Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU1610

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-10-2011
Datum publicatie
26-10-2011
Zaaknummer
201107689/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 juni 2011 heeft de raad van de gemeente Elburg (hierna: de raad) het bestemmingsplan "Centrum 't Harde" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201107689/2/R2.

Datum uitspraak: 18 oktober 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

1. [verzoeker sub 1], wonend te 't Harde, gemeente Elburg,

2. [verzoekers sub 2], beiden wonend te 't Harde, gemeente Elburg,

3. [verzoeker sub 3 A] en [verzoeker sub 3 B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [verzoeker sub 3]), beiden wonend te 't Harde, gemeente Elburg,

4. [verzoeker sub 4], wonend te 't Harde, gemeente Elburg,

en

de raad van de gemeente Elburg,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 juni 2011 heeft de raad van de gemeente Elburg (hierna: de raad) het bestemmingsplan "Centrum 't Harde" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoeker sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 juli 2011, [verzoekers sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 augustus 2011, [verzoeker sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 augustus 2011, en [verzoeker sub 4] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 augustus 2011, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 juli 2011, heeft [verzoeker sub 1] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij dezelfde brief als waarmee beroep is ingesteld heeft [verzoekers sub 2] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij dezelfde brief als waarmee beroep is ingesteld heeft [verzoeker sub 3] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij dezelfde brief als waarmee beroep is ingesteld heeft [verzoeker sub 4] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 19 september 2011, waar [verzoeker sub 1], in persoon, [verzoekers sub 2], bij monde van [verzoeker sub 2 A], [verzoeker sub 3], vertegenwoordigd door [verzoeker sub 2 A], en de raad, vertegenwoordigd door mr. J.J.M. Pinners, advocaat te Zwolle, mr. W.G. Balfoort en ing. G. Wagenaar, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts zijn ter zitting de stichting UWOON en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Assen/Berg Projecten B.V., vertegenwoordigd door mr. J.J.M. Pinners, advocaat te Zwolle, H.W. Zandvoort en S. Fieten, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. [verzoeker sub 1], [verzoekers sub 2] en [verzoeker sub 3] hebben ter zitting verzocht om aanhouding van de behandeling van de zaak. Hiertoe hebben zij aangevoerd dat de raad in strijd met de zorgvuldigheid zodanig laat een zodanig groot aantal stukken heeft ingediend - welke zij eerst op zaterdag 17 september 2011 hebben ontvangen - dat zij niet in staat waren zich behoorlijk op de zitting voor te bereiden.

Het is de voorzitter niet aannemelijk geworden dat [verzoeker sub 1], [verzoekers sub 2] en [verzoeker sub 3] niet in staat moesten worden geacht op deze stukken voldoende te reageren. Hierbij neemt de voorzitter in aanmerking dat de omvang van de stukken, voor zover voor hen van belang, niet onaanvaardbaar was en een groot deel van de stukken, waaronder delen uit het vigerend bestemmingsplan, hen reeds bekend was dan wel had kunnen zijn.

2.3. De raad heeft betoogd dat geen spoedeisend belang bestaat bij het treffen van een voorlopige voorziening. Te dien aanzien overweegt de voorzitter dat onbetwist is dat in het najaar van 2011 met bouw- en andere werkzaamheden zal worden begonnen. Niettegenstaande dat de uitvoering in fasen zal geschieden, acht de voorzitter, gezien de aard van het plan en de verzoeken, het spoedeisend belang gegeven.

2.4. Het plan voorziet in de juridisch-planologische regeling van een woon- en winkelcentrum met verkeersontsluiting en infrastructuur.

2.5. [verzoeker sub 1] voert aan dat het plan tot gevolg heeft dat het vrijwel onmogelijk wordt om woningen te bouwen op zijn perceel [locatie 1], omdat met het plan het aantal woningen dat volgens gemeentelijk beleid tot 2019 kan worden gebouwd, zal worden overschreden.

2.5.1. De raad betwist dat [verzoeker sub 1] kan worden aangemerkt als belanghebbende, omdat noch het perceel [locatie 1], noch het perceel [locatie 2], waar [verzoeker sub 1] woonachtig is, in of grenzend aan het plangebied is gelegen en vanaf deze percelen evenmin zicht bestaat op het plangebied.

2.5.2. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.5.3. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het perceel [locatie 1] op een afstand van ongeveer 170 meter tot het plangebied is gelegen en het perceel [locatie 2] op een afstand van ongeveer 420 meter. Ter zitting heeft [verzoeker sub 1] niet aannemelijk gemaakt dat hij vanaf deze percelen zicht heeft op de met het plan voorziene ontwikkelingen. Mede gelet op de aard en omvang van de met het plan mogelijk gemaakte ruimtelijke ontwikkelingen is deze afstand naar het oordeel van de voorzitter te groot om een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang te kunnen aannemen.

