Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU1643

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-10-2011
Datum publicatie
26-10-2011
Zaaknummer
201101504/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 maart 2010 heeft het Participatiefonds de aanvraag van de stichting om de kosten van uitkeringen als gevolg van het ontslag van werknemer [naam werknemer] ten laste van het Participatiefonds te laten komen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201101504/1/H2.

Datum uitspraak: 26 oktober 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting Stichting Openbaar Onderwijs aan de Amstel (hierna: de stichting), gevestigd te Amsterdam,

appellante,

en

het bestuur van de Stichting Participatiefonds voor het Onderwijs (hierna: het Participatiefonds),

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 maart 2010 heeft het Participatiefonds de aanvraag van de stichting om de kosten van uitkeringen als gevolg van het ontslag van werknemer [naam werknemer] ten laste van het Participatiefonds te laten komen, afgewezen.

Bij besluit van 19 januari 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft het Participatiefonds het door de stichting hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft de stichting bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 januari 2011, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 9 maart 2011.

Het Participatiefonds heeft een verweerschrift ingediend.

De stichting heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 september 2011, waar de stichting, vertegenwoordigd door mr. R.P.J. Hendrikx, advocaat te Mijdrecht, en het Participatiefonds, vertegenwoordigd door mr. H.P. Coppens, werkzaam bij het Participatiefonds, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 138, derde lid, van de Wet op het primair onderwijs worden op de bekostiging ten behoeve van personeelskosten in mindering gebracht de kosten van werkloosheidsuitkeringen, suppleties inzake arbeidsongeschiktheid alsmede uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel anders dan op grond van de Ziektewet. Dit is niet van toepassing, indien het Participatiefonds, op een daartoe strekkend verzoek van het bevoegd gezag, voorafgaand aan het ontslag heeft ingestemd met het te zijnen laste brengen van de kosten van uitkeringen of suppleties als bedoeld in de eerste volzin.

Ingevolge artikel 184, vierde lid, voor zover hier van belang, stelt het Participatiefonds regels vast voor de behandeling, beoordeling en beantwoording van een verzoek van het bevoegd gezag als bedoeld in artikel 138, derde lid.

2.1.1. Het Participatiefonds heeft het Reglement Participatiefonds voor het Primair Onderwijs voor het schooljaar 2009-2010 (hierna: het Reglement) vastgesteld, dat in werking is getreden op 1 februari 2009 en betrekking heeft op ontslagen die zijn of worden geëffectueerd per of na 1 augustus 2009.

Ingevolge artikel 4.1 van het Reglement rust op het bevoegd gezag de verplichting in redelijkheid te doen wat van hem verwacht mag worden ter voorkoming van werkloosheid, respectievelijk om instroom in een werkloosheidsuitkering te voorkomen.

Ingevolge artikel 4.4 wordt bij elke melding beoordeeld of aan het in artikel 4.1 gestelde is voldaan. Indien blijkt dat onvoldoende uitvoering is gegeven aan de activiteiten genoemd in het artikel dat op het ontslag van toepassing is, wordt het vergoedingsverzoek afgewezen. Het bevoegd gezag heeft tal van mogelijkheden en instrumenten van personeelsbeleid die gericht zijn op het voorkomen van een beroep op een werkloosheidsregeling. Omdat niet voor iedere soort ontslag eenzelfde inspanning kan worden verwacht, is bij iedere ontslaggrond zoals gesteld in de artikelen 7 tot en met 11, vermeld aan welke eisen het bevoegd gezag dient te voldoen.

De inspanningsverplichting is in categorieën verdeeld. In de categorie hier van belang, categorie IV-A, welke ziet op het ontslag uit een vast dienstverband, behelst de inspanningsverplichting:

1. extern een passende functie zoeken (indien aangesloten, gebruik maken van een mobiliteitscentrum/arbeidspool, zoeken bij een ander bevoegd gezag, of buiten het onderwijs); en

2. (vervallen)

3. voormelding dreigend ontslag bij het Participatiefonds; of

4. aanbieden van outplacement (outplacement vervangt de inspanningen 1 tot en met 3 van deze categorie).

Ingevolge artikel 4.4.1 wordt bij de categorieën I, II, III en IV in alle gevallen schriftelijk bewijs gevraagd. In de hier van belang zijnde categorie, IV-A, onderdeel 4, wordt als bewijsstuk geaccepteerd een afschrift van de brief aan betrokkene waarin het aanbod tot het inschakelen van een outplacementbureau wordt gedaan, in combinatie met een afschrift van een door een outplacementbureau uitgebrachte offerte. Op deze wijze wordt de meeste zekerheid verkregen dat het inderdaad een reëel en substantieel aanbod van outplacement betreft.

Ingevolge artikel 6.1 kan een vergoedingsverzoek alleen worden toegewezen indien het ontslag is verleend met inachtneming van de artikelen 7 tot en met 11 en wanneer tevens is voldaan aan artikel 4.4.

Ingevolge artikel 6.3 wordt een vergoedingsverzoek afgewezen indien niet is voldaan aan artikel 4.4.

Ingevolge artikel 9, aanhef en onder u, voor zover hier van belang, kan een grond voor toewijzing van het vergoedingsverzoek gelegen zijn in ontslag op grond van een beëindigingsovereenkomst. Bij een ontslag als bedoeld in deze bepaling dient, indien sprake was van een vast dienstverband, het bevoegd gezag te voldoen aan de inspanningsverplichting van bovenvermelde categorie IV-A.

2.2. De arbeidsovereenkomst tussen de stichting en [werknemer] is per 1 december 2009 ontbonden met een beëindigingsovereenkomst. Het betreft een ontslag uit een vast dienstverband. Dit ontslag heeft de stichting bij het Participatiefonds gemeld en daarbij heeft zij verzocht om de uit het ontslag voortvloeiende kosten ten laste van het Participatiefonds te laten komen.

Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 30 maart 2010 heeft het Participatiefonds dit verzoek afgewezen, omdat niet is voldaan aan onderdeel 4 van de inspanningsverplichting van categorie IV-A. Weliswaar is in de vaststellingsovereenkomst tussen de stichting en [werknemer] een aanbod van outplacement vervat, doch de vereiste offerte van een outplacementbureau is niet overlegd, aldus het Participatiefonds. Volgens hem heeft de stichting voorts evenmin voldaan aan de onderdelen 1 en 3 van de inspanningsverplichting van categorie IV-A.

2.3. De stichting betoogt dat het Participatiefonds ten onrechte heeft aangenomen dat zij niet heeft voldaan aan de inspanningsverplichting van categorie IV-A dat een aanbod van outplacement moet worden gedaan. Zij voert aan dat de artikelen 4.4. en 9, aanhef en onder u, van het Reglement niet vereisen dat dit uitsluitend kan worden bewezen door een offerte van outplacementbureau over te leggen. Volgens de stichting heeft zij een toereikend aanbod tot outplacement vervat in de vaststellingsovereenkomst.

2.3.1. Uit artikel 4.4.1, gelezen in verbinding met artikel 4.4, volgt dat met betrekking tot outplacement als bewijsstuk wordt geaccepteerd een afschrift van de brief aan betrokkene waarin het aanbod tot het inschakelen van een outplacementbureau wordt gedaan, in combinatie met een afschrift van een door een outplacementbureau uitgebrachte offerte. De eis tot het overleggen van een offerte is met ingang van het jaar 2009-2010 in het Reglement opgenomen. Zoals voorts in artikel 4.4.1 is vermeld, wordt op deze wijze de meeste zekerheid verkregen dat het inderdaad een reëel en substantieel aanbod van outplacement betreft. Niet in geschil is dat de stichting geen offerte heeft overgelegd.

Voor zover de stichting al zou moeten worden gevolgd in het betoog dat uit de vaststellingsovereenkomst zou kunnen blijken dat zij een reëel en substantieel aanbod van outplacement heeft gedaan, leidt het niet tot een ander oordeel. Het Participatiefonds heeft zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat de stichting niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij een aanbod in vorenbedoelde zin heeft gedaan, omdat uit de vaststellingsovereenkomst blijkt dat het aan [werknemer] ter beschikking gestelde bedrag van maximaal € 1.500,00 naast outplacement ook kan worden aangewend voor bijscholing, training of loopbaanbegeleiding en voorts dit bedrag niet toereikend is om te kunnen komen tot een reëel en substantieel aanbod, nu, zoals ter zitting door het Participatiefonds onweersproken is gesteld, de kosten van outplacement dat bedrag ruimschoots overstijgen. Dat [werknemer], naar door de stichting is gesteld, zich niet tot een outplacementbureau heeft gewend, laat onverlet dat de stichting gehouden was tot het doen van een reëel en substantieel aanbod van outplacement.

Het betoog faalt.

2.4. De stichting betoogt dat het Participatiefonds haar ten onrechte heeft tegengeworpen dat zij evenmin heeft voldaan aan de onderdelen 1 en 3 van categorie IV. Dit betoog faalt, nu ingevolge artikel 4.4 de verplichting tot het aanbieden van outplacement de onderdelen 1 en 3 kan vervangen en de stichting niet heeft bestreden dat zij niet heeft voldaan aan de onderdelen 1 en 3.

2.5. Het beroep is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Poot

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2011

362-710.