Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU1613

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-10-2011
Datum publicatie
26-10-2011
Zaaknummer
201101539/1/H1 en 201101795/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 oktober 2007 heeft het college aan [belanghebbende] vrijstelling verleend voor het bouwen van 49 woningen met ondergrondse parkeergarage op een binnenterrein dat begrensd wordt door de Putstraat, Pullestraat en Fort Sanderboutwal te Sittard (hierna: het project).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201101539/1/H1 en 201101795/1/H1.

Datum uitspraak: 26 oktober 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellant sub 1], en

2. [appellant sub 2],

beiden wonend te Sittard, gemeente Sittard-Geleen,

tegen de uitspraken van de rechtbank Maastricht van 22 december 2010 in zaken nrs. 09/1520 en 09/1550 in de gedingen tussen:

1. [appellant sub 1], en

2. [appellant sub 2]

en

het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 oktober 2007 heeft het college aan [belanghebbende] vrijstelling verleend voor het bouwen van 49 woningen met ondergrondse parkeergarage op een binnenterrein dat begrensd wordt door de Putstraat, Pullestraat en Fort Sanderboutwal te Sittard (hierna: het project).

Bij besluit van 14 januari 2008 heeft het college aan [belanghebbende] ten behoeve van het bouwplan een bouwvergunning verleend.

Bij gelijkluidende besluiten van 21 juli 2009 heeft het college de door [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [bezwaarmaakster] en anderen daartegen gemaakte bezwaren gedeeltelijk gegrond verklaard en de bepalingen van het bestemmingsplan waarmee het project in strijd is en waarvoor vrijstelling wordt verleend, uitgebreid. Voor het overige heeft het college de bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraken van 22 december 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank de door [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [bezwaarmaakster] en anderen daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard en de besluiten van 21 juli 2009 vernietigd. Deze uitspraken zijn aangehecht.

Tegen deze uitspraken hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 januari 2011, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 februari 2011, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Bij gelijkluidende besluiten van 22 februari 2011, verzonden op 28 februari 2011, heeft het college de bezwaren, onder aanvulling van de motivering, opnieuw gedeeltelijk gegrond en voor het overige ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben [bezwaarmaakster] en anderen bij brief, ingekomen bij de rechtbank op 8 april 2011, beroep ingesteld. De rechtbank heeft dit beroep op 11 mei 2011 ter behandeling door de Afdeling aan de Raad van State doorgezonden.

[appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben elk nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaken ter zitting gevoegd behandeld op 1 augustus 2011, waar [appellant sub 1] en [vennoot] van [bezwaarmaakster], bijgestaan door mr. drs. M.W.M. Pennings, advocaat te Beek, en [appellant sub 2], bijgestaan door mr. J.H.M. Verjans, en het college, vertegenwoordigd door J.F.M. Giesen en W.P.J. Faworek, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar [belanghebbende], vertegenwoordigd door [senior projectontwikkelaar], gehoord.

De Afdeling heeft het onderzoek ter zitting geschorst.

Bij brief van 2 augustus 2011 heeft het college op verzoek van de Afdeling nadere informatie verstrekt. De andere partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Met toestemming van partijen heeft de Afdeling bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. De Afdeling heeft de beide hoger beroepen vanwege de onderlinge samenhang gevoegd.

2.2. [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat in het besluit op bezwaar ten onrechte is uitgegaan van een ruimere maatvoering van het projectgebied dan in de ruimtelijke onderbouwing van de vrijstelling, om te kunnen voldoen aan het voorschrift inzake bebouwingsdichtheid.

[appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan in strijd is met artikel 11, tweede lid, onder d, van de planvoorschriften.

2.2.1. Het project, genaamd Engelenhof, is grotendeels voorzien op gronden, waaraan in het bestemmingsplan "Binnenstad, deel 3" (hierna: het bestemmingsplan) de bestemming "Woondoeleinden" is toegekend en voor een klein gedeelte op gronden met de bestemmingen "C1" en "Tuin".

Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan zijn de gronden met de bestemming "Woondoeleinden" bestemd voor woningen met de daarbij behorende voorzieningen waaronder tuinen, kleine bouwwerken voor doeleinden van openbaar nut, voor openbare wegen en openbaar groen, alsmede voor andere bouwwerken, welke qua aard en afmeting bij deze bestemming passen, een en ander in overeenstemming met de schoonheid en het karakter van het stadsgezicht.

