Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU1278

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-10-2011
Datum publicatie
25-10-2011
Zaaknummer
201103717/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ3877, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De minister klaagt terecht dat de rechtbank, bij de toetsing of de minister het beleid, zoals neergelegd in paragraaf C4/3.6.3 van de Vc 2000, juist heeft toegepast, een onjuiste uitleg van dat beleid heeft gegeven. De rechtbank heeft miskend dat uit dit beleid volgt dat slechts wanneer de vreemdeling aannemelijk maakt dat de papieren onder dwang aan de reisagent zijn afgegeven en hij ook op alle andere elementen van de beoordeling van de asielaanvraag volledig meewerkt en geloofwaardig is, het ontbreken van documenten niet aan hem is toe te rekenen. In evenbedoeld beleid stelt de minister de toerekenbaarheid voor de afgifte van reisdocumenten aldus afhankelijk van de beantwoording van de vraag of sprake is van dwang en niet van de vraag naar de beschermingsmogelijkheden van het land waar de afgifte heeft plaatsgevonden. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat, nu de vreemdeling het reisdocument niet onder dwang aan de reisagent heeft afgestaan, reeds daarom het ontbreken van documenten ter onderbouwing van haar asielaanvraag hier te lande aan haar is toe te rekenen.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2011/499
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201103717/1/V1.

Datum uitspraak: 14 oktober 2011

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister voor Immigratie en Asiel (hierna: de minister),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 1 maart 2011 in zaak nr. 10/26285 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de minister.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 juli 2010 heeft de minister van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 1 maart 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister binnen zes weken na verzending van de uitspraak met inachtneming van die uitspraak een nieuw besluit op de aanvraag neemt. Die uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 29 maart 2011, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Onder de minister wordt tevens diens rechtsvoorgangers verstaan.

2.2. In grief 1 klaagt de minister dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, samengevat weergegeven, hij niet zonder meer kan worden gevolgd in zijn standpunt dat het afgeven van het paspoort aan de reisagent aan de vreemdeling is toe te rekenen, reeds omdat niet is gebleken van dwang. De minister klaagt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat in het door hem terzake gevoerde beleid, zoals neergelegd in paragraaf C4/3.6.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000), wat betreft de toerekenbaarheid voor het afgeven van documenten aan de reisagent een koppeling is gemaakt met het zich op dat moment bevinden in een land waar bescherming van de desbetreffende autoriteiten kan worden ingeroepen. In dit verband betoogt de minister dat de rechtbank hierbij heeft miskend dat uit vaste Afdelingsjurisprudentie en voormeld beleid volgt dat de stelling dat de vreemdeling afhankelijk was van zijn reisagent niet afdoet aan zijn eigen verantwoordelijkheid voor de onderbouwing van zijn reisroute.

2.2.1. Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) wordt bij het onderzoek naar de aanvraag mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

2.2.2. Volgens paragraaf C4/3.6.3, zoals deze luidde ten tijde en voor zover thans van belang, geldt, indien de asielzoeker verklaart dat de documenten zijn afgegeven aan de reisagent, het volgende.

Het uitgangspunt is dat de situatie waarin een vreemdeling zijn documenten aan de reisagent heeft afgestaan aan de vreemdeling is toe te rekenen. De vreemdeling is in het algemeen op het moment dat de papieren aan de reisagent worden meegegeven reeds in een land waar bescherming van de betreffende autoriteiten kan worden ingeroepen. Op dat moment kan van de vreemdeling worden verlangd dat hij direct die bescherming inroept en dat hij zich met alle beschikbare documenten bij die autoriteiten legitimeert en met alle beschikbare documenten zijn asielaanvraag onderbouwt. Daarin heeft de vreemdeling een eigen verantwoordelijkheid. De vreemdeling vraagt om bescherming, de overheid vraagt aan de vreemdeling om bekend te maken wie hij is en hoe hij naar Nederland is gekomen.

Wanneer de vreemdeling aannemelijk maakt dat de papieren onder dwang aan de reisagent zijn afgegeven en hij ook op alle andere elementen van de beoordeling van de asielaanvraag volledig meewerkt en geloofwaardig is, is het ontbreken van documenten niet aan hem toe te rekenen.

2.2.3. De vreemdeling heeft in het kader van haar asielaanvraag onder meer het volgende gesteld. Zij is met haar dochter van Iran naar Turkije gereisd. Bij de grenscontroles heeft zij het paspoort steeds zelf laten zien. In Turkije is het door haar gebruikte paspoort ingenomen door de reisagent. Zij heeft het paspoort aan hem afgestaan omdat zij dacht het niet meer nodig te hebben voor haar asielaanvraag, omdat zij al haar aandacht nodig had voor haar dochter en omdat zij vreesde anders niet verder te kunnen reizen aangezien zij geheel afhankelijk van de reisagent was. De vreemdeling heeft in Turkije geen asiel aangevraagd uit angst te worden teruggestuurd.

