Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU1620

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-10-2011
Datum publicatie
26-10-2011
Zaaknummer
201102819/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij gezamenlijk besluit van 4 augustus 2009 hebben de burgemeester en het college, ieder voor zover bevoegd, geweigerd [appellant] een exploitatievergunning onderscheidenlijk een drank- en horecavergunning te verlenen ten behoeve van [horecabedrijf] in Ell, gemeente Leudal.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201102819/1/H3.

Datum uitspraak: 26 oktober 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Weert,

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 31 januari 2011 in zaak nr. 10/723 in het geding tussen:

[appellant]

en

de burgemeester van Leudal en het college van burgemeester en wethouders van Leudal.

1. Procesverloop

Bij gezamenlijk besluit van 4 augustus 2009 hebben de burgemeester en het college, ieder voor zover bevoegd, geweigerd [appellant] een exploitatievergunning onderscheidenlijk een drank- en horecavergunning te verlenen ten behoeve van [horecabedrijf] in Ell, gemeente Leudal.

Bij gezamenlijk besluit van 20 april 2010 hebben de burgemeester en het college, ieder voor zover bevoegd, het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 31 januari 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 maart 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 11 april 2011.

De burgemeester en het college hebben een verweerschrift ingediend.

Tot de stukken die deel uitmaken van het dossier behoren twee adviezen van het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: het Bureau bibob) van 14 april 2009 en 13 mei 2011. Op 30 mei 2011 heeft de Afdeling, gelet op het bepaalde in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), gelezen in verbinding met artikel 28 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: de Wet bibob), beperking van de kennisneming van beide adviezen gerechtvaardigd geoordeeld. [appellant] heeft de Afdeling vervolgens toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 oktober 2011, waar [appellant], bijgestaan door mr. I.P. Sigmond, advocaat te Heerlen, en de burgemeester en het college, vertegenwoordigd door mr. C.E.J.M. Janssen, werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door mr. P.J.W.M. Theunissen, advocaat te Roermond, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet bibob kunnen bestuursorganen, voor zover zij bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om:

a. uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of

b. strafbare feiten te plegen.

Ingevolge het tweede lid wordt, voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, betreft, de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:

a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten als bedoeld in het eerste lid, onder a,

b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,

c. de aard van de relatie en

d. de grootte van de verkregen of te verkrijgen voordelen.

Ingevolge het derde lid wordt, voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, betreft, de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:

a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven,

b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,

c. de aard van de relatie en

d. het aantal van de gepleegde strafbare feiten.

Ingevolge het vierde lid staat de betrokkene in relatie tot strafbare feiten als bedoeld in het tweede en derde lid, indien:

a. hij deze strafbare feiten zelf heeft begaan,

b. […], of

c. een ander deze strafbare feiten heeft gepleegd en deze persoon direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over, vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan betrokkene, of in een zakelijk samenwerkingsverband tot hem staat.

Ingevolge het vijfde lid vindt de weigering dan wel intrekking, bedoeld in het eerste lid, slechts plaats indien deze evenredig is met:

a. de mate van het gevaar en

b. voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, onder b, betreft, de ernst van de strafbare feiten.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, kan een gemeentelijke vergunning die op grond van een verordening verplicht is gesteld voor een inrichting of bedrijf, door het college van burgemeester en wethouders respectievelijk de burgemeester, voor zover het een krachtens het tweede lid aangewezen inrichting of bedrijf betreft, worden geweigerd dan wel ingetrokken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3.

Ingevolge het tweede lid, voor zover thans van belang, worden op voordracht van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de minister van Justitie bij algemene maatregel van bestuur inrichtingen of bedrijven aangewezen ten aanzien waarvan het wenselijk is dat, voordat een beslissing als bedoeld in het eerste lid wordt genomen, door het Bureau een advies kan worden uitgebracht.

Ingevolge artikel 8 is er een Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, voor zover thans van belang, heeft het Bureau tot taak aan bestuursorganen, voor zover deze bij of krachtens de wet de bevoegdheid hebben gekregen het Bureau daartoe te verzoeken, desgevraagd advies uit te brengen over de mate van gevaar, bedoeld in artikel 3, eerste lid.

Ingevolge artikel 4, aanhef en onder a, van het Besluit bibob worden als inrichtingen als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wet bibob, aangewezen inrichtingen waarin bedrijfsmatig, in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of anders dan om niet, logies wordt verstrekt, dranken worden geschonken, of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden verstrekt.

Ingevolge artikel 3 van de Drank- en Horecawet is het verboden zonder daartoe strekkende vergunning van burgemeester en wethouders het horecabedrijf of slijtersbedrijf uit te oefenen.

Ingevolge artikel 27, derde lid, kan een vergunning worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bibob.

Ingevolge het vierde lid kan, voordat toepassing wordt gegeven aan het derde lid, het Bureau, bedoeld in artikel 8 van de Wet bibob, om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd.

