Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BT8629

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-10-2011
Datum publicatie
19-10-2011
Zaaknummer
201006132/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 april 2010, nummer 11, heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Zuidhorn" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Wet ruimtelijke ordening 3.8
Besluit ruimtelijke ordening
Besluit ruimtelijke ordening 1.2.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/34
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201006132/1/R1.

Datum uitspraak: 19 oktober 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de stichtingen Stichting Natuur en Milieufederatie Groningen en Stichting Behoud Rietdal Noordhorn (hierna tezamen: de stichtingen), gevestigd te Groningen onderscheidenlijk Zuidhorn,

2. [appellante sub 2] en [appellant sub 2] (hierna in enkelvoud: de maatschap), gevestigd onderscheidenlijk wonend te Niehove, gemeente Zuidhorn,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Zuidhorn,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 april 2010, nummer 11, heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Zuidhorn" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben de stichtingen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 juni 2010, en de maatschap bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 juli 2010, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De stichtingen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 juli 2011, waar de stichtingen, vertegenwoordigd door dr. M. Tijdens en drs. D. Ferwerda, de maatschap, vertegenwoordigd door mr. A. van der Leest, werkzaam bij Achmea Rechtsbijstand, en de raad, vertegenwoordigd door mr. L.C. Dijkstra en B.B. Schuil, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

Plan

2.1. Met het plan wordt beoogd een aantal verouderde bestemmingsplannen te actualiseren. Voorts is het plan een uitwerking van het gezamenlijk beleid van de gemeenten Zuidhorn, Grootegast, Leek en Marum.

Het beroep van de stichtingen

2.2. Ter zitting hebben de stichtingen hun beroepsgrond dat aan een deel van het karakteristieke wegenpatroon van Middag-Humsterland ten onrechte de bestemming "Agrarisch" met de functieaanduiding "weg" is toegekend, ingetrokken.

2.3. De stichtingen betogen dat het plan in strijd met de rechtszekerheid is bekend gemaakt. In dat kader voeren de stichtingen aan dat niet duidelijk is welke onderdelen geen deel uit maken van het plan omdat op deze delen de door het college van gedeputeerde staten op 18 mei 2010 gegeven aanwijzing als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, in samenhang gelezen met artikel 3.8, zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) (hierna: reactieve aanwijzing) van toepassing is.

2.3.1. Ingevolge artikel 3.8, zesde lid, van de Wro, wordt het besluit tot vaststelling van het plan met uitsluiting van de onderdelen waar de aanwijzing op ziet, samen met de aanwijzing en op gelijke wijze door het college van burgemeester en wethouders bekend gemaakt.

Ingevolge artikel 1.2.1, eerste lid, en onder b en onder h, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro), stelt het college van burgemeester en wethouders onverminderd het bepaalde bij of krachtens de wet het bestemmingsplan en de aanwijzing als bedoeld in artikel 4.2 of 4.4 van de wet op zodanige wijze beschikbaar dat deze langs elektronische weg door een ieder kunnen worden verkregen.

Ingevolge het tweede lid van dat artikel, omvat de beschikbaarstelling, bedoeld in het eerste lid, een volledige, toegankelijke en begrijpelijke verbeelding van het plan en het besluit met de daarbij behorende toelichting of onderbouwing.

Ingevolge het vierde lid van dat artikel, wordt een plan of besluit als bedoeld in het eerste lid, met de daarbij behorende stukken op het gemeentehuis ter inzage gelegd.

2.3.2. Op 2 juni 2010 is door het college van burgemeester en wethouders het besluit tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan bekend gemaakt. Daarbij is aangegeven dat blijkens de reactieve aanwijzing de in de bekendmaking nader aangegeven onderdelen geen deel blijven uitmaken van het vastgestelde plan. Uit artikel 3.8, zesde lid, van de Wro vloeit niet voort dat de bekendmaking van het vaststellingsbesluit de integrale weergave moet bevatten van het plan zoals dat komt te luiden met inachtneming van de aanwijzing. Gelet op het voorgaande is de bekendmaking van het vaststellingsbesluit niet in strijd met artikel 3.8, zesde lid, van de Wro geschied.

Wat betreft de beschikbaarstelling van het plan en de reactieve aanwijzing langs de elektronische weg is in de praktijk gebleken dat het bij het zoeken op de site www.ruimtelijkeplannen.nl afhankelijk is van de zoekstrategie of bij het elektronisch inzien van een plan duidelijk is op welke plandelen een aanwijzing ziet. Er bestaat dan ook twijfel of aan het bepaalde in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Bro is voldaan. Nu voorts ter zitting is gebleken dat de raad het plan zonder daarbij aan te geven op welke onderdelen de aanwijzing van toepassing is op het gemeentehuis ter inzage heeft gelegd, is niet voldaan aan artikel 1.2.1, vierde lid, van het Bro. Nu het echter omstandigheden betreft van na het bestreden besluit, kunnen deze omstandigheden de rechtmatigheid van het bestreden besluit zelf niet aantasten.

2.4. De stichtingen betogen dat de papieren versie van het plan afwijkt van de digitale versie. In dit verband wijzen de stichtingen op het niet opnemen van de gecorrigeerde tabel "aanlegvergunningen" in het plan. Volgens de stichtingen is het hierdoor niet duidelijk welke versie in werking is getreden.

2.4.1. Ingevolge artikel 1.2.3, eerste lid, van het Bro worden de in artikel 1.2.1, eerste lid, bedoelde visies, plannen, besluiten en verordeningen in voorkomend geval met de daarbij behorende toelichting of onderbouwing langs elektronische weg vastgelegd en in die vorm vastgesteld. Een volledige verbeelding daarvan op papier wordt gelijktijdig vastgesteld.

Ingevolge artikel 1.2.3, tweede lid, is, indien na vaststelling van een bestemmingsplan de inhoud van het langs elektronische weg vastgelegde bestemmingsplan en die van de verbeelding daarvan op papier tot een verschillende uitleg aanleiding geeft, de eerstbedoelde inhoud beslissend.

Ingevolge artikel 8.1.1, eerste lid, is artikel 1.2.3 niet van toepassing op een bestemmingsplan waarvan het ontwerp in papieren vorm ter inzage is gelegd voor 1 januari 2010.

Ingevolge het tweede lid, is indien de inhoud van een bestemmingsplan op papier, als bedoeld in het eerste lid, en de inhoud van de verbeelding daarvan in elektronische vorm tot verschillende uitleg aanleiding geeft, in afwijking van artikel 1.2.3, tweede lid, de inhoud van de papieren vorm beslissend.

De terinzagelegging van het ontwerp van het plan dateert van voor 1 januari 2010. Op grond van voornoemde bepalingen uit het Bro is in dat geval de papieren versie en niet de digitale versie van het bestemmingsplan beslissend.

Voor zover de stichtingen betogen dat de raad ten onrechte geen gecorrigeerde tabel met aanlegvergunningen in de planregels heeft opgenomen, overweegt de Afdeling dat in de papieren versie van het plan de gecorrigeerde tabel, zoals ook opgenomen in de Nota Zienswijze en Ambtshalve wijzigingen, als onderdeel van de planregels is opgenomen. De beroepsgrond treft geen doel.

2.5. De stichtingen betogen dat ten onrechte niet alle waardevolle sloten die deel uitmaken van het karakteristieke slotenpatroon welke zijn opgenomen in de slotencasco behorende bij het Convenant inrichtingsplan van Middag-Humsterland (hierna: het Convenant) in het plan zijn beschermd via de bestemming "Water - Karakteristieke sloot". Volgens de stichtingen is dit in strijd met het rijks- en provinciaal beleid en het Convenant.

2.5.1. Nu de raad heeft erkend dat verschillende sloten die deel uitmaken van het karakteristieke slotenpatroon van Middag-Humsterland welke zijn opgenomen in de slotencasco behorende bij het Convenant ten onrechte niet als zodanig zijn bestemd waardoor zij niet de juiste bescherming genieten, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is voorbereid in strijd met de daarbij te betrachten zorgvuldigheid.

Het betoog slaagt.

2.6. Voorts betogen de stichtingen dat in het plan ten onrechte de mogelijkheid is opgenomen om een ontheffing te verlenen voor de bouw van teeltondersteunende kassen en dat de ontheffingsvoorwaarden te weinig zekerheid geven voor een juiste toepassing van de ontheffingsmogelijkheid. Volgens de stichtingen doet de bouw van deze kassen afbreuk aan de kernkwaliteiten van het gebied en leidt dat tot verstoring van het nationale landschap Middag-Humsterland. Voorts kunnen de teeltondersteunende kassen leiden tot mogelijke lichtvervuiling.

2.6.1. Volgens de raad bieden de ontheffingsvoorschriften en de milieunormen voldoende bescherming bij het plaatsen van teeltondersteunende kassen. Daarbij voert de raad aan dat de ontheffingsmogelijkheid beperkt is tot akkerbouwbedrijven en dat deze bijna niet voorkomen in het plangebied. Ten aanzien van de mogelijke lichtvervuiling stelt de raad zich op het standpunt dat dit aspect geen ruimtelijke relevantie heeft.

2.6.2. Ingevolge artikel 1.83 van de planregels zijn teeltondersteunende kassen, kassen in, op of boven de grond die door agrarische bedrijven met plantaardige teelten worden gebruikt om de volgende doelen na te streven:

- verbetering van de productie, onder meer door teeltvervroeging en -verlating;

- verbetering van de arbeidsomstandigheden, onder meer door gewassen verhoogd te telen;

- het voorkomen van schade door vorst.

Ingevolge artikel 4.2 mogen op de voor

"Agrarisch - Agrarisch bedrijf" aangewezen gronden uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd, met dien verstande dat uitsluitend bouwwerken mogen worden opgericht ten behoeve van een reëel agrarisch bedrijf.

Ingevolge lid 4.2.1, aanhef onder g, zijn teeltondersteunende kassen niet toegestaan.

Ingevolge artikel 4.4, lid 4.4.1, aanhef en onder e, kan het college van burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van het bepaalde in lid 4.2.1 onder g ten behoeve van teeltondersteunende kassen met een gezamenlijke oppervlakte van niet meer dan 2.000 m², indien en voor zover de gronden grenzen aan de bestemming "Agrarisch", het een akkerbouwbedrijf betreft, de oppervlakte noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering, de grond niet de dubbelbestemming "Waarde - Verkaveling" heeft en het woon- en leefklimaat niet onevenredig wordt aangetast.

Ingevolge artikel 41, lid 41.2.1, vindt bij de toepassing van de ontheffingsbevoegdheden in dit plan een evenredige belangenafweging plaats waarbij betrokken worden:

a. de mate waarin de waarden, welke het plan beoogt te beschermen, kunnen worden geschaad;

b. de mate waarin de belangen van gebruikers en/of van eigenaren van de aanliggende gronden kunnen worden geschaad;

c. de mate waarin de uitvoerbaarheid is aangetoond, waaronder begrepen de toelaatbaarheid op het gebied van milieu, externe veiligheid, waterhuishouding, ecologie en archeologie;

d. de mate waarin de landschappelijke inpasbaarheid is aangetoond;

e. de mate waarin de verkeerssituatie wordt beïnvloed, waaronder begrepen de gevolgen voor de infrastructuur.

2.6.3. In aanmerking genomen dat de ontheffingsmogelijkheid alleen kan worden aangewend als aan de in artikel 4.4, lid 4.4.1, aanhef en onder e, van de planregels genoemde voorwaarden is voldaan, bieden de in artikel 41, lid 41.2.1 opgesomde criteria die bij de belangenafweging moeten worden betrokken naar het oordeel van de Afdeling voldoende mogelijkheden om de kernkwaliteiten van het nationale landschap Middag-Humsterland te beschermen door het stellen van voorschriften bij de ontheffing, bijvoorbeeld om een groensingel te realiseren. Indien en voor zover de eventuele nadelige gevolgen van een kas niet voldoende kunnen worden beperkt door het stellen van voorschriften, kan de ontheffing worden geweigerd. Ten aanzien van het aspect lichthinder overweegt de Afdeling dat, anders dan de raad stelt, in zoverre wel sprake is van ruimtelijke relevantie. Indien onaanvaardbare lichthinder niet door milieuregels of door voorschriften bij de ontheffing kan worden voorkomen, kan met het oog daarop ontheffing worden geweigerd. Het betoog faalt.

2.7. De stichtingen hebben zich voor het overige in het beroepschrift beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze.

De stichtingen hebben in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

2.8. Gelet op overweging 2.5.1 is het beroep van de stichtingen gedeeltelijk gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd. Hun beroep is voor het overige ongegrond.

Het beroep van de maatschap

2.9. De maatschap betoogt dat het plan ten onrechte geen mogelijkheid biedt om op de aan het perceel De Ruige Waard 3 grenzende gronden ten zuiden van de weg De Ruige Waard activiteiten ten behoeve van een akkerbouwbedrijf uit te oefenen. In dat verband voert de maatschap aan dat aan deze gronden ten onrechte geen bouwblok is toegekend waardoor zij geen bouwmogelijkheden heeft.

2.9.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het bouwblok dat in het voorheen geldende plan aan de aan het perceel De Ruige Waard 3 grenzende gronden ten zuiden van de weg De Ruige Waard was toegekend bij het hoofdgebouw op het perceel De Ruige Waard 3 behoorde. Nu de maatschap het hoofdgebouw heeft verkocht, bestaat er volgens de raad geen aanleiding om aan de desbetreffende gronden een bouwblok toe te kennen. Volgens de raad is dan sprake van nieuwvestiging.