2.2.4. In het besluit van 6 juli 2010 tot afwijzing van de asielaanvraag en het daarin ingelaste voornemen daartoe van 17 mei 2010 heeft de minister, voor zover hier van belang, zich op het standpunt gesteld dat het aan de vreemdeling toe te rekenen is dat zij het door haar gebruikte paspoort heeft afgestaan aan de reisagent. De minister heeft de verklaringen van de vreemdeling dat zij haar aandacht bij haar dochter had en dat zij dacht het paspoort niet meer nodig te hebben, niet afdoende geacht ter rechtvaardiging van de afgifte aan de reisagent. De minister heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat, nu niet is gesteld dat de vreemdeling asiel heeft aangevraagd in Turkije, evenmin kan worden gesteld dat de Turkse autoriteiten de vreemdeling en haar dochter geen bescherming zouden kunnen of willen bieden. Het aan de reisagent afgeven van reisdocumenten uit angst om te worden teruggestuurd, maakt niet dat het niet overleggen van documenten bij de asielaanvraag hier te lande niet aan de vreemdeling is toe te rekenen. De minister heeft in dit verband verwezen naar vaste Afdelingsjurisprudentie, waaruit volgt dat het stellen van eisen door een reisagent niet kan afdoen aan de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling voor de onderbouwing, waar mogelijk, van het reis- en asielrelaas (bijvoorbeeld de uitspraak 28 december 2001 in zaak nr. 200105344/1; JV 2002/73) en dat het afgeven van reisdocumenten aan de reisagent eerst dan niet kan worden toegerekend aan de desbetreffende vreemdeling indien de documenten onder dwang zijn afgegeven (bijvoorbeeld de uitspraak van 29 december 2008 in zaak nr. 200803191/1; www.raadvanstate.nl).

2.2.5. De minister klaagt terecht dat de rechtbank, bij de toetsing of de minister het beleid, zoals neergelegd in paragraaf C4/3.6.3 van de Vc 2000, juist heeft toegepast, een onjuiste uitleg van dat beleid heeft gegeven. De rechtbank heeft miskend dat uit dit beleid volgt dat slechts wanneer de vreemdeling aannemelijk maakt dat de papieren onder dwang aan de reisagent zijn afgegeven en hij ook op alle andere elementen van de beoordeling van de asielaanvraag volledig meewerkt en geloofwaardig is, het ontbreken van documenten niet aan hem is toe te rekenen. In evenbedoeld beleid stelt de minister de toerekenbaarheid voor de afgifte van reisdocumenten aldus afhankelijk van de beantwoording van de vraag of sprake is van dwang en niet van de vraag naar de beschermingsmogelijkheden van het land waar de afgifte heeft plaatsgevonden.

De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat, nu de vreemdeling het reisdocument niet onder dwang aan de reisagent heeft afgestaan, reeds daarom het ontbreken van documenten ter onderbouwing van haar asielaanvraag hier te lande aan haar is toe te rekenen.

De grief slaagt.

2.3. Het hoger beroep is reeds hierom kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen overigens door de vreemdeling is aangevoerd behoeft geen bespreking meer. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 6 juli 2010 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, in zoverre daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

2.4. De vreemdeling heeft aangevoerd dat, samengevat weergegeven, de minister haar ten onrechte heeft tegengeworpen dat zij niet voldoende gedetailleerd en verifieerbaar heeft verklaard over haar reis. De vreemdeling heeft verklaard dat zij met een vrachtwagen van Istanbul naar Nederland is gereisd. Zij heeft gesteld niet gedetailleerd over deze reis te kunnen vertellen, omdat zij vanwege stress niet op haar omgeving heeft gelet.

2.4.1. Volgens paragraaf C4/3.6.3, zoals deze luidde ten tijde van belang en voor zover thans van belang, geldt dat verklaringen die inhouden dat een asielzoeker geen documenten heeft en niets meer weet van de reis niet geloofwaardig zijn. Het is aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat hij daadwerkelijk op een dergelijke wijze heeft gereisd. Dit bewijs kan alsnog worden geleverd door consistente, gedetailleerde en verifieerbare verklaringen omtrent de reis, dat wil zeggen door een nauwkeurige omschrijving van het vervoermiddel en van het verloop van de reis.

