Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU1624

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-10-2011
Datum publicatie
26-10-2011
Zaaknummer
201107600/2/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 maart 2011 heeft het college een besluit omtrent hogere waarden verleend.

Bij besluit van 23 mei 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "HaVep-terrein" vastgesteld.

Bij besluit van 6 juni 2011 heeft het college een omgevingsvergunning voor het bouwen van 120 woningen in het plangebied verleend.

Op deze besluiten is door de raad de coördinatieregeling, als bedoeld in artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), van toepassing verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201107600/2/R3.

Datum uitspraak: 20 oktober 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te Tilburg,

en

1. de raad van de gemeente Tilburg,

2. het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 maart 2011 heeft het college een besluit omtrent hogere waarden verleend.

Bij besluit van 23 mei 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "HaVep-terrein" vastgesteld.

Bij besluit van 6 juni 2011 heeft het college een omgevingsvergunning voor het bouwen van 120 woningen in het plangebied verleend.

Op deze besluiten is door de raad de coördinatieregeling, als bedoeld in artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), van toepassing verklaard.

Tegen voormelde besluiten heeft [verzoeker] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 juli 2011, beroep ingesteld.

Bij deze brief heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 28 september 2011, waar de raad, vertegenwoordigd door mr. L. van Grinsven en ing. K. van Riel, beiden werkzaam bij de gemeente, en [belanghebbende], vertegenwoordigd door P.J. Benes, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het plan voorziet in de aanleg van een nieuwe woonwijk op het voormalige bedrijfsterrein van het textielbedrijf Havep in het zuiden van Tilburg. Op de gronden met de bestemming "Woongebied" worden bij recht 153 grondgebonden woningen mogelijk gemaakt. Op de gronden met de bestemming "Wonen -uit te werken", zijn, na uitwerking, 197 grondgebonden en/of gestapelde woningen voorzien.

De omgevingsvergunning heeft betrekking op het bouwen van 120 grondgebonden woningen op de gronden met de bestemming "Woongebied". Voor de in het plan voorziene woningen zijn ingevolge artikel 110a van de Wet geluidhinder hogere waarden verleend.

2.3. [verzoeker] betoogt dat de raad het plan ten onrechte heeft vastgesteld en dat het college ten onrechte het besluit omtrent hogere waarden heeft genomen en de omgevingsvergunning heeft verleend.

Hij beoogt met zijn verzoek onomkeerbare gevolgen te voorkomen. Daartoe voert hij onder meer aan dat ten onrechte geen verkeerscirculatieplan voor het gehele stadsdeel Oud-Zuid is opgesteld en dat hierover geen inspraak is geboden. Verder stelt hij dat geen planschaderisicoanalyse is gemaakt, waardoor de financiële uitvoerbaarheid niet inzichtelijk is. Voorts betoogt hij dat de ontsluiting van de voorziene woonwijk niet afdoende is geregeld, nu de Oude Goirleseweg niet geschikt is als ontsluitingsweg en er problemen zullen ontstaan bij het reeds maximaal belaste kruispunt met de Ringbaan Zuid. Ten onrechte is geen nader onderzoek verricht naar de verkeersgevolgen. Tot slot stelt hij dat bij het verlenen van de hogere waarden ten onrechte is uitgegaan van te lage verkeersintensiteiten.

2.4. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan terecht is vastgesteld en het college stelt dat de omgevingsvergunning en het besluit omtrent hogere waarden terecht is verleend dan wel genomen.

De raad voert aan dat in overeenstemming met het gemeentelijke beleid burgerparticipatie over het plan en de daarbij behorende verkeersgevolgen heeft plaatsgevonden. Voor een planschaderisicoanalyse was volgens de raad geen aanleiding, nu het vorige bestemmingsplan voor de betrokken gronden voorzag in een bedrijfsbestemming en ter bepaling van de mogelijke planschade een vergelijking zal worden gemaakt tussen het vorige en het nieuwe plan. Gelet hierop is het risico op aanzienlijke planschade volgens de raad klein. Ten aanzien van de verkeersgevolgen van het plan op de Oude Goirleseweg en het kruispunt met de Ringbaan Zuid stelt de raad dat deze gevolgen zijn onderzocht en dat uit dit onderzoek volgt dat door het treffen van maatregelen een aanvaardbare verkeerssituatie kan worden gegarandeerd, zonder dat het kruispunt ernstig wordt belast met extra verkeer.

