Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU1633

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-10-2011
Datum publicatie
26-10-2011
Zaaknummer
200908192/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 september 2009, no. 1551039/1575771, heeft het college besloten over de goedkeuring van het door het gemeentebestuur bij besluit van 8 juni 2009 vastgestelde wijzigingsplan "Bestemmingsplan Buitengebied '98, 25e wijziging" (hierna: het wijzigingsplan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200908192/1/R3.

Datum uitspraak: 26 oktober 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Reusel, gemeente Reusel-De Mierden,

2. het college van burgemeester en wethouders (hierna: het gemeentebestuur) van Reusel-De Mierden,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 september 2009, no. 1551039/1575771, heeft het college besloten over de goedkeuring van het door het gemeentebestuur bij besluit van 8 juni 2009 vastgestelde wijzigingsplan "Bestemmingsplan Buitengebied '98, 25e wijziging" (hierna: het wijzigingsplan).

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 oktober 2009, en het gemeentebestuur bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 oktober 2009, beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 oktober 2011, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door mr. W. Krijger, werkzaam bij Krijger Advies, het gemeentebestuur, vertegenwoordigd door G. Linden en J.K.J. Boon, en het college, vertegenwoordigd door drs. P.J.M. Aertsen, zijn verschenen. Voorts is daar als partij gehoord [belanghebbende], vertegenwoordigd door mr. T. van den Berg, advocaat te Eindhoven.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan kan worden gewijzigd binnen bij het plan te bepalen grenzen. Bij het besluit omtrent goedkeuring van het wijzigingsplan dient het college te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven wijzigingsvoorwaarden is voldaan. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de WRO gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) rust daarnaast op het college de taak te onderzoeken of het plan binnen de bij het bestemmingsplan bepaalde grenzen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens heeft het college erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. In het bestemmingsplan "Buitengebied 1998" (hierna: het bestemmingsplan) heeft het perceel [locatie] te Reusel (hierna: het perceel) de bestemming "Agrarisch gebied met landschapswaarden", alsmede de bestemming "Agrarisch bouwblok", aangeduid met de code "A".

Ingevolge artikel 10, lid 10.5.1, voor zover thans van belang, van de voorschriften van dat plan is het college van burgemeester en wethouders bevoegd om de bestemming "Agrarisch gebied met landschapswaarden" te wijzigen ten behoeve van de vergroting of vormverandering van een op plankaart 2 als zodanig aangegeven "Agrarisch bouwblok" met inachtneming van onder meer de bepaling dat voor zover de vergroting betrekking heeft op een agrarisch bouwvlak met de code "A", de oppervlakte van een bouwvlak na vergroting in totaal nooit meer mag gaan bedragen dan 1.25 x de oppervlakte van het bouwvlak, zoals dit is aangegeven op plankaart 2, met dien verstande dat de oppervlakte van het bouwvlak na wijziging in ieder geval nooit meer mag gaan bedragen dan 2 ha.

2.3. Het wijzigingsplan voorziet met toepassing van de bevoegdheid uit artikel 10, lid 10.5.1, van de voorschriften van het bestemmingsplan in een vergroting van het bestaande bouwvlak op het perceel van 1,5 ha tot een bouwvlak van 1,86 ha.

2.4. Het college heeft goedkeuring onthouden aan het wijzigingsplan omdat het gemeentebestuur bij de uitbreiding van het bouwvlak de feitelijke situatie niet heeft meegenomen, waardoor de totale oppervlakte van het bouwvlak mogelijk groter kan worden dan aanvaardbaar is. Hierdoor worden mogelijk de provinciale belangen geschaad. Het college stelt zich op het standpunt dat onvoldoende is gemotiveerd of een uitbreiding van het bouwvlak noodzakelijk is, mede gelet op het provinciale beleid inzake zuinig ruimtegebruik. Voorts stelt het college dat in het wijzigingsplan geen aandacht is besteed aan de duurzaamheid van de locatie.

2.5. [appellant sub 1], exploitant van een legkippenbedrijf op het perceel, en het gemeentebestuur betogen dat het college ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan het wijzigingsplan. Daartoe voeren zij aan dat de ruimtelijke afweging voor de in de planvoorschriften opgenomen wijzigingsbevoegdheid reeds heeft plaatsgevonden bij de vaststelling en de goedkeuring van het bestemmingsplan en dat het college slechts dient te toetsen aan de in het bestemmingsplan opgenomen wijzigingsvoorwaarden. Toetsing aan het provinciale beleid mag er volgens hen niet toe leiden dat de rechtszekerheid teniet wordt gedaan door van de voorwaarden uit het bestemmingsplan af te wijken.

