Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU1630

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-10-2011
Datum publicatie
26-10-2011
Zaaknummer
201106829/2/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 april 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Gezondheidscentrum Westerbork" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201106829/2/R4.

Datum uitspraak: 21 oktober 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker] en anderen, allen wonend te Westerbork, gemeente Midden-Drenthe,

en

de raad van de gemeente Midden-Drenthe,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 april 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Gezondheidscentrum Westerbork" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [verzoeker] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 juni 2011, beroep ingesteld.

In deze brief hebben [verzoeker] en anderen tevens de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [belanghebbende] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 11 oktober 2011, waar [verzoeker] en anderen, van wie [gemachtigde] in persoon, bijgestaan door A.G. van Kempen, en de raad, vertegenwoordigd door mr. T.K. van Hoek-Postma, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord [belanghebbende], bijgestaan door S. Schilder.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het plan voorziet in de uitbreiding van een bestaand gezondheidscentrum met ongeveer 350 m² aan de Groeneweg 3 te Westerbork. [verzoeker] en anderen wonen direct grenzend aan het plangebied.

2.3. [verzoeker] en anderen betogen dat de raad het plan ten onrechte heeft vastgesteld en beogen met hun verzoek onomkeerbare gevolgen van inwerkingtreding hiervan te voorkomen. Zij voeren onder meer aan dat hun woon- en leefklimaat onevenredig wordt aangetast. Daarbij wijzen zij met name op het verlies aan uitzicht als gevolg van de op korte afstand van hun perceelsgrenzen voorziene uitbreiding van het gezondheidscentrum. In dit verband voeren zij tevens aan dat de uitbreiding van het gezondheidscentrum, gelet op de bouwmassa, niet in de omgeving past.

2.3.1. De raad voert aan dat het gezondheidscentrum staat in een zogenoemd gemengd gebied, nu het aan de noordkant is omringd door bosgebied en aan de zuidkant door woningen en bedrijven en dat de uitbreiding goed in deze omgeving past.

2.3.2. De voorzitter overweegt dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. De maximale goot- en bouwhoogte van de uitbreiding van het hoofdgebouw binnen het bouwvlak mogen 6 m onderscheidenlijk 7,5 m bedragen, met een afwijkingsmogelijkheid van 10%. De woning op het perceel Zandhoeklaan 16 staat op een afstand van ongeveer 15 m en de woning op het perceel Zandhoeklaan 20 staat op een afstand van ongeveer 10 m tot het bouwvlak van de uitbreiding. Niet in geschil is dat het plan zal leiden tot enige aantasting van het huidige uitzicht van [verzoeker] en anderen, maar gelet op de tussengelegen schuur op het perceel Zandhoeklaan 18 en het reeds aanwezige gezondheidscentrum heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen sprake zal zijn van een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van [verzoeker] en anderen.

2.3.3. Wat betreft het betoog van [verzoeker] en anderen dat de voorziene uitbreiding niet in de omgeving past, overweegt de voorzitter, gelet op de maximaal toegestane goot- en bouwhoogte en het karakter van de omgeving, dat voorshands geen aanleiding voor het oordeel bestaat dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de voorziene uitbreiding wat betreft de omvang en hoogte past in de omgeving.

2.4. Voorts voeren [verzoeker] en anderen aan dat het aantal benodigde parkeerplaatsen niet voldoende is onderbouwd en dat dit aantal, gelet op de beschikbare ruimte op eigen terrein, niet kan worden gerealiseerd.

2.4.1. De raad stelt dat, daargelaten de vraag of er daadwerkelijk behoefte is aan de op basis van de CROW-normen berekende 49 parkeerplaatsen, op het perceel aan de Groeneweg 3 voldoende ruimte beschikbaar is voor de aanleg van dit aantal parkeerplaatsen, waarbij tevens rekening is gehouden met een aantal invalidenparkeerplaatsen.

2.4.2. [verzoeker] en anderen hebben naar het oordeel van de voorzitter niet aannemelijk gemaakt dat niet in redelijkheid bij de gebruikelijke CROW-normen kan worden aangesloten. Evenmin is door hen aannemelijk gemaakt dat het aantal parkeerplaatsen, gegeven de ruimte op het perceel buiten het bouwvlak, niet kan worden aangelegd.

2.5. [verzoeker] en anderen voeren verder aan dat de raad de ingediende zienswijze op onbehoorlijke wijze terzijde heeft gelegd en dat er ten onrechte geen mogelijkheid was deze zienswijze nader te onderbouwen. Voorts is het plan in strijd met de Structuurvisie Westerbork 2009-2020 vastgesteld, aldus [verzoeker] en anderen. Zij betogen verder dat de raad ten onrechte geen exploitatieplan heeft vastgesteld en ten onrechte geen besluit in de zin van artikel 6.12, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening heeft genomen.

De voorzitter ziet in deze beroepsonderdelen, voor zover ontvankelijk, geen aanleiding voor het oordeel dat er zodanige gebreken aan het plan kleven, dat deze in de hoofdzaak tot de conclusie zullen leiden dat het plan reeds hierom niet in stand zal kunnen blijven.

2.6. Gelet op het voorgaande dient het verzoek te worden afgewezen.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R. Kegge, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Kegge

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2011

459-709.