Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU1637

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-10-2011
Datum publicatie
26-10-2011
Zaaknummer
201102226/1/H4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 januari 2011 heeft het college aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een varkenshouderij met co-vergistingsinstallatie op het perceel [locatie] te Alphen. Dit besluit is op 8 januari 2011 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2011/68 met annotatie van Van der Meijden
JOM 2012/83
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201102226/1/H4.

Datum uitspraak: 26 oktober 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de vereniging Vereniging ABC Milieugroep, gevestigd te Baarle-Nassau, en anderen,

2. [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]), wonend te Alphen, gemeente Alphen-Chaam,

en

het college van burgemeester en wethouders van Alphen-Chaam (hierna: het college),

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 januari 2011 heeft het college aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een varkenshouderij met co-vergistingsinstallatie op het perceel [locatie] te Alphen. Dit besluit is op 8 januari 2011 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben ABC Milieugroep en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 februari 2011, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 februari 2011, beroep ingesteld. ABC Milieugroep en anderen hebben hun beroep aangevuld bij brief van 16 maart 2011. [appellant sub 2] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 18 maart 2011.

Het college heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 oktober 2011, waar [appellant sub 2], vertegenwoordigd door mr. V. Wösten, is verschenen.

2. Overwegingen

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)

2.1. Op 1 oktober 2010 is de Wabo in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het in de Invoeringswet Wabo opgenomen overgangsrecht volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding.

Ontvankelijkheid

2.2. Het college betoogt dat het beroep van [appellant sub 2] niet-ontvankelijk is, voor zover het de grond betreft dat het college niet het bevoegd gezag is met betrekking tot de inrichting, nu deze grond door [appellant sub 2] niet in zijn zienswijze over het ontwerp van het bestreden besluit naar voren is gebracht.

2.2.1. De vraag of het college bevoegd was het bestreden besluit te nemen, moet de Afdeling ambtshalve bij haar beoordeling betrekken. Reeds hierom faalt het betoog van het college.

Bevoegdheid college

2.3. [appellant sub 2] voert aan dat het college niet het bevoegd gezag is met betrekking tot de inrichting. Volgens hem is, gelet op de omvang van de aangevraagde opslag en verwerking van afvalstoffen ten behoeve van de co-vergistingsinstallatie, het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant het bevoegd gezag.

2.3.1. Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder afvalstoffen verstaan: alle stoffen, preparaten of producten die behoren tot de categorieën die zijn genoemd in bijlage I bij richtlijn nr. 2006/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 betreffende afvalstoffen, waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen.

Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer zijn burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen, bevoegd te beslissen op de aanvraag om een vergunning, behoudens in gevallen als bedoeld in het tweede, het derde en het vierde lid.

Ingevolge het tweede lid, voor zover hier van belang, kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat ten aanzien van daarbij aangewezen categorieën van inrichtingen gedeputeerde staten van de provincie waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen bevoegd zijn te beslissen op de aanvraag om een vergunning.

Ingevolge artikel 3.1 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (hierna: het Ivb) zijn gedeputeerde staten van de provincie waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen, bevoegd te beslissen op de aanvraag om een vergunning ten aanzien van inrichtingen die behoren tot een categorie die daartoe in bijlage I is aangewezen.

Ingevolge categorie 28, onderdeel 28.4, aanhef en onder a, onder 6°, van bijlage I van het Ivb zijn gedeputeerde staten het bevoegd gezag ten aanzien van inrichtingen, behorende tot deze categorie, voor zover het inrichtingen betreft voor het opslaan van andere dan de onder 1° tot en met 5° genoemde van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen met een capaciteit ten aanzien daarvan van 1.000 m3 of meer.

Ingevolge categorie 28, onderdeel 28.4, aanhef en onder c, onder 1°, van bijlage I van het Ivb zijn gedeputeerde staten het bevoegd gezag ten aanzien van inrichtingen, behorende tot deze categorie, voor zover het inrichtingen betreft voor het ontwateren, microbiologisch of anderszins biologisch of chemisch omzetten, agglomereren, deglomereren, mechanisch, fysisch of chemisch scheiden, mengen, verdichten of thermisch behandelen - anders dan verbranden - van van buiten de inrichting afkomstige huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen met een capaciteit ten aanzien daarvan van 15.000.000 kg per jaar of meer.

2.3.2. Het college stelt zich op het standpunt dat de aangevraagde opslagcapaciteit voor van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen 999 m3 bedraagt, zodat categorie 28, onderdeel 28.4, onder a, onder 6°, van bijlage I van het Ivb niet van toepassing is. Ook categorie 28, onderdeel 28.4, onder c, onder 1°, is volgens het college niet van toepassing, omdat volgens het college in de co-vergistingsinstallatie per jaar 5.000 ton vloeibare co-producten wordt verwerkt en daarnaast 11.600 ton vaste co-producten, waarvan minimaal 7.000 ton bestaat uit gras en maïs. Volgens het college zijn gras en maïs geen afvalstoffen, zodat per jaar maximaal 9.600 ton van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen wordt verwerkt.