2.4.2. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat van de vreemdeling mag worden verwacht dat zij informatie kan verschaffen over de landen waar zij doorheen is gereisd, over de kleur van de vrachtwagen of de tekst die daarop eventueel stond en over de lading die werd vervoerd. De minister heeft de verklaring van de vreemdeling dat zij vanwege stress niet op reisdetails heeft gelet in redelijkheid onvoldoende kunnen achten, te meer daar de vreemdeling heeft gesteld dat zij een paar maal is uitgestapt en zij daarbij in de gelegenheid is geweest om om zich heen te kijken en de omgeving in zich op te nemen. De minister heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de verklaringen van de vreemdeling omtrent haar reisroute ongeloofwaardig zijn.

Het betoog faalt.

2.5. Nu de vreemdeling ter onderbouwing van haar asielaanvraag niet het door haar gebruikte paspoort heeft overgelegd, geen consistente, gedetailleerde en verifieerbare verklaringen omtrent de reis heeft afgelegd en niet heeft aangevoerd dat het ontbreken van documenten niet aan haar is toe te rekenen, zal volgens paragraaf C14/2.4 van de Vc 2000 van de verklaringen van de vreemdeling een positieve overtuigingskracht moeten uitgaan om de daarin gestelde feiten alsnog geloofwaardig te achten.

2.5.1. De vreemdeling heeft aangevoerd dat, samengevat weergegeven, de minister haar ten onrechte heeft tegengeworpen dat haar asielrelaas positieve overtuigingskracht mist.

2.5.2. De minister heeft zich in het besluit van 6 juli 2010 tot afwijzing van de asielaanvraag en het daarin ingelaste voornemen daartoe van 17 mei 2010 op het standpunt gesteld dat niet valt in te zien dat de vreemdeling zich, na tijdens een demonstratie te zijn achtervolgd, gedurende drie dagen heeft schuilgehouden in een steeg, terwijl, naar de vreemdeling stelt, haar achtervolgers wisten dat zij ergens in een woning in die steeg verbleef en de steeg tijdens dat verblijf aan beide kanten door de achtervolgers werd bewaakt, maar de achtervolgers geen enkele actie hebben ondernomen om de vreemdeling te vinden. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat deze verklaring van de vreemdeling afbreuk doet aan haar stelling dat zij daadwerkelijk werd achtervolgd en gezocht. De minister heeft het voorts ongerijmd geacht dat de vreemdeling, die naar eigen zeggen eerst werd achtervolgd, bewaakt en gezocht, haar toevlucht heeft gezocht tot haar ouderlijk huis, waar zij woonachtig was, en vervolgens nog drie weken aldaar heeft verbleven. Gelet op de omstandigheid dat de vreemdeling zich hierdoor niet alleen makkelijk traceerbaar heeft gemaakt, maar daarnaast ook haar ouders en haar dochter in gevaar heeft gebracht, heeft de minister dit onderdeel een ongerijmde wending in het asielrelaas van de vreemdeling geacht. De minister heeft zich in redelijkheid op dit standpunt kunnen stellen.

Het betoog faalt.

2.6. De vreemdeling heeft aangevoerd dat, samengevat weergegeven, zij, omdat zij met haar dochter naar het buitenland is vertrokken zonder daarvoor toestemming te hebben gekregen van de vader, bij terugkeer een risico op een met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) strijdige behandeling loopt. De vreemdeling heeft hiertoe gesteld te vrezen dat haar voormalig echtgenoot een klacht tegen haar zal indienen en dat zij daarvoor tot een levenslange gevangenisstraf dan wel de doodstraf zal worden veroordeeld. In dit verband heeft de vreemdeling in beroep enkele documenten overgelegd.

2.6.1. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling haar stellingen louter baseert op niet nader onderbouwde vermoedens. De minister heeft voorts aangegeven dat, zo de voormalig echtgenoot al een klacht tegen de vreemdeling heeft ingediend omdat zij zonder zijn toestemming met hun dochter naar het buitenland is vertrokken, niet aannemelijk is gemaakt dat de vreemdeling in verband daarmee zal worden onderworpen aan een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. Uit de door de vreemdeling in beroep overgelegde documenten blijkt dat de voormalig echtgenoot van de vreemdeling het gezag over hun gezamenlijke kind kan opeisen. Nu uit deze documenten niet kan worden afgeleid dat de vreemdeling zal worden veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf dan wel de doodstraf, kan de vreemdeling niet worden gevolgd in evenbedoelde vermoedens, waarop zij haar vrees voor een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling baseert. De minister heeft zich terecht op dit standpunt gesteld.

Het betoog faalt.

2.7. Het beroep is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 1 maart 2011 in zaak nr. 10/26285;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.S.D. Ramrattansing, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Ramrattansing

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2011

408.

Verzonden: 14 oktober 2011

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser