Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU1283

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-10-2011
Datum publicatie
25-10-2011
Zaaknummer
201101168/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De voorzieningenrechter heeft, door te overwegen als hij heeft gedaan, niet onderkend dat alvorens kon worden overgegaan tot beantwoording van de vraag of hetgeen de vreemdeling heeft ingebracht aanleiding geeft om aan de juistheid van de conclusies van het MediFirst advies te twijfelen, hij eerst diende te beoordelen of in hetgeen door de vreemdeling is aangevoerd aanleiding kan worden gevonden voor het oordeel dat dat advies naar inhoud niet inzichtelijk en concludent is. In het MediFirst-advies is, in afwijking van hetgeen daarover in paragraaf 2.4 van het Protocol Medisch advies Horen en Beslissen is vermeld, geen enkele onderbouwing gegeven van de conclusie dat geen sprake is van medische problematiek die van invloed kan zijn op de verklaringen van de vreemdeling. Het MediFirst-advies is derhalve niet inzichtelijk. Door ter zake geen nader onderzoek te laten doen, heeft de minister niet voldaan aan de ingevolge artikel 3:2 van de Awb op hem rustende vergewisplicht.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2011/498
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201101168/1/V2.

Datum uitspraak: 14 oktober 2011

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellante,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 14 januari 2011 in zaak nrs. 10/43988 en 10/43987 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister voor Immigratie en Asiel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 december 2010 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 14 januari 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 21 januari 2011, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De minister heeft een nader stuk ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de eerste grief klaagt de vreemdeling, voor zover thans van belang, dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat de omstandigheid dat het advies van MediFirst van 30 november 2010 (hierna: het MediFirst-advies) zeer beknopt is, er niet aan kan afdoen dat de minister bij zijn besluitvorming van de conclusies in dat advies heeft mogen uitgaan. Volgens de vreemdeling heeft de voorzieningenrechter daarbij ten onrechte redengevend geacht dat, nu zij geen medisch stuk heeft ingediend dat haar gestelde psychische problemen onderbouwt, geen concreet aanknopingspunt bestaat voor twijfel aan de juistheid van de conclusies in het MediFirst-advies. De vreemdeling betoogt dat de voorzieningenrechter aldus heeft miskend dat uit voormeld advies niet blijkt welke vragen door de deskundige van MediFirst zijn gesteld, zodat niet inzichtelijk is waarop de conclusies zijn gebaseerd.

2.1.1. De minister heeft de vreemdeling, voor indiening van haar asielaanvraag, op 30 november 2010 medisch laten onderzoeken door MediFirst. De resultaten van dit onderzoek, waarbij de vreemdeling is gezien door een verpleegkundige, zijn weergegeven in het MediFirst-advies, dat is ondertekend door een arts. Daarin is, voor zover thans van belang, vermeld dat geen sprake is van medische problematiek die van invloed kan zijn op de verklaringen van de vreemdeling.

2.1.2. In het besluit van 22 december 2010 heeft de minister zich, voor zover thans van belang, op het standpunt gesteld dat van de juistheid van het MediFirst-advies mag worden uitgegaan, tenzij de vreemdeling concrete aanknopingspunten voor een andersluidende conclusie aanvoert. Nu de vreemdeling dergelijke aanknopingspunten niet heeft aangevoerd, kan zij niet worden gevolgd in haar verklaring dat zij wegens psychische problemen tijdens de gehoren niet in staat is geweest om volledig, concreet en naar waarheid te verklaren, aldus de minister.

2.1.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer bij uitspraak van 5 april 2011 in zaak nr. 201009709/1/V2; www.raadvanstate.nl), dient de minister, indien en voor zover hij een MediFirst-advies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, zich er ingevolge artikel 3:2 van de Awb van te vergewissen dat dit advies - naar wijze van totstandkoming - zorgvuldig en - naar inhoud - inzichtelijk en concludent is.

Indien de minister heeft voldaan aan de aldus op hem rustende vergewisplicht, kan een vreemdeling de uitkomst van een MediFirst-advies nog slechts succesvol bestrijden door overlegging van een andersluidend deskundigenadvies.

2.1.4. De voorzieningenrechter heeft, door te overwegen als hij heeft gedaan, niet onderkend dat alvorens kon worden overgegaan tot beantwoording van de vraag of hetgeen de vreemdeling heeft ingebracht aanleiding geeft om aan de juistheid van de conclusies van het MediFirst advies te twijfelen, hij eerst diende te beoordelen of in hetgeen door de vreemdeling is aangevoerd aanleiding kan worden gevonden voor het oordeel dat dat advies naar inhoud niet inzichtelijk en concludent is.

In het MediFirst-advies is, in afwijking van hetgeen daarover in paragraaf 2.4 van het Protocol Medisch advies Horen en Beslissen is vermeld, geen enkele onderbouwing gegeven van de conclusie dat geen sprake is van medische problematiek die van invloed kan zijn op de verklaringen van de vreemdeling. Het MediFirst-advies is derhalve niet inzichtelijk. Door ter zake geen nader onderzoek te laten doen, heeft de minister niet voldaan aan de ingevolge artikel 3:2 van de Awb op hem rustende vergewisplicht. De voorzieningenrechter heeft dit niet onderkend. Reeds daarom slaagt de grief.

2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. Hetgeen de vreemdeling voor het overige heeft aangevoerd behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 22 december 2010 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

2.3. In beroep heeft de vreemdeling aangevoerd dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het relaas ongeloofwaardig is. Daartoe heeft de vreemdeling betoogd dat zij vanwege haar psychische gesteldheid tijdens het eerste en nader gehoor niet in staat was om coherent en consistent te verklaren.

2.3.1. In het besluit van 22 december 2010 heeft de minister zich, voor zover thans van belang, op het standpunt gesteld dat de vreemdeling vage, summiere, onjuiste en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd en dat derhalve van haar asielrelaas geen positieve overtuigingskracht uitgaat. Voor zover de vreemdeling heeft betoogd dat haar psychische gesteldheid haar vermogen om te verklaren heeft beïnvloed, heeft de minister zich op het in 2.1.2. vermelde standpunt gesteld.

Uit hetgeen hiervoor onder 2.1.4. is overwogen, vloeit voort dat dit standpunt van de minister niet afdoende is gemotiveerd.

De beroepsgrond slaagt.

2.4. Aan de hiervoor niet besproken bij de rechtbank voorgedragen beroepsgrond komt de Afdeling niet toe. Over die grond is door de voorzieningenrechter uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is sprake van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die grond, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop deze betrekking heeft, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgrond valt thans dientengevolge buiten het geding.

2.5. Het inleidend beroep is gegrond. Het besluit van 22 december 2010 komt wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb voor vernietiging in aanmerking.

2.6. De minister voor Immigratie en Asiel dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 14 januari 2011 in zaak nr. 10/43987;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de minister voor Immigratie en Asiel van 22 december 2010, kenmerk 1011.25.1327;

V. veroordeelt de minister voor Immigratie en Asiel tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1311,00 (zegge: eenduizenddriehonderdelf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. H. Troostwijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Vreken Westra, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Vreken-Westra

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2011

434-657.

Verzonden: 14 oktober 2011

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser