Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU1618

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-10-2011
Datum publicatie
26-10-2011
Zaaknummer
201102893/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 december 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Hessenweg 2010" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201102893/1/R3.

Datum uitspraak: 26 oktober 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Detailconsult Supermarkten B.V., gevestigd te Amsterdam,

appellante,

en

de raad van de gemeente De Bilt,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 december 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Hessenweg 2010" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft Detailconsult bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 maart 2011, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Detailconsult heeft nadere stukken ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Looydijk B.V. een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 september 2011, waar Detailconsult, vertegenwoordigd door drs. M.C.J. Romijn, bijgestaan door mr. M.J. Woodward, advocaat te Rotterdam, en de raad, vertegenwoordigd door C.W. de Rooij, werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door mr. H.M.F.F. Verbeet, werkzaam bij Royal Haskoning en ing. R. Snijders, werkzaam bij Grontmij Nederland B.V., zijn verschenen. Voorts is daar als partij gehoord Looydijk B.V., vertegenwoordigd door ing. R.A.G. van Tiel, bijgestaan door mr. E.H.M. Harbers, advocaat te Nijmegen.

2. Overwegingen

Ontvankelijkheid

2.1. Detailconsult betoogt dat de plandelen die liggen binnen de 200 m brede geluidzone rond het Doctor Letteplein in strijd met de Wet geluidhinder en artikel 3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) zijn vastgesteld, nu er geen volledig akoestisch onderzoek is verricht naar de geluidszone die van rechtswege geldt langs het Doctor Letteplein en de daaromtrent wel beschikbare stukken ten onrechte niet ter inzage zijn gelegd.

2.1.1. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) kan door een belanghebbende bij de Afdeling beroep worden ingesteld tegen een besluit als het aan de orde zijnde.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.1.2. Niet in geschil is dat het door Detailconsult bedoelde akoestisch onderzoek uitsluitend betrekking heeft op de plandelen binnen de 200 m brede geluidszone rond het Doctor Letteplein in het uiterste noorden van het plangebied. De supermarkt van Detailconsult bevindt zich op het perceel aan de Hessenweg 88, dat op ongeveer 500 m afstand van deze bestaande weg ligt. Gelet op deze afstand is de Afdeling van oordeel dat Detailconsult niet wordt geraakt in een rechtstreeks bij evenbedoelde plandelen betrokken belang. Voorts heeft zij geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat desondanks een objectief en eigen belang van haar rechtstreeks door het besluit over deze plandelen wordt geraakt. De conclusie is dat Detailconsult ten aanzien van de plandelen die liggen binnen de 200 m brede geluidzone rond het Doctor Letteplein geen belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2 van de Awb is, zodat zij daartegen ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro, geen beroep kan instellen.

2.2. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wro, gelezen in samenhang met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, voor zover dit beroep de vaststelling van plandelen, planregels of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het ontwerpplan naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden. Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij ter zake geen zienswijze naar voren heeft gebracht.

2.2.1. Wat betreft het betoog van Detailconsult ter zitting dat in het plan, voor zover het betreft alle plandelen met de bestemming "Centrum", ten onrechte geen begrenzing is neergelegd ten aanzien van de toegestane oppervlakte ten behoeve van supermarkten, overweegt de Afdeling dat, voor zover dit betoog niet ziet op het plandeel met de bestemming "Centrum" ter plaatse van de Looydijk, Detailconsult deze plandelen niet heeft bestreden in de zienswijze. Evenmin doet de omstandigheid zich voor dat Detailconsult redelijkerwijs niet kan worden verweten dat zij ter zake geen zienswijze naar voren heeft gebracht.

2.3. Het beroep van Detailconsult is, voor zover gericht tegen de plandelen met de bestemming "Centrum", hierbij niet inbegrepen het plandeel met de bestemming "Centrum" ter plaatse van de Looydijk, en voor zover gericht tegen de plandelen die liggen binnen de 200 m brede geluidzone rond het Doctor Letteplein, niet-ontvankelijk.

Goede procesorde

2.4. Ter zitting heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat het door Detailconsult ingebrachte nader rapport "Verkeerskundige beoordeling bestemmingsplan Hessenweg, De Bilt" (hierna: nader rapport Verkeerskundige beoordeling) van 26 augustus 2011, opgesteld door AGV-Movares, en de second opinion "Centrum De Bilt Hessenweg" (hierna: second opinion) van 26 augustus 2011, opgesteld door WPM Planontwikkeling B.V., wegens strijd met een goede procesorde buiten beschouwing dienen te worden gelaten.

