Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BT8614

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-10-2011
Datum publicatie
19-10-2011
Zaaknummer
201102535/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 augustus 2009 heeft de voorzitter inzake een declaratiegeschil tussen [appellant] en [een notaris] te Zutphen, beslist dat er geen gronden zijn om de bestreden declaratie anders vast te stellen dan de notaris heeft gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201102535/1/H3.

Datum uitspraak: 19 oktober 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Hengelo, gemeente Bronckhorst,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 12 januari 2011 in zaak nr. 10/331 in het geding tussen:

[appellant]

en

de voorzitter van het bestuur van de ring Zutphen van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 augustus 2009 heeft de voorzitter inzake een declaratiegeschil tussen [appellant] en [een notaris] te Zutphen, beslist dat er geen gronden zijn om de bestreden declaratie anders vast te stellen dan de notaris heeft gedaan.

Bij besluit van 18 januari 2010 heeft de voorzitter het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 januari 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 februari 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 7 april 2011.

Bij brief van 19 april 2011 heeft de voorzitter een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 27 april 2011 heeft de notaris, daartoe in de gelegenheid gesteld, een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 oktober 2011, waar [appellant] is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 55, eerste lid, van de Wet op het notarisambt is de notaris verplicht om op verzoek van de cliënt een rekening van zijn honorarium voor ambtelijke werkzaamheden en de overige aan de zaak verbonden kosten op te maken, waaruit duidelijk blijkt op welke wijze het in rekening gebrachte bedrag is berekend.

Ingevolge het tweede lid, eerste volzin, kan, indien over de in het eerste lid bedoelde rekening geschil ontstaat, de meest gerede partij bij met redenen omkleed schriftelijk verzoek aan de voorzitter van het bestuur van de ring, bedoeld in artikel 82, eerste lid, in het arrondissement waar de notaris gevestigd is, een beslissing vragen.

2.2. [appellant] is bij de voorzitter opgekomen tegen de hoogte van de declaratie die de notaris op 31 maart 2009 heeft opgemaakt ter zake van werkzaamheden die zijn verricht in verband met door [appellant] bij brief van 8 oktober 2008 gedane verzoeken. Bij deze declaratie heeft de notaris de totale duur van de verrichte werkzaamheden beraamd op 210 minuten en daarvoor aan [appellant] een bedrag van € 630,00 aan notariële kosten en € 119,70 aan omzetbelasting, zijnde 19% van € 630,00, in rekening gebracht.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte geen grond heeft gezien voor het oordeel dat de voorzitter zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de declaratie niet te hoog is. Hij voert daartoe aan dat het bij de declaratie in rekening gebrachte bedrag niet in verhouding staat tot de door de notaris verrichte werkzaamheden, aangezien de notaris heeft nagelaten om, zoals verzocht, onderzoek te doen naar het bestaan van bepaalde notariële akten.

2.3.1. Bij brief van 8 oktober 2008 heeft [appellant] de notaris allereerst verzocht om de laatste wilsbeschikking van [persoon] door te lezen en te bezien of bij diens overlijden op 2 augustus 1983 de moeder van [appellant] en bij haar overlijden op 23 april 2005 haar wettige afstammelingen erfgenamen waren van [persoon]. Bij deze brief heeft [appellant] de notaris tevens verzocht om bij een gunstige beoordeling van het eerste verzoek een onderzoek in te stellen naar het bestaan van twee of meer notariële akten waarin staat beschreven dat [persoon] heeft voldaan aan de bepalingen en bedingen in twee door [appellant] genoemde kadastrale akten, en, indien deze notariële akten bestaan, om kopieën daarvan aan hem toe te sturen.

Bij brieven van 9 juni en 9 juli 2009 heeft de notaris aan [appellant], onderscheidenlijk de voorzitter toegelicht dat het eerste verzoek een ingewikkelde testamentaire kwestie betrof, die niet direct kon worden beantwoord, doch bestudering van verschillende bescheiden en raadpleging van juridische literatuur vergde. Gezien de inhoud van de brief van 8 oktober 2008, volgens welke al vier andere notarissen zich met de kwestie hadden beziggehouden, alsmede de bij de brief gevoegde bijlagen, acht de Afdeling aannemelijk dat het eerste verzoek inderdaad een ingewikkelde kwestie betrof.

Op 25 november 2008 heeft de notaris het eerste verzoek in zijn kantoor met [appellant] besproken. Volgens de declaratie heeft dat gesprek 70 minuten geduurd. Daarna heeft de notaris verschillende bescheiden bestudeerd, hetgeen volgens de declaratie 65 minuten heeft geduurd. Bij brief van 6 januari 2009 heeft de notaris aan [appellant] in antwoord op het eerste verzoek gemotiveerd bericht dat de moeder van [appellant] geen erfgename van [persoon] is geworden. Volgens de declaratie heeft het opstellen van deze brief 40 minuten geduurd. In het licht van de complexiteit van de kwestie waarop het eerste verzoek betrekking heeft en de omvang van de door [appellant] in verband met dat verzoek overgelegde bijlagen, is de duur van de door de notaris aan het eerste verzoek bestede werkzaamheden niet onredelijk lang. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat [appellant] bij brief van 15 december 2008 aanvullende informatie in het kader van het eerste verzoek aan de notaris heeft toegestuurd.

Bij brief van 12 januari 2009 heeft [appellant] de notaris verzocht om, ondanks diens negatieve antwoord op het eerste verzoek, toch in te gaan op het tweede verzoek. Bij brief van 13 maart 2009 heeft de notaris geantwoord niet aan dat verzoek te kunnen voldoen, aangezien de gevraagde notariële akten, indien deze bestaan, inmiddels zijn ondergebracht bij de Centrale Archief Selectiedienst, waartoe de notaris geen toegang heeft. Volgens de declaratie heeft het opstellen van deze brief 35 minuten geduurd. Ook deze duur is niet onredelijk lang.

Dat de notaris niet aan het tweede verzoek kon voldoen, laat onverlet dat de notaris tijd heeft moeten besteden aan de beantwoording van dat verzoek en aan de beantwoording van het eerste verzoek, hetgeen de notaris in rekening mocht brengen. Uit het voorgaande volgt dat de notaris niet onredelijk veel tijd aan