Ingevolge het tweede lid gelden de volgende voorschriften met betrekking tot de gronden met de bestemming "Woondoeleinden":

a. de woonbebouwing mag uitsluitend bestaan uit woningen in maximaal

3 bouwlagen;

b. de goothoogte moet minimaal 3 m en mag maximaal 8 m bedragen;

c. de bebouwingsdichtheid moet minimaal 50 woningen en mag maximaal 130 woningen per hectare bedragen;

d. minimaal 40% zal en maximaal 60% van de gronden mag worden gebruikt voor openbaar groen en/of verkeersdoeleinden.

2.2.2. In het aangevoerde is geen grond te vinden voor het oordeel dat het college in het besluit op bezwaar voor de beoordeling of aan artikel 11, tweede lid, onder c, van de planvoorschriften wordt voldaan, van een onjuiste omvang van het projectgebied is uitgegaan. Het college heeft voor de beoordeling of wordt voldaan aan de voorgeschreven bebouwingsdichtheid terecht de omvang van de gronden met de bestemming "Woondoeleinden" als uitgangspunt genomen. Het betoog van [appellant sub 2] faalt.

Het betoog van [appellant sub 1], dat niet wordt voldaan aan artikel 11, tweede lid, onder d, van de planvoorschriften, is niet onderbouwd en faalt reeds hierom.

2.3. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de rechtbank haar oordeel dat de brandveiligheid voldoende is gewaarborgd ten onrechte mede heeft gebaseerd op het brandveiligheidsrapport van 20 april 2007. Zij stellen dat dit rapport gebrekkig is, omdat daarin geen rekening is gehouden met de nabijheid van hun panden.

2.3.1. Geen grond bestaat voor het oordeel dat de rechtbank haar oordeel dat de brandveiligheid voldoende is gewaarborgd niet mede heeft mogen baseren op het brandveiligheidsrapport van Koumans&Partners van 20 april 2007. In het brandveiligheidsrapport is de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (WBDBO) in hetzelfde gebouw en naar naastgelegen gebouwen onderzocht. In het rapport is onder meer de situatie doorgerekend van woonblok B, als brandcompartiment, naar woonblok A, dat op 4 m afstand van woonblok B is gesitueerd. Daarbij is geconcludeerd dat de weerstand tegen brandoverslag ten minste 60 minuten bedraagt, zodat wordt voldaan aan de eisen van het Bouwbesluit 2003. Dit is door [appellant sub 2] en [appellant sub 1] niet bestreden. Ter zitting is komen vast te staan dat de kortste afstand tussen de percelen van [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en het dichtstbijgelegen woonblok B eveneens ongeveer 4 m bedraagt. Hieruit volgt dat het college de conclusie van het brandveiligheidsrapport ook op hun situatie heeft kunnen toepassen. De gestelde omstandigheid dat het rapport geen berekening van de weerstand tegen branddoorslag van de garage naar hun panden bevat, leidt niet tot het oordeel dat de rechtbank de brandveiligheid niet voldoende gewaarborgd heeft kunnen achten. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat aan de bouwvergunning uitgebreide voorwaarden zijn verbonden ter preventie van brand, waaronder in de garage.

De betogen falen.

2.4. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat zij als gevolg van de voorziene parkeergarage geluidsoverlast zullen ondervinden en voeren in dat kader aan dat het akoestisch rapport van 29 november 2005 gebreken vertoont.

Voorts stellen zij dat de rechtbank heeft miskend dat zij als gevolg van de parkeergarage wateroverlast zullen ondervinden.

2.4.1. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar het door Grontmij Nederland b.v. opgestelde akoestisch rapport "Nieuwbouw Sittard Pullestraat-Putstraat, Akoestisch onderzoek parkeergarage conform Wet milieubeheer" van 29 november 2005, terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de voorziene parkeergarage voor [appellant sub 1] en [appellant sub 2] onaanvaardbare geluidsoverlast teweeg zal brengen, gelet op de voor het project geldende milieuvoorschriften. In het door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] aangevoerde is voorts geen grond te vinden voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet gebleken is dat het akoestisch rapport zodanige onvolkomenheden bevat dat het college het niet aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen.