2.3.3. Aangevraagd is de verwerking van circa 5.000 ton vloeibare co-producten en circa 11.600 ton vaste co-producten per jaar. Blijkens de aanvraag gaat het steeds om stoffen van de zogenoemde positieve lijst die in een vergister mogen worden verwerkt. Bij de vloeibare co-producten gaat het volgens de bij de aanvraag behorende notitie 'Hoogendonk BV, Droge vergister in Alphen' onder meer om productresten uit de levensmiddelenindustrie. Over de vaste co-producten is in deze notitie vermeld dat het onder andere om gras en maïs gaat. Volgens de 'Aanmeldingsnotitie voor de beoordeling M.E.R.-plicht voor het uitbreiden van een vleesvarkenshouderij' gaat het bij de vaste co-producten om landbouwgewassen en organische restproducten uit de voedingsmiddelenindustrie, zoals maïs, tarwe en groenteafval.

2.3.4. Ten minste een deel van de vloeibare en vaste co-producten die volgens de aanvraag in de inrichting kunnen worden verwerkt, zijn residuen van productieprocessen in de voedingsmiddelenindustrie. Niet gebleken is dat beoogd is deze residuen te produceren als grondstof voor het vergistingsproces. Geoordeeld moet worden dat de leveranciers van deze residuen zich daarvan ontdoen of moeten ontdoen als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, zodat deze stoffen afvalstoffen zijn.

Uit de notitie 'Hoogendonk BV, Droge vergister in Alphen' volgt, anders dan het college stelt, niet dat de vaste co-producten voor ten minste 7.000 ton uit gras en maïs bestaan, nog daargelaten dat niet gebleken is dat het door het college genoemde gras en maïs geen afvalstoffen zijn. De aanvraag bevat geen beperkingen met betrekking tot het aandeel van een bepaalde stof in de totale hoeveelheid vloeibare co-producten of de totale hoeveelheid vaste co-producten. Nu de aanvraag in zoverre geen beperkingen bevat, moet ervan worden uitgegaan dat vergunning is gevraagd voor het verwerken van in totaal 16.600 ton van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen per jaar, zodat op de aangevraagde inrichting categorie 28, onderdeel 28.4, onder c, onder 1°, van bijlage I van het Ivb van toepassing is. Reeds daarom is het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant het bevoegd gezag.

2.3.5. De vloeibare co-producten worden blijkens de aanvraag en de daarbij behorende stukken opgeslagen in een betonnen bak van 999 m3. De vaste co-producten worden gelost in een stort- of losbunker met een inhoud van circa 80 m3. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat de totaal aangevraagde opslagcapaciteit voor van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen meer bedraagt dan de in categorie 28, onderdeel 28.4, onder a, onder 6°, van bijlage I van het Ivb genoemde hoeveelheid van 1000 m3, zodat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant ook daarom het bevoegd gezag is. De Afdeling ziet overigens geen aanleiding om in dit verband, zoals [appellant sub 2] betoogt, ook de bij de co-vergistingsinstallatie behorende hydrolysesilo's als opslagvoorzieningen voor van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen aan te merken. Daartoe overweegt de Afdeling dat hydrolyse blijkens de aanvraag en de daarbij behorende stukken een voorbehandeling is en de eerste fase van het vergistingsproces.

2.3.6. Nu het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant het bevoegd gezag is, is het bestreden besluit in strijd met artikel 8.2, eerste en tweede lid, van de Wet milieubeheer, in samenhang met artikel 3.1 en bijlage I van het Ivb, onbevoegd genomen.

Slotoverwegingen

2.4. Het beroep van [appellant sub 2] is gegrond. Aangezien de Afdeling de vraag of het college bevoegd was het bestreden besluit te nemen ambtshalve bij haar beoordeling moet betrekken, is ook het beroep van ABC Milieugroep en anderen gegrond. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking.

2.5. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Alphen-Chaam van 4 januari 2011;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Alphen-Chaam tot vergoeding van bij de vereniging Vereniging ABC Milieugroep en anderen in verband met de behandeling van hun beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Alphen-Chaam tot vergoeding van bij [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B] in verband met de behandeling van hun beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

IV. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Alphen-Chaam aan de vereniging Vereniging ABC Milieugroep en anderen het door hen voor de behandeling van hun beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 302,00 (zegge: driehonderdtwee euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Alphen-Chaam aan [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B] het door hen voor de behandeling van hun beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.P.J.M. van Grinsven, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Van Grinsven

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2011

462.