2.4.1. Het nader rapport Verkeerskundige beoordeling en de second opinion zijn ingekomen op 29 augustus 2011 en daarmee elf dagen voor de zitting ingediend. Er is naar het oordeel van de Afdeling voldoende tijd geweest om hierop inhoudelijk te kunnen reageren, hetgeen de raad ook heeft gedaan. Daarbij is in aanmerking genomen dat bedoelde stukken met name een bespreking geven van de door de raad aan het plan ten grondslag gelegde onderzoeken en van beperkte omvang zijn. Derhalve bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het nader rapport Verkeerskundige beoordeling en de second opinion wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing moeten blijven.

Het plan

2.5. Het plan beslaat een gebied langs de Hessenweg. Voor zover ontvankelijk, richt het beroep van Detailconsult, exploitant van een supermarkt aan die weg, zich tegen de plandelen met de bestemming "Centrum" en "Verkeer - Verblijfsgebied" met de aanduiding "parkeerterrein" ter plaatse van de Looydijk. Deze plandelen voorzien in de herontwikkeling van detailhandel alsmede maximaal 41 woningen, een ondergrondse parkeerkelder en een parkeerterrein.

2.6. Detailconsult betoogt dat het plan ten onrechte niet in de parkeergelegenheid voorziet die nodig is als gevolg van de ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt op het plandeel met de bestemming "Centrum" ter plaatse van de Looydijk. Hiertoe voert zij aan dat in het plan niet wordt voldaan aan de gehanteerde parkeernorm, waarbij de raad ten onrechte aan de onderkant van de CROW-bandbreedte heeft aangesloten. Niet in alle gevallen kan zonder meer worden aangesloten bij de CROW-richtlijnen, aldus Detailconsult. De gehanteerde parkeernorm per woning is tevens te laag nu de raad ten onrechte is uitgegaan van de norm die past bij goedkope woningen. Niet vast staat welk type woningen wordt gerealiseerd. Evenmin is in het plan een verplichting opgelegd dat de parkeerplaatsen in de parkeergarage worden gebruikt door de bewoners en is niet uit te sluiten dat ook ten behoeve van andere voorzieningen en doelgroepen de parkeerplaatsen zullen worden gebruikt. Verder zal de regionale aantrekkingskracht door de schaalvergroting van de supermarkt worden vergroot, waardoor de parkeerbehoefte ook zal toenemen. Ter onderbouwing van dit betoog verwijst Detailconsult naar het nader rapport Verkeerskundige beoordeling.

2.6.1. De raad betoogt dat in het kader van de vaststelling van de aanduiding "parkeerterrein (p)" voor het plandeel met de bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied" door Grondmij Nederland B.V. het "Verkeersonderzoek herontwikkeling Albert Heijn" (hierna: Verkeersonderzoek) van 29 oktober 2010 is verricht, waaruit volgt dat het plandeel met de bestemming "Centrum" ter plaatse van de Looydijk geen negatieve gevolgen heeft voor het parkeren.

2.6.2. Ingevolge artikel 5, lid 5.1, van de planregels, voor zover hier van belang, zijn de voor "Centrum" aangewezen gronden bestemd voor:

a. detailhandel, uitsluitend op de begane grond;

(…)

d. wonen, uitsluitend op de verdiepingen;

(…)

inclusief bijbehorende:

(…)

j. parkeervoorzieningen.

(…)

Ingevolge artikel 11, lid 11.1, aanhef en onder c, voor zover hier van belang, zijn de voor "Verkeer - Verblijfsgebied" aangewezen gronden mede bestemd voor parkeervoorzieningen.

2.6.3. Het oppervlak van het bouwvlak binnen de bestemming "Centrum" ter plaatse van de Looydijk is ongeveer 3.300 m². Omdat het gehele bouwvlak bebouwd mag worden, is het maximale toegestane bruto vloeroppervlak (hierna: bvo) voor detailhandel daaraan gelijk.