2.4.2. In de ruimtelijke onderbouwing is uitvoerig ingegaan op de gevolgen van het project voor de waterhuishouding en op de te nemen maatregelen om wateroverlast te voorkomen. Ter zitting is door het college in dit verband gesteld dat buiten het projectgebied een bezinkingsvoorziening ten behoeve van de afvoer van het hemelwater, dat op de te bebouwen gronden terecht komt, zal worden aangelegd in de aan de historische binnenstad grenzende schootsvelden. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben niet aannemelijk gemaakt dat, ondanks de te nemen maatregelen en in verband daarmee aan de bouwvergunning verbonden voorwaarden, ten gevolge van de parkeergarage wateroverlast zal ontstaan op hun percelen. De rechtbank heeft terecht geen grond gevonden voor een ander oordeel.

De betogen falen.

2.5. [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat het college bij de ruimtelijke onderbouwing van het project geen onderzoek naar de bevolkingskrimp heeft verricht. Hij voert aan dat volgens de Woonmilieuvisie westelijke mijnstreek de benadering "een woning erbij, een woning eraf" geldt.

2.5.1. Het college heeft onweersproken gesteld dat eerst vanaf 2010 dient te worden getoetst aan de gemeentelijke Woonmilieuvisie, waaronder de "een woning erbij, een woning eraf"-benadering. De rechtbank heeft in de omstandigheid dat niet is getoetst aan de Woonmilieuvisie daarom terecht geen grond gevonden de ruimtelijke onderbouwing van het project onvoldoende te achten.

Het betoog faalt.

2.6. [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank bij de beoordeling van de belangenafweging ten onrechte woonblok A en niet woonblok B als uitgangspunt heeft genomen. Woonblok B is dichter bij zijn perceel gesitueerd en telt meer bouwlagen, aldus [appellant sub 1].

2.6.1. Blijkens de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank bij de beoordeling van de door het college gemaakte afweging van belangen tevens de gevolgen van woonblok B voor het pand van [appellant sub 1] betrokken.

Het betoog mist daarom feitelijke grondslag en faalt derhalve.

2.7. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat realisering van het project een ernstige aantasting van hun privacy ten gevolge zal hebben, nu ter plaatse onder meer gebouwen met zeven bouwlagen zijn voorzien. Voorts voeren zijn aan dat is miskend dat realisering van het project een onevenredige vermindering van zonlicht op hun panden en percelen tot gevolg zal hebben.

2.7.1. Blijkens de bouwtekeningen wordt bij vier van de zeven voorziene woonblokken afgeweken van het maximaal toegestane aantal van drie bouwlagen en bij vijf van de zeven van de maximaal toegestane goothoogte van 8 m. De goothoogte van woonblok B, dat zich het dichtst bij de percelen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] bevindt, bedraagt 9,5 m en het aantal bouwlagen vijf, waarvan zich twee in de kapconstructie bevinden. Het bestemmingsplan bevat geen begrenzing van de nokhoogte, noch van de dakhelling.

De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat het project bij [appellant sub 1] en [appellant sub 2] weliswaar enige beperking van zon- en daglichttoetreding en privacy teweeg zal brengen, maar dat het college in die beperking in redelijkheid geen aanleiding heeft behoeven te zien de gevraagde vrijstelling niet te verlenen. Geen grond bestaat voor het oordeel dat de rechtbank het aantal voorziene bouwlagen niet bij haar beoordeling van de invloed van het project op de percelen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] heeft betrokken. Zij heeft bij die beoordeling terecht in aanmerking genomen dat het bestemmingsplan op de kadastrale perceelsgrens woningbouw mogelijk maakt, die een vergelijkbare aantasting van de privacy met zich zou brengen. Voorts heeft zij terecht in aanmerking genomen dat sprake is van een binnenstedelijke omgeving, waarin bewoners rekening moeten houden met enige beperkingen in het woongenot, zoals vermindering van privacy en het optreden van meer schaduwwerking dan in een niet binnenstedelijke situatie.

De betogen falen.

2.8. [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte het welstandsadvies ten grondslag heeft gelegd aan zijn conclusie dat het project voldoet aan redelijke eisen van welstand. Daartoe voert hij aan dat het welstandsadvies onzorgvuldig tot stand is gekomen, aangezien de Paardestraat daarin ten onrechte niet kenbaar bij de beoordeling is betrokken.

2.8.1. Uit de enkele omstandigheid dat de Paardestraat in het welstandsadvies niet uitdrukkelijk wordt genoemd, kan niet worden afgeleid dat de welstandscommissie deze straat niet heeft betrokken bij haar beoordeling of het project in verband met de omgeving in strijd met redelijke eisen van welstand moet worden geacht. Die omstandigheid kan niet worden aangemerkt als een zodanig gebrek dat het college het welstandsadvies van 19 juni 2007 niet aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen. De rechtbank heeft terecht geen grond gevonden voor een ander oordeel.