2.9.2. Aan de aan het perceel De Ruige Waard 3 grenzende gronden ten zuiden van de weg De Ruige Waard is de bestemming "Agrarisch" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor het agrarisch grondgebruik, met uitzondering van een boom- en/of sierkwekerij, houtteelt- of fruitteeltbedrijf.

2.9.3. De maatschap heeft in 2005 de woning op het perceel De Ruige Waard 3 verkocht. Vanaf dat moment is de woning in gebruik als burgerwoning. Nu aan de aan het perceel De Ruige Waard 3 grenzende gronden ten zuiden van de weg De Ruige Waard de bestemming "Agrarisch" is toegekend, is het gelet op het bepaalde in artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a, van de planregels, anders dan de maatschap betoogt mogelijk om aldaar activiteiten ten behoeve van een akkerbouwbedrijf uit te oefenen. In zoverre mist het betoog feitelijke grondslag.

De maatschap heeft voorts onder het voorheen geldende plan het bouwblok onbebouwd gelaten. Verder heeft de maatschap ter zitting te kennen gegeven dat zij thans geen concrete bouwplannen heeft. Gelet op het voorgaande en nu het bouwblok in het voorheen geldende plan bij het hoofdgebouw op De Ruige Waard 3 behoorde, heeft de raad in redelijkheid geen bouwblok aan de aan het perceel De Ruige Waard 3 grenzende gronden ten zuiden van de weg De Ruige Waard behoeven toekennen.

2.10. De maatschap betoogt voorts dat ten onrechte de bestemming "Agrarisch" aan het perceel De Ruige Waard 5 is toegekend. Volgens de maatschap had net als in het voorheen geldende plan de bestemming "Wonen" moeten worden toegekend. Er zal hierdoor geen sprake zijn van verdere verstening van het gebied omdat op dit perceel altijd een woning heeft gestaan, aldus de maatschap.

2.10.1. De raad stelt zich op het standpunt dat hij in redelijkheid niet de bestemming "Wonen" aan het perceel De Ruige Waard 5 heeft behoeven toekennen. Volgens de raad is er sinds juli 2003 geen woning aanwezig op dat perceel. Daarbij voert de raad aan dat de maatschap de afgelopen jaren geen plannen heeft ingediend om een woning te realiseren.

2.10.2. Aan de gronden van het perceel De Ruige Waard 5 is de bestemming "Agrarisch" toegekend.

2.10.3. Niet in geschil is dat in het voorheen geldende bestemmingsplan de bestemming "Wonen" aan het perceel De Ruige Waard 5 was toegekend. De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. De woning op het perceel De Ruige Waard 5 is op initiatief van de maatschap gesloopt. Hierdoor staat er sinds 2003 geen woning meer op het perceel De Ruige Waard 5. De maatschap heeft te kennen gegeven dat zij geen concrete plannen heeft om een woning op het perceel De Ruige Waard 5 te realiseren. Gelet op het voorgaande heeft de raad in redelijkheid niet de bestemming "Wonen" aan het perceel De Ruige Waard 5 behoeven toekennen.

2.11. In hetgeen de maatschap heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Het beroep is ongegrond.

Proceskosten

2.12. De raad dient ten aanzien van de stichtingen op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Voor een proceskostenveroordeling ten behoeve van de maatschap bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van de stichtingen Stichting Natuur en Milieufederatie Groningen en de Stichting Behoud Rietdal Noordhorn gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Zuidhorn van 12 april 2010, kenmerk nummer 11, voor zover niet aan alle sloten welke zijn opgenomen in de slotencasco behorende bij het Convenant inrichtingsplan Middag-Humsterland de bestemming "Water - Karakteristieke sloot" is toegekend;

III. draagt de raad van de gemeente Zuidhorn op om binnen drie maanden na verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit tot vaststelling van het plan voor de plandelen genoemd onder II te nemen en dit vervolgens op de wettelijk voorgeschreven wijze en binnen de daarvoor geldende termijn bekend te maken en mede te delen;

IV. verklaart het beroep van de stichtingen Stichting Natuur en Milieufederatie Groningen en de Stichting Behoud Rietdal Noordhorn voor het overige en het beroep van de [maatschap]geheel ongegrond;

V. veroordeelt de raad tot vergoeding van bij de stichtingen Stichting Natuur en Milieufederatie Groningen en de Stichting Behoud Rietdal Noordhorn in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 51,11 (zegge: eenenvijftig euro en elf cent), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

VI. gelast dat de raad van de gemeente Zuidhorn aan de stichtingen Stichting Natuur en Milieufederatie Groningen en de Stichting Behoud Rietdal Noordhorn het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 298,00 (zegge: tweehonderdachtennegentig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. D.A.C. Slump en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Zwemstra

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2011

91-675.