2.6.4. De Afdeling overweegt dat het niet onredelijk is dat de raad zich heeft aangesloten bij bovenstaande CROW-richtlijnen, nu De Bilt met ongeveer 42.000 inwoners, waarvan ongeveer 10.500 in de kern, kan worden aangeduid als een matig stedelijke zone. Hierbij passen volgens de CROW-richtlijnen 2,5 tot 4 parkeerplaatsen per 100 m² bvo en 1,2 tot 1,7 parkeerplaatsen per woning, afhankelijk van de prijsklasse van de woningen. Niet valt in te zien dat de raad niet in redelijkheid een parkeernorm van 3 parkeerplaatsen per 100 m² bvo en 1,5 parkeerplaatsen per woning heeft mogen hanteren. Deze norm ligt boven het gemiddelde van de CROW-bandbreedte. Het standpunt van Detailconsult dat de raad ten onrechte is uitgegaan van woningen uit het goedkope segment is feitelijk onjuist. Detailconsult heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat de bewoners van de 41 woningen die, zoals de raad onweersproken heeft gesteld, deze plaatsen zelf bekostigen, geen gebruik zullen maken van de parkeerplaatsen in de parkeergarage. Evenmin is door haar aannemelijk gemaakt dat de regionale aantrekkingskracht door de schaalvergroting van de bestaande supermarkt zodanig is, dat slechts een parkeernorm aan de bovenkant van de bandbreedte zou aansluiten op de toekomstige situatie ter plaatse.

Uitgaande van deze gehanteerde parkeernorm, zouden ten gevolge van de ontwikkeling van de in het geding zijnde plandelen in totaal ongeveer 160 parkeerplaatsen ten behoeve van de hierboven genoemde ontwikkeling moeten worden gerealiseerd. Hoewel Detailconsult terecht stelt dat het plan niet geheel voldoet aan de gehanteerde parkeernorm, nu het plan volgens de plantoelichting ongeveer 115 parkeerplaatsen op het perceel met de bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied" en 41 parkeerplaatsen op het perceel met de bestemming "Centrum" ter plaatse van de Looydijk mogelijk maakt, heeft de raad dit tekort acceptabel mogen achten, nu het volgens het Verkeersonderzoek in de praktijk, alleen tijdens de koopavonden, om een tekort gaat van enkele parkeerplaatsen. Het betoog faalt.

2.7. Detailconsult betoogt voorts dat het plandeel met de bestemming "Centrum" ter plaatse van de Looydijk in strijd met de Provinciale Visie Detailhandel (hierna: PVD) en het Regionaal StructuurPlan 2005-2015 (hierna: RSP) is vastgesteld. Hiertoe voert zij aan dat de supermarkt als gevolg van de toegestane uitbreiding is getransformeerd tot een omvang die alleen buiten het centrum past. Daarnaast is geen onderzoek gedaan naar de gevolgen van die schaalvergroting van de supermarkt voor de detailhandelsstructuur, waardoor niet valt uit te sluiten dat de bestaande structuur in De Bilt wordt ontwricht.

2.7.1. De raad betoogt dat er behoefte bestaat aan een vergroting van het areaal detailhandelsruimte met een breder en gevarieerder aanbod van producten. Daarnaast stelt de raad dat er geen substantiële vergroting van het bvo van de supermarkt plaatsvindt. Van een duurzame ontwrichting van de detailhandelsstructuur is, gelet op het door MKB Reva opgesteld ruimtelijk-economisch onderzoek, geen sprake. Het verzorgingsgebied van de supermarkt wordt bovendien niet uitgebreid.

2.7.2. Voor zover Detailconsult betoogt dat in strijd met de PVD is gehandeld, wordt overwogen dat de raad niet gebonden is aan het provinciale beleid. Wel dient de raad daarmee rekening te houden, hetgeen betekent dat dit beleid in de belangenafweging dient te worden betrokken.

Niet in geschil is dat het PVD een vestiging met een bvo van 1.500 m² of meer als grootschalig kwalificeert. Een dergelijke vestiging dient op grond van het PVD zo veel mogelijk aan te sluiten bij bestaande detailhandelsconcentraties en mag geen ontwrichting van de detailhandelsstructuur tot gevolg hebben.

