Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BT8615

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-10-2011
Datum publicatie
19-10-2011
Zaaknummer
201102615/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 september 2008 heeft het college aan Droste Vastgoedontwikkeling B.V. vrijstelling en bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van drie appartementengebouwen met 36 appartementen, een (niet-openbare) parkeergarage, vier carports met bergingen en een bijbehorend parkeerterrein aan de Rijssensestraat 63-65 te Wierden (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201102615/1/H1.

Datum uitspraak: 19 oktober 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te Wierden,

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 26 januari 2011 in zaken nrs. 09/603 en 09/606 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het college van burgemeester en wethouders van Wierden.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 september 2008 heeft het college aan Droste Vastgoedontwikkeling B.V. vrijstelling en bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van drie appartementengebouwen met 36 appartementen, een (niet-openbare) parkeergarage, vier carports met bergingen en een bijbehorend parkeerterrein aan de Rijssensestraat 63-65 te Wierden (hierna: het perceel).

Bij besluit van 28 april 2009 heeft het college het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar deels gegrond en deels ongegrond verklaard, en het besluit van 23 september 2008 met een gewijzigde motivering in stand gelaten.

Bij tussenuitspraak van 13 oktober 2010, verzonden op 15 oktober 2010, heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de uitspraak het daarin genoemde gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij brief van 17 november 2010 heeft het college de rechtbank meegedeeld op welke wijze het gebrek is hersteld.

Bij uitspraak van 26 januari 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellanten], tegen het besluit van 28 april 2009 ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 28 april 2009 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan geheel in stand worden gelaten. Deze uitspraak is eveneens aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 maart 2011, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 september 2011, waar [appellanten], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door D.M. den Blanken-ten Hove en M. Stevens-Welleweerd, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is gehoord Droste Vastgoedontwikkeling B.V., vertegenwoordigd door P.M.D. Droste.

2. Overwegingen

2.1. [appellanten] betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het welstandsadvies van 23 april 2010 niet deugdelijk is omdat de nadere motivering dat het bouwplan aan redelijke eisen van welstand voldoet, inhoudelijk onjuist is. Zij voeren daartoe aan dat het gebouw breder is dan hoog zodat niet aan het stedenbouwkundige uitgangspunt wordt voldaan dat de hoogte van de elementen ten opzichte van de breedte visueel moet overheersen.

2.1.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 mei 2009 in zaak nr. 200804977/1) mag het college, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria. Ook laatstgenoemde omstandigheid kan aanleiding geven tot het oordeel dat het besluit van het college in strijd is met artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woningwet of niet berust op een deugdelijke motivering. Dit neemt echter niet weg dat een welstandsnota criteria kan bevatten die zich naar hun aard beter lenen voor beoordeling door een deskundige dan voor beoordeling door een aanvrager of derde-belanghebbende.

2.1.2. De welstandscommissie verwijst in haar advies van 23 april 2010 naar de stedenbouwkundige uitgangspunten en komt tot de conclusie dat het bouwplan in situering, vormgeving, hoogte, maat, schaal en kleur- en materiaalgebruik voldoet aan deze uitgangspunten. Niet gebleken is dat het welstandsadvies van 23 april 2010 naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college het niet aan zijn oordeel over de welstand ten grondslag had mogen leggen.

Het betoog faalt.

2.2. [appellanten] betogen voorts dat het aan het besluit klevende gebrek niet is hersteld omdat het college slechts heeft volstaan met het toezenden van het welstandsadvies van 23 april 2010, dat zich op het moment van de tussenuitspraak reeds bij de gedingstukken bevond. De rechtbank heeft volgens [appellanten] dan ook ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten.

2.2.1. [appellanten] stellen terecht dat het welstandsadvies van 23 april 2010 ten tijde van de tussenuitspraak al aan de rechtbank was toegezonden. Daaraan kan echter niet de betekenis worden toegekend die zij daaraan gehecht willen zien. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank immers geen inhoudelijk oordeel gegeven over dit advies, doch uitsluitend verwezen naar het stempeladvies van 15 september 2009. De enkele omstandigheid dat de rechtbank met toepassing van artikel 8:51a van de Algemene wet bestuursrecht aan het college heeft opgedragen het motiveringsgebrek in het besluit van 28 april 2009 te herstellen, kan derhalve niet leiden tot het oordeel dat het college ter voldoening aan die opdracht niet naar het advies van 23 april 2010 mocht verwijzen. Het betoog faalt.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. Lodder

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2011

17-702.