Het betoog faalt.

2.9. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het project in onvoldoende parkeerplaatsen voorziet, omdat de bezoekersnorm ten onrechte van de toepasselijke parkeernormen is afgetrokken.

2.9.1. Ingevolge artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening van de gemeente Sittard-Geleen 2007, zoals die bepaling gold ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar, moet bij een gebouw ten behoeve van het parkeren en het stallen van auto's in de juiste mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder dat gebouw dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.

Ingevolge het tweede lid wordt de in het eerste lid genoemde "juiste mate" van ruimte bepaald met behulp van parkeernormen, waarbij, voor zover thans van belang, het volgende van toepassing is:

b. indien in het vigerende bestemmingsplan geen parkeernormen zijn opgenomen, dienen de parkeernormen uit de gemeentelijke parkeernormennota te worden toegepast;

c. de te hanteren parkeernorm is de minimum parkeernorm voor de betreffende functie en locatie.

2.9.2. Niet in geschil is dat op de 19 voorziene woningen in het middeldure segment een minimum parkeernorm van 1,4 van toepassing is en op de 30 woningen in het dure segment een minimum parkeernorm van 1,6. Bij het bepalen van de parkeerbehoefte van het project heeft het college hiervan het bezoekersaandeel van 0,3 parkeerplaats per woning afgetrokken. Dit resulteert in een parkeerbehoefte van 59,9 parkeerplaatsen. Het project voorziet in de aanleg van 72 parkeerplaatsen.

2.9.3. Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Woningwet blijven, voor zover de voorschriften van de bouwverordening niet overeenstemmen met de voorschriften van het desbetreffende bestemmingsplan, eerstbedoelde voorschriften buiten toepassing.

Het belang bij aanwezigheid van voldoende parkeerruimte is in dit geval uitdrukkelijk en op genoegzame wijze meegewogen bij het verlenen van de vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO). Hierbij wordt in aanmerking genomen dat van de bezoekers van het wooncomplex gevergd kan worden te parkeren in de omliggende openbare parkeergelegenheden. In een binnenstedelijke situatie is dat niet onredelijk. Voorts is gebleken dat bij bedoelde openbare parkeergelegenheden voldoende parkeerplaatsen beschikbaar zijn. Daarmee heeft het parkeerbelang voldoende regeling gevonden. Een redelijke toepassing van artikel 9 van de Woningwet brengt met zich dat het bepaalde in artikel 2.5.30 van de bouwverordening dan moet wijken voor hetgeen met voormelde vrijstelling mogelijk wordt gemaakt. Het college heeft de behoefte aan parkeerruimte ter plaatse van het project in redelijkheid vast kunnen stellen op 59,9 parkeerplaatsen. Met de aanleg van 72 parkeerplaatsen is ruimschoots in die behoefte voorzien.

De betogen falen.

2.10. De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraken dienen te worden bevestigd.

2.11. Bij gelijkluidende besluiten van 22 februari 2011, verzonden op 28 februari 2011, heeft het college, gevolg gevend aan de uitspraken van de rechtbank, opnieuw beslist op de door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] gemaakte bezwaren. Aangezien bij deze nieuwe besluiten niet aan de bezwaren van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] is tegemoetgekomen, worden hun hoger beroepen, gelet op artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, geacht mede een beroep tegen deze besluiten in te houden.

Bij gelijkluidend besluit van 22 februari 2011, verzonden op 28 februari 2011, heeft het college, gevolg gevend aan de uitspraak van de rechtbank, voorts opnieuw beslist op de door [bezwaarmaakster] en anderen gemaakte bezwaren. [bezwaarmaakster] en anderen hebben daartegen bij de rechtbank beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroepschrift doorgezonden aan de Afdeling. De Afdeling zal het beroepschrift van [bezwaarmaakster] en anderen bij dit deel van het geding betrekken.

2.12. Bij de nieuwe besluiten heeft het college met inachtneming van de uitspraken van de rechtbank de bij de vernietigde besluiten op bezwaar ten aanzien van woonblok A verleende vrijstelling alsnog van een motivering voorzien. Voorts heeft het college bij de nieuwe besluiten overwogen dat de verleende vrijstelling moet worden geacht mede betrekking te hebben op de aanleg van de ondergrondse parkeergarage.