Ingevolge artikel 2:28 van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Leudal 2009 (hierna: de APV) is het verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

2.2. De burgemeester en het college hebben zich op het standpunt gesteld dat [appellant] geen belang meer heeft bij het verkrijgen van de aangevraagde vergunningen, omdat het café waarvoor deze vergunningen zijn aangevraagd in ieder geval sinds 1 januari 2011 gehuurd wordt door [belanghebbende].

Voor zover zij hiermee beogen aan te voeren dat [appellant] geen belang heeft bij het door hem ingestelde hoger beroep, volgt de Afdeling hen niet. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, heeft [appellant] belang bij een inhoudelijk oordeel over de rechtmatigheid van het besluit van 20 april 2010, reeds omdat hij heeft verzocht om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand die hij in verband met de behandeling van het bezwaar heeft gemaakt.

2.3. De burgemeester en het college hebben aan de weigering om [appellant] een exploitatievergunning onderscheidenlijk een drank- en horecavergunning te verlenen een advies van het Bureau bibob van 14 april 2009 ten grondslag gelegd. In dat advies is geconcludeerd dat er ernstig gevaar bestaat dat de aangevraagde vergunningen mede zullen worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen op geld waardeerbare voordelen te benutten, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet bibob, alsmede om strafbare feiten te plegen, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van die wet. Deze conclusie steunt in overwegende mate op bevindingen aangaande het strafrechtelijk verleden van [de broer] van [appellant], en op diens vermoedelijke actuele betrokkenheid bij handelen in strijd met de Opiumwet. Volgens het advies bestaat tussen [appellant] en [de broer] een zakelijk samenwerkingsverband.

2.4. [appellant] betoogt, samengevat weergegeven, dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat de burgemeester en het college op basis van het advies van 14 april 2009 mochten concluderen dat ernstig gevaar bestaat als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Wet bibob. In het bijzonder betwist hij dat de in het advies neergelegde bevindingen aangaande [de broer] voldoende steun bieden voor de opvatting dat deze zich na 1999 schuldig heeft gemaakt aan handelen in strijd met de Opiumwet.

2.4.1. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar de vaste rechtspraak van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 20 juli 2011 in zaak nr. 200909931/1/H3), terecht overwogen dat een bestuursorgaan, gelet op de deskundigheid van het Bureau bibob, in beginsel van het advies van dat bureau mag uitgaan. Dit neemt niet weg dat het zich ervan moet vergewissen dat het advies en het daartoe ingestelde onderzoek naar de feiten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en dat de feiten de conclusies kunnen dragen. Dat is bijvoorbeeld niet het geval indien de feiten voor de conclusies te weinig of te weinig directe aanwijzingen bieden of omdat ze in verschillende richtingen wijzen, onderling tegenstrijdig zijn of niet stroken met hetgeen overigens bekend is.

2.4.2. De rechtbank heeft overwogen dat de burgemeester en het college op grond van de bevindingen, neergelegd in het advies van 14 april 2009, hebben mogen concluderen dat in ieder geval ten tijde van de aanvraag tussen [appellant] en [de broer] een zakelijk samenwerkingsverband bestond. [appellant] heeft in hoger beroep tegen dit oordeel van de rechtbank geen gronden aangevoerd, zodat de Afdeling van de juistheid van dat oordeel uitgaat. Dit betekent, zoals ook de rechtbank heeft overwogen, dat [appellant] ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder c, van de Wet bibob in relatie staat tot de aan [de broer] toe te rekenen strafbare feiten, zodat de burgemeester en het college die strafbare feiten mochten betrekken bij de besluitvorming over de vergunningverlening.

2.4.3. Aan de conclusie dat ernstig gevaar bestaat dat de vergunningen mede zullen worden gebruikt om strafbare feiten te plegen, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet bibob, heeft het Bureau bibob in overwegende mate ten grondslag gelegd dat [de broer] op 26 mei 2000 is veroordeeld wegens het in bezit hebben en verhandelen van harddrugs in de periode 1998-1999 en dat er aanwijzingen zijn die in ernstige mate doen vermoeden dat hij vanaf 1996, met uitzondering van de periode dat hij in detentie was, structureel althans herhaaldelijk de Opiumwet heeft overtreden, onder meer door zowel in het verleden als meer recent vanuit een café in harddrugs te handelen. Aan dat vermoeden zijn een veroordeling uit 2003 wegens ontvoering, een politiemutatie van 13 april 2004, een politiemutatie van 29 november 2006 en informatie van de Criminele Inlichtingeneenheid (hierna: CIE) van 2 maart 2009 ten grondslag gelegd.