Voorts voeren zij aan dat, gelet op de datering van het verzoek om uitbreiding van het bouwvlak, het door het college in de besluitvorming betrokken Reconstructieplan Beerze-Reusel (hierna: het reconstructieplan) niet van toepassing is.

[appellant sub 1] en het gemeentebestuur voeren verder aan dat uitbreiding van het bouwvlak noodzakelijk is vanwege technische voorzieningen en milieueisen. Volgens hen is de vrees van het college dat de uitbreiding van het bouwvlak in de toekomst zou kunnen leiden tot een toename van gebouwen binnen het bouwvlak ongegrond. Nieuwe gebouwen mogen slechts worden opgericht nadat de noodzaak daarvan is aangetoond en advies is ingewonnen bij de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen.

2.5.1. In de besluitvorming omtrent de goedkeuring van het wijzigingsplan dient het college niet alleen na te gaan of aan de in het bestemmingsplan opgenomen voorwaarden voor planwijziging is voldaan, maar dient het ook na te gaan of, gelet op alle betrokken belangen, de uitbreiding van het bouwvlak binnen de bestemming waarop de wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft, gerechtvaardigd is. Dit brengt met zich dat het college alle feiten en omstandigheden die zich tot aan het nemen van het besluit omtrent goedkeuring van het wijzigingsplan hebben voorgedaan, in aanmerking kan nemen. Anders dan [appellant sub 1] en het gemeentebestuur betogen, vergt het besluit omtrent de goedkeuring van een wijzigingsplan een nadere ruimtelijke afweging die niet slechts beperkt is tot de toets of aan de wijzigingsvoorwaarden is voldaan.

Het college is bevoegd om bij zijn beslissing het op dat moment geldende provinciale beleid te betrekken. Ten tijde van het besluit omtrent goedkeuring stond het geldende provinciale beleid onder meer in de Interimstructuurvisie Noord-Brabant, Brabant in Ontwikkeling, de Paraplunota ruimtelijke ordening, het reconstructieplan en de Correctieve herziening van het reconstructieplan. Het betoog dat het reconstructieplan niet van toepassing is, kan niet worden gevolgd.

2.5.2. Het bedrijf van [appellant sub 1] is een intensieve veehouderij in een zogenoemd verwevingsgebied.

Vast staat dat op 13 juli 1998 een bouwvergunning is verleend voor de bouw van een loods ten behoeve van het bedrijf. Bij de vaststelling van het bestemmingsplan op 31 augustus 1998 is de locatie van de loods buiten het bouwvlak voor het bedrijf gelaten. Ook in het wijzigingsplan is de loods niet voorzien van een bouwvlak. Verder staat vast dat de loods bij de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid niet is meegerekend bij het bepalen van de oppervlakte van het bouwvlak. Voorts is ter zitting komen vast te staan dat het bouwvlak groter wordt dan 2 ha indien de loods en de uitbreiding van het bouwvlak die met het wijzigingsplan wordt beoogd, in een nieuw vast te stellen bestemmingsplan worden voorzien van een bouwvlak voor het gehele bedrijf.

Uit paragraaf 2.2.3 van de correctieve herziening volgt dat in verwevingsgebieden voorzichtig wordt omgegaan met uitbreidingen van intensieve veehouderijen. Indien sprake is van een duurzame locatie is uitbreiding tot maximaal 2,5 ha toegestaan, voor zover nodig, gezien de beoogde bedrijfsomvang en -opzet. Of een locatie duurzaam is, wordt getoetst aan de handleiding duurzame locaties en duurzame projectlocaties voor de intensieve veehouderij, die als bijlage bij het reconstructieplan is gevoegd. Deze duurzaamheidstoets sluit aan bij het beleid inzake zuinig ruimtegebruik en het terugdringen van verstening in het buitengebied, zoals dit wordt beschreven in de Interimstructuurvisie en de Paraplunota. De duurzaamheidstoets is niet voorafgaand aan de vaststelling van het wijzigingsplan uitgevoerd.

Gelet op dit beleid heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het in strijd is met een goede ruimtelijke ordening om de wijzigingsbevoegdheid uit het bestemmingsplan zo toe te passen dat het eindresultaat voor het betrokken bedrijf is dat feitelijk een bouwvlak van meer dan 2 ha ontstaat, zonder dat een duurzaamheidstoets is uitgevoerd.

2.6. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1] en het gemeentebestuur hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het wijzigingsplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen zijn ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en drs. W.J. Deetman en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Taal, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Taal

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2011

350-662.