stand zal blijven. Het nemen van een nieuw besluit op bezwaar, biedt het college de mogelijkheid het door de rechtbank geconstateerde voorbereidings- en motiveringsgebrek te herstellen. Gelet op de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in verbinding met artikel 6:24 van die wet, kan dat besluit bij de beoordeling van het hoger beroep worden betrokken hetgeen in het belang is van een effectieve geschilbeslechting.

2.4. Gelet op het voorgaande, bestaat aanleiding het verzoek van het college af te wijzen.

2.5. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. wijst het verzoek af;

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Nieuwegein tot vergoeding van bij [verzoeker] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Montagne

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2011

374.