2.13. Voor zover in beroep opnieuw gronden zijn aangevoerd, die door de rechtbank terecht zijn verworpen, wordt verwezen naar hetgeen hiervoor is overwogen naar aanleiding van de hoger beroepen tegen de aangevallen uitspraken van de rechtbank.

Voor het overige hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [bezwaarmaakster] en anderen - samengevat weergegeven - aangevoerd dat het besluit ten aanzien van de met betrekking tot woonblok A verleende vrijstelling niet van een deugdelijke motivering en belangenafweging is voorzien en dat het college opnieuw heeft nagelaten vrijstelling te verlenen voor de parkeergarage en het besluit in zoverre niet van een deugdelijke motivering heeft voorzien. [appellant sub 1] en [bezwaarmaakster] en anderen hebben voorts betoogd dat het college ten onrechte niet opnieuw een vrijstellings- en bouwvergunningsprocedure heeft doorlopen en voorts ten onrechte niet heeft gewacht met het nemen van de nieuwe besluiten, totdat op het hoger beroep was beslist. Ten slotte stellen zij dat het college ten onrechte geen nieuw welstandsadvies heeft gevraagd.

2.13.1. Geen grond bestaat voor het oordeel dat het college bij de nieuwe besluiten de voor woonblok A verleende vrijstelling niet van een deugdelijke motivering en belangenafweging heeft voorzien. Het college heeft terecht in aanmerking genomen dat de mate waarin woonblok A ingrijpend afwijkt van het planologische regime beperkt is, nu dit woonblok slechts voor een klein gedeelte op gronden met de bestemmingen "C1" en "Tuin" is gesitueerd en voor het overgrote deel op gronden met de bestemming "Woondoeleinden". Gelet hierop voldoet de motivering van de vrijstelling aan de daaraan te stellen eisen. Gelet op voorziene hoogten van de verschillende onderdelen van woonblok A in relatie tot de ruime afstand van dat woonblok tot de panden van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [bezwaarmaakster] en anderen heeft het college bij de afweging van de betrokken belangen aan de belangen bij realisering van het project ook in zoverre in redelijkheid doorslaggevende betekenis kunnen toekennen.

2.13.2. Voor het oordeel dat het college bij de nieuwe besluiten opnieuw heeft nagelaten vrijstelling te verlenen voor de voorziene parkeergarage, bestaat voorts geen grond. Het college heeft dit gedaan door te overwegen dat de reeds verleende vrijstelling moet worden geacht mede betrekking te hebben op de aanleg van de ondergrondse parkeergarage. Daarbij heeft het college voorts overwogen dat de hinder die bezwaarden van het project ondervinden niet onevenredig is in verhouding tot de met het project te dienen belangen. Gelet op de ondergrondse ligging van de parkeergarage en hetgeen hiervoor is overwogen omtrent geluidsoverlast en wateroverlast, heeft het college deze aan de vrijstelling voor het project ten grondslag gelegde belangenafweging in redelijkheid mede op de vrijstelling voor de aanleg van de garage van toepassing kunnen achten.

2.13.3. Voor het doorlopen van een nieuwe vrijstelling- en bouwvergunningprocedure heeft het college terecht geen aanleiding gezien, nu de rechtbank de besluiten van 3 oktober 2007 en 14 januari 2008 in stand heeft gelaten.

2.13.4. De rechtbank heeft het college opgedragen nieuwe besluiten op de bezwaren te nemen. Ingevolge artikel 6:16, gelezen in verbinding met artikel 6:24 van de Awb schorst het hoger beroep niet de werking van de aangevallen uitspraak. Gelet hierop diende het college nieuwe besluiten op de bezwaren te nemen en heeft het derhalve de uitkomst van de hoger beroepsprocedure terecht niet afgewacht.

2.13.5. Voor het vragen van een nieuw welstandsadvies heeft het college terecht geen aanleiding gezien, nu het project sedert het op 19 juni 2007 afgegeven positieve advies niet is gewijzigd.

2.13.6. De betogen falen.

2.14. De beroepen tegen de besluiten van 22 februari 2011 zijn ongegrond.

2.15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraken;

II. verklaart de beroepen, gericht tegen de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen van 22 februari 2011, kenmerken 521299, 521303 en 521306, ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Hanrath

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2011

392.