Voorts is de voorzitter van oordeel dat [verzoeker sub 1] niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen de beslissing op zijn verzoek om een bestemmingswijziging van zijn perceel [locatie 1] en de met het plan voorziene woningen. In dit verband verwijst de voorzitter naar de uitspraak van de voorzitter van de Afdeling van 9 augustus 2011, in zaak nr. 201105213/1/R2 en 201105213/2/R2, in welke zaak de voorzitter van oordeel was dat de appellant/verzoeker niet aannemelijk had gemaakt dat er sprake was van een rechtstreeks verband tussen de afwijzing van zijn verzoek om een bestemmingswijziging van zijn perceel en de met het desbetreffende plan voorziene woningen.

Gelet op het voorgaande gaat de voorzitter ervan uit dat het beroep van [verzoeker sub 1] in de bodemprocedure niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Het verzoek van [verzoeker sub 1] om het treffen van een voorlopige voorziening dient om deze reden te worden afgewezen.

2.5.4. [verzoekers sub 2] en [verzoeker sub 4] kunnen zich niet verenigen met het plan, met name wat het bouwvlak betreft aan de noordzijde van het plangebied, naast hun woningen, respectievelijk [locatie 3] en [locatie 4]. Zij voeren hiertoe aan dat, ondanks de wijziging van het bouwvlak naar aanleiding van de zienswijzen, de toegestane bouwhoogte en de overschrijding van de huidige voorgevelrooilijn leiden tot aantasting van hun woon- en leefklimaat, in het bijzonder door verminderd uitzicht, verminderde inval van zonlicht, inkijk, geluidreflecties en veranderde luchtstromen. In verband hiermee verzoeken zij om beperking van de bouwhoogte, beperking van de bouwmassa tot de huidige grensrooilijn en om geen balkons en dakterrassen toe te laten.

2.5.5. De raad stelt dat het vigerende bestemmingsplan reeds de mogelijkheid biedt voor tamelijk hoge bebouwing ter plaatse van de bestemming 'WE2' nabij de percelen van verzoekers. Op grond van het bij het bestreden besluit vastgestelde plan blijven volgens de raad de huidige bouwvlakken gehandhaafd op dezelfde afstand van de perceelsgrens als onder het vigerende planologische regime, met uitzondering van de bergingen die tot op de perceelsgrens kunnen worden gebouwd tegen de bestaande bijgebouwen van omwonenden aan tot een hoogte van maximaal 5 meter. Volgens de raad is voor het pand waarvan [verzoekers sub 2] en [verzoeker sub 4] in het bijzonder hinder vrezen nog geen aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen ingediend en zal de aanvraag in overleg met [verzoekers sub 2] en [verzoeker sub 4] worden voorbereid om bij het bouwplan zoveel mogelijk tegemoet te komen aan hun zorgen ten aanzien van hun privacy.

Niet valt uit te sluiten dat door realisering van de voorziene woningen het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen van [verzoekers sub 2] en [verzoeker sub 4] wordt aangetast. De voorzitter ziet in aanmerking genomen hetgeen op grond van het vigerend bestemmingsplan ter plaatse mogelijk is, in hetgeen [verzoekers sub 2] en [verzoeker sub 4] hebben aangevoerd evenwel geen aanknopingspunten dat deze aantasting zodanig onevenredig zal zijn dat de raad daaraan doorslaggevend gewicht had moeten toekennen. Hierbij betrekt de voorzitter dat geen recht bestaat op een blijvend uitzicht en een drielaagse bebouwing in een dorpscentrum niet ongebruikelijk is.

2.6. Ten aanzien van het betoog van [verzoekers sub 2] en [verzoeker sub 4] dat het plan zal leiden tot waardevermindering van hun onroerend goed, overweegt de voorzitter dat geen aanleiding bestaat voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn. Ten aanzien van het betoog van [verzoekers sub 2] en [verzoeker sub 4] en anderen dat financiële compensatie dient te worden geboden, overweegt de voorzitter dat de raad in dit verband terecht heeft gewezen op de mogelijkheid om op grond van artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening een aanvraag om tegemoetkoming in de planschade in te dienen.

2.7. [verzoeker sub 3] betoogt dat het plan ten onrechte leidt tot sloop van zijn huurwoning ten gunste van parkeerruimte. De sloop is volgens hem niet nodig voor de bouw van een nieuw winkelcentrum. Voorts betwijfelt hij of er vraag is naar de woningen waarvoor de parkeerruimte is bedoeld.

2.7.1. De raad heeft aangegeven dat op basis van de parkeernormen een belangrijk deel van de openbare ruimte binnen het plangebied nodig is voor het realiseren van parkeerruimte. Op grond van verkeerskundige, stedenbouwkundige en financieel-economische redenen komt de betrokken locatie volgens de raad hiervoor in aanmerking. Tegen deze achtergrond is de voorzitter van oordeel dat de raad er in redelijkheid voor heeft kunnen kiezen in het plan op deze locatie niet langer te voorzien in de huurwoningen. Hierbij neemt de voorzitter in aanmerking dat aan [verzoeker sub 3] een nieuwe huurwoning, een ruime vergoeding voor verhuiskosten, hulp bij het verhuizen, alsmede een voorziening ten aanzien van de hobbymatig gehouden duiven wordt aangeboden.

2.8. Gelet hierop en hetgeen verzoekers overigens hebben aangevoerd, bestaat aanleiding de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst de verzoeken af.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Kuipers

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2011

271.