Anders dan [appellant] betoogt, kunnen de politiemutaties en de CIE-informatie over [de broer] niet slechts een belangrijke ondersteuning vormen voor een ernstig vermoeden als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Wet bibob, indien die informatie heeft geleid tot veroordelingen of transacties dan wel opsporings- en vervolgingsacties. Wel kan, zoals de rechtbank onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2008 in zaak nr. 200705100/1 terecht heeft overwogen, dergelijke informatie slechts in combinatie met andere feiten en omstandigheden die in dezelfde richting wijzen voldoende grond opleveren voor zulk een vermoeden, aangezien de betrouwbaarheid en relevantie van dergelijke informatie niet met zekerheid kan worden vastgesteld.

Door de onherroepelijke veroordeling uit 2000 staat vast dat [de broer] in het verleden in harddrugs heeft gehandeld. Daarnaast wijst ook de veroordeling wegens ontvoering uit 2003 in die richting. De rechtbank heeft in dat verband terecht overwogen dat het Bureau bibob, onder verwijzing naar verklaringen van getuigen en van [de broer] uit het strafdossier, toereikend heeft gemotiveerd dat die ontvoering vermoedelijk een drugsgerelateerde achtergrond had. In de politiemutaties uit 2004 en 2006 wordt melding gemaakt van drugshandel vanuit de voormalige woning van [de broer] en vanuit [Café], een ander café van [appellant], waar [de broer] destijds werkte. In de CIE-informatie uit 2009 wordt vermeld dat [de broer] vanaf 2006 in het register zware criminaliteit voorkomt wegens verdenking van betrokkenheid bij drugshandel. Tevens wordt in deze CIE-informatie vermeld dat via een informant in februari 2009 informatie is ontvangen dat [de broer] toestaat dat in [Café] harddrugs worden verhandeld. De politiemutaties en de CIE-informatie wijzen in dezelfde richting en liggen in het verlengde van de eerste veroordeling en de vermoedelijke achtergrond van de tweede veroordeling. Gelet hierop is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat het Bureau bibob de politiemutaties en de CIE-informatie mede mocht betrekken bij de gronden voor het vermoeden als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Wet bibob, temeer nu deze informatie door de CIE als betrouwbaar is aangemerkt.

2.4.4. De Afdeling is voorts met de rechtbank van oordeel dat de politiemutaties en de CIE-informatie, bezien in samenhang met de twee veroordelingen, voldoende steun bieden aan het door het bureau geconstateerde ernstige vermoeden dat [de broer] ook na de veroordeling uit 2000 in strijd met de Opiumwet heeft gehandeld. Aangezien de strafbare feiten deels zijn gepleegd bij de exploitatie van een ander café van [appellant], heeft het Bureau bibob zich tevens op het standpunt mogen stellen dat de strafbare feiten samenhangen met de activiteiten waarvoor de vergunningen zijn aangevraagd. Dit geldt temeer nu een café een goede mogelijkheid biedt om in drugs te handelen.

Ingevolge artikel 3, derde lid, aanhef en onder d, van de Wet bibob diende voorts het aantal van de gepleegde strafbare feiten te worden betrokken bij de vaststelling van de mate van het gevaar. In dat verband heeft het Bureau bibob zich op het standpunt mogen stellen dat op basis van de bevindingen het ernstige vermoeden bestaat dat [de broer] gedurende een langere periode structureel, althans herhaaldelijk, de Opiumwet heeft overtreden.

Gelet op het voorgaande kunnen de in het advies van 14 april 2009 neergelegde bevindingen de conclusie dragen dat ernstig gevaar bestaat dat de door [appellant] aangevraagde vergunningen mede gebruikt zullen worden voor handelen in strijd met de Opiumwet. Aangezien deze conclusie reeds voldoende grond oplevert voor het standpunt dat ernstig gevaar bestaat dat de aangevraagde vergunningen mede zullen worden gebruikt om strafbare feiten te plegen, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet bibob, kan in het midden blijven of tevens gevaar bestaat dat de vergunningen mede zullen worden gebruikt om geweldsdelicten in het café te plegen.

2.4.5. Gelet op het voorgaande is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat de burgemeester en het college op het advies van 14 april 2009 mochten afgaan en zich op het standpunt mochten stellen dat ernstig gevaar bestond dat de vergunningen mede zouden worden gebruikt om strafbare feiten te plegen, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet bibob. De rechtbank heeft eveneens terecht overwogen dat de burgemeester en het college bevoegd waren om de aangevraagde vergunningen op die grond te weigeren. Anders dan [appellant] betoogt is de Afdeling voorts met de rechtbank van oordeel dat de burgemeester en het college in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik konden maken, gezien de ernst van het gevaar en de ernst van de strafbare feiten.

2.4.6. Aangezien de burgemeester en het college de vergunningen reeds mochten weigeren op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet bibob, behoeft hetgeen [appellant] aanvoert met betrekking tot artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet bibob, geen bespreking.

2.4.7. Het betoog faalt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. D. Roemers en mr. A. Hammerstein, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.G. Biharie, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. Biharie

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2011

611.