Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU1644

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-10-2011
Datum publicatie
26-10-2011
Zaaknummer
201108135/4/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij uitspraak van 30 augustus 2011 in zaak nr. 201108135/3/H3 heeft de voorzitter de voorlopige voorziening getroffen dat de minister geen nieuw besluit op het bezwaar van [verzoekster] hoeft te nemen, voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201108135/4/H3.

Datum uitspraak: 26 oktober 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek van:

[verzoekster], wonend te Goes,

om opheffing (artikel 8:87 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: Awb) van de bij uitspraak van 30 augustus 2011, in zaak nr. 201108135/3/H3, getroffen voorlopige voorziening hangende het hoger beroep van:

de minister voor Immigratie en Asiel,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 16 juni 2011 zaak nr. 10/1010 v-nummer 273.427.9154 in het geding tussen:

[verzoekster]

en

de minister van Justitie, thans de minister voor Immigratie en Asiel.

1. Procesverloop

Bij uitspraak van 30 augustus 2011 in zaak nr. 201108135/3/H3 heeft de voorzitter de voorlopige voorziening getroffen dat de minister geen nieuw besluit op het bezwaar van [verzoekster] hoeft te nemen, voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 september 2011, heeft [verzoekster] de voorzitter verzocht deze voorlopige voorziening op te heffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 13 oktober 2011, waar [verzoekster], vertegenwoordigd door mr. B.M.A. Scholten, advocaat te Amsterdam, en de minister, vertegenwoordigd door mr. J.W.Th. Berg, werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8:87, tweede lid, van de Awb kan een belanghebbende die door de voorlopige voorziening rechtstreeks in zijn belang wordt getroffen, een verzoek om opheffing doen.

2.2. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 juli 2011, heeft de minister de voorzitter verzocht dat bij wijze van voorlopige voorziening wordt bepaald dat de minister in afwachting van de uitspraak op het door hem ingestelde hoger beroep geen gevolg behoeft te geven aan de in hoger beroep bestreden uitspraak, voor zover daarin is bepaald dat de minister een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen.

Bij brief van 4 augustus 2011 is [verzoekster] namens de voorzitter verzocht kenbaar te maken of haar belangen zich verzetten tegen inwilliging van voormeld verzoek om voorlopige voorziening.

Bij brief van 5 augustus 2011 heeft [verzoekster] desverzocht een reactie gegeven op het voormeld verzoek om voorlopige voorziening.

2.3. In de uitspraak van 30 augustus 2011 heeft de voorzitter overwogen dat de bodemprocedure haar praktische betekenis verliest indien door de minister gevolg wordt gegeven aan de uitspraak van de rechtbank. Nu [verzoekster] volgens de voorzitter voorts niet blijkt heeft gegeven van zeer dringende, spoedeisende belangen die ertoe nopen dat aan de uitspraak van de rechtbank toch gevolg wordt gegeven, heeft de voorzitter aanleiding gezien het door de minister ingediende verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen.

2.4. [verzoekster] voert in haar verzoek om opheffing van de voorlopige voorziening aan dat nu de voorzitter, zonder kennisname van haar reactie, het verzoek om voorlopige voorziening heeft toegewezen, de goede procesorde en fundamentele rechtsbeginselen, te weten het recht op hoor- en wederhoor, als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie zijn geschonden. De door de voorzitter getroffen voorziening komt volgens haar reeds daarom voor opheffing in aanmerking. Voorts voert zij aan dat het hoger beroep van de minister geen kans van slagen heeft en dat de verstrekking van de minuut van groot belang is voor haar traumaverwerking.

2.4.1. Vaststaat dat de bij brief van 5 augustus 2011 gegeven reactie van [verzoekster] abusievelijk door de voorzitter niet bij de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening van de minister is betrokken. De voorzitter heeft aldus ten onrechte overwogen dat [verzoekster] niet heeft gereageerd op voormeld verzoek. Hoewel het niet betrekken van de reactie van [verzoekster] tot het oordeel leidt dat de uitspraak van de voorzitter op gebrekkige wijze tot stand is gekomen, leidt dit niet reeds daarom tot toewijzing van het voorliggende verzoek. Anders dan [verzoekster] ter zitting van de voorzitter heeft betoogd, valt niet in te zien dat de voorzitter thans het gebrek niet zou kunnen redresseren door de reactie van [verzoekster] bij het verzoek tot opheffing van de voorlopige voorziening te betrekken en te beoordelen in hoeverre deze reactie aanleiding geeft de bij uitspraak van 30 augustus 2011 getroffen voorziening op te heffen. Een procedure op grond van artikel 8:87, eerste lid, van de Awb leent zich daar, anders dan [verzoekster] heeft betoogd, zeer wel voor, nu in dat kader alsnog het betoog van [verzoekster] ten volle kan worden gewogen.

2.5. [verzoekster] heeft zich in de reactie van 5 augustus 2011 op het standpunt gesteld dat aan de zijde van de minister geen spoedeisend belang bestaat als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb, omdat het financieel belang waarop de minister in zijn verzoek wijst, daartoe op zichzelf geen grond vormt. Voorts voert zij in dit verband aan dat voor de minister geen onomkeerbare gevolgen dreigen, omdat nog geen dwangsom is opgelegd. Haar belang bij het afwijzen van het verzoek van de minister om het treffen van een voorlopige voorziening dient daarom zwaarder te wegen dan het belang van de minister bij toewijzing van zijn verzoek. Tot slot betoogt [verzoekster] dat niet op voorhand is aan te nemen dat het door de minister ingestelde hoger beroep een redelijke kans van slagen heeft.

2.5.1. In hetgeen [verzoekster] in haar reactie van 5 augustus 2011 naar voren heeft gebracht, ziet de voorzitter geen aanleiding om het verzoek om opheffing van de bij uitspraak van 30 augustus 2011 getroffen voorziening toe te wijzen. De voorzitter overweegt dat de bodemprocedure haar praktische betekenis verliest indien de voorlopige voorziening wordt opgeheven. De minister dient in dat geval immers gevolg te geven aan de uitspraak van de rechtbank door [verzoekster] inzage te geven in de in de minuut neergelegde juridische analyse. Dit brengt onomkeerbare gevolgen met zich. Hiermee heeft de minister nog altijd een spoedeisend belang bij de getroffen voorziening. Van de zijde van [verzoekster] zijn geen zeer dringende, spoedeisende belangen gebleken die ertoe nopen de getroffen voorziening op te heffen. Het door [verzoekster] gestelde belang van traumaverwerking valt niet als zodanig te kwalificeren. Voorts kan naar het oordeel van de voorzitter, anders dan [verzoekster] betoogt, niet op voorhand worden uitgesloten dat het hoger beroep van de minister kans van slagen heeft. De voorzitter wijst in dit verband op de uitspraak van de Afdeling van 19 oktober 2011 in zaak nr. 201100146/1/H3. [verzoekster] kan in de bodemprocedure haar visie op deze uitspraak van de Afdeling naar voren brengen.

2.6. De voorzitter ziet gelet op voorgaande geen aanleiding het verzoek om toepassing van artikel 8:87 van de Awb toe te wijzen. Het verzoek dient derhalve te worden afgewezen.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R. Grimbergen, ambtenaar van staat.

w.g. Polak w.g. Grimbergen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2011

581.