Het plandeel met de bestemming "Centrum" ter plaatse van de Looydijk maakt een grootschalige supermarkt mogelijk. Nu een beperking van het bvo voor een supermarkt ontbreekt in de planregels is, anders dan de raad heeft gesteld, ter plaatse een bvo van 3.300 m² ten behoeve van een supermarkt mogelijk. Als gevolg van de in het plan mogelijk gemaakte uitbreiding valt niet uit te sluiten dat overaanbod in de levensmiddelenbranche ontstaat, nu de supermarkt thans een bvo van ongeveer 1.500 m² heeft. Enige omzetdaling en overaanbod in een branche brengen evenwel als zodanig geen duurzame ontwrichting van de voorzieningenstructuur met zich. Voor de vraag of sprake is van een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau komt geen doorslaggevende betekenis toe aan de vraag of sprake is van overaanbod in het verzorgingsgebied en mogelijke sluiting van bestaande detailhandelsvestigingen, maar is het doorslaggevende criterium of voor de inwoners van een bepaald gebied een voldoende voorzieningenniveau behouden blijft in die zin dat zij op een aanvaarbare afstand van hun woonplaats hun dagelijkse inkopen kunnen doen. Gelet op het ter zake door MKB Reva opgesteld ruimtelijk-economisch onderzoek, alsmede gezien de omstandigheid dat in het PVD uitdrukkelijk rekening is gehouden met een uitbreiding van 2.000 m² van het winkelaanbod in het centrum van De Bilt, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat van een duurzame ontwrichting van de detailhandelsstructuur geen sprake is en daarmee voldoende rekening is gehouden met het provinciale beleid.

2.7.3. In het RSP wordt het plangebied aangeduid als "historische dorpskern", hetgeen wordt gedefinieerd als een centrummilieu met een hoge graad van functiemenging, echter in compacte en kleinschalige eenheden. Het RSP kwalificeert een vestiging met een bvo van 1.500 m² of meer als grootschalig. De raad heeft echter niet ten onrechte gesteld dat de compacte en kleinschalige eenheden in het licht van het RSP op regionaal schaalniveau moeten worden bezien. Voorts is in dit kader van belang dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat met de gegeven vergroting van het bvo de toekomstwaarde van het winkelcentrum wordt vergroot en de ontwikkeling daarmee bijdraagt aan de continuïteit van de historische dorpskern. Gelet hierop heeft de raad in redelijkheid in het gestelde in het RSP geen beletsel hoeven te zien voor de vaststelling van het plan.

2.8. Voorts betoogt Detailconsult dat met betrekking tot de in de nabijheid van het plangebied gelegen LPG-tankstation aan de Ambachtstraat 8a een gedegen onderzoek ten aanzien van de externe veiligheid ontbreekt.

2.8.1. Naar aanleiding van de gemotiveerde betwisting door de raad dat er sprake is van een LPG-tankstation, heeft Detailconsult ter zitting uitsluitend gesteld dat zij niet kan uitsluiten dat ter plaatse ook LPG wordt verkocht. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het standpunt van de raad onjuist is. Het betoog faalt.

2.9. Voorts betoogt Detailconsult dat ten onrechte geen of onvolledig onderzoek is verricht naar de luchtkwaliteit. Hiertoe voert zij aan dat de uitvoerparameters en de rekenresultaten ontbreken.

2.9.1. De raad heeft, aan de hand van het door de Milieudienst Zuidoost-Utrecht op basis van de toegelaten rekenmethode Stacks+uitgevoerde onderzoek, gesteld dat ter plaatse wordt voldaan aan alle ter zake geldende grenswaarden. In hetgeen Detailconsult heeft gesteld ziet de Afdeling geen reden om te oordelen dat de raad niet op dit onderzoek heeft mogen afgaan. Het betoog faalt.

2.10. Voor zover Detailconsult in het beroepschrift betoogt dat ten onrechte geen of onvolledig onderzoek is verricht naar de waterbergende capaciteit in het plangebied, overweegt de Afdeling dat deze beroepsgrond gelijkluidend is aan de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. Detailconsult heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Het betoog faalt.

Conclusie

2.11. In hetgeen Detailconsult, voor zover ontvankelijk, heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover bestreden, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. Gelet hierop behoeft het betoog van de raad dat artikel 1.9 van de Crisis- en herstelwet gedeeltelijk aan de vernietiging van dat besluit in de weg staat geen bespreking meer.

Proceskosten

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het betreft de plandelen met de bestemming "Centrum", hierbij niet inbegrepen het plandeel met de bestemming "Centrum" ter plaatse van de Looydijk, en voor zover het betreft de plandelen die liggen binnen de 200 m brede geluidzone rond het Doctor Letteplein;

II. verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van staat.

w.g. Hoekstra w.g. Matulewicz

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2011

45-709.