2.5. Ten aanzien van het betoog van [verzoeker] over de burgerparticipatie met betrekking tot een verkeerscirculatieplan voor het gehele stadsdeel Oud-Zuid wordt overwogen dat door de raad is besloten dat, naast het reeds in het kader van het plan verrichte verkeersonderzoek, een dergelijk verkeerscirculatieplan niet hoeft te worden opgesteld. De voorzitter acht dit niet onredelijk. Voorts maakt inspraak, zoals de bedoelde burgerparticipatie, geen deel uit van de in de Wro vervatte bestemmingsplanprocedure en kunnen eventuele gebreken ten aanzien van inspraak dan ook niet leiden tot schorsing van het bestemmingsplan.

2.5.1. In het betoog dat door de raad ten onrechte geen planschaderisicoanalyse is gemaakt ziet de voorzitter evenmin aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening, nu daartoe geen wettelijke verplichting bestaat. Wel dient de raad, gelet op artikel 3.1.6, eerste lid, onder f, van het Besluit ruimtelijke ordening, inzicht te bieden in de financiële uitvoerbaarheid van het plan en daarbij spelen de kosten van mogelijke planschade een rol. In dit geval heeft de raad er terecht op gewezen dat in dat kader een vergelijking zal worden gemaakt tussen het vorige en het huidige planologische regime en heeft de raad zich naar het voorlopig oordeel van de voorzitter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet aannemelijk is dat, gelet op het vorige plan, zodanige planschade zal ontstaan dat geen van de bij de planschadeovereenkomst betrokken partijen de mogelijke schade kan dragen en dat de financiële uitvoerbaarheid niet is verzekerd.

2.5.2. Ten aanzien van de voorziene ontsluiting van de woonwijk overweegt de voorzitter dat het plan voorziet in een wegenstructuur, waar de Oude Goirleseweg deel van uitmaakt, die aansluit op de Ringbaan Zuid. Uit het rapport "Verkeersanalyse Havep-terrein Tilburg" van 11 april 2008 van het onderzoeksbureau "Goudappel Coffeng" en de daarop ter zitting gegeven toelichting volgt dat door het treffen van verkeersmaatregelen, zoals het invoeren van eenrichtingsverkeer vanaf de Oude Goirleseweg richting de wijk, een ernstige verslechtering van de verkeerssituatie op het kruispunt van deze weg met de Ringbaan Zuid kan worden voorkomen. [verzoeker] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het onderzoeksrapport zodanige gebreken vertoont dat de raad zich hier niet op heeft mogen baseren en dat het plan in de weg staat aan genoemde verkeersmaatregelen. Dat uit dit rapport volgt dat de ontwikkelingen in het gehele stadsdeel Oud-Zuid en de verkeersgevolgen hiervan op een gegeven moment in een breder verband zullen moeten worden bekeken, betekent niet dat de raad dit plan met de voorziene ontsluiting niet heeft mogen vaststellen, nu naar het voorlopig oordeel van de voorzitter als gevolg hiervan geen onaanvaardbare verkeersgevolgen zullen ontstaan.

2.5.3. Voor zover [verzoeker] zich richt tegen het besluit omtrent hogere waarden, overweegt de voorzitter dat dit besluit geen betrekking heeft op zijn woning aan de [locatie]. Daargelaten de vragen of [verzoeker] een rechtstreeks belang heeft bij dit besluit, dan wel dat artikel 1.9 van de Crisis- en herstelwet in de weg staat aan vernietiging van dit besluit op basis van de bezwaren van [verzoeker], overweegt de voorzitter dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat bij het verlenen van de hogere waarden is uitgegaan van onjuiste verkeersintensiteiten.

2.6. In het voorgaande en hetgeen [verzoeker] ook overigens heeft aangevoerd ziet de voorzitter geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek dient te worden afgewezen.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R. Kegge, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Kegge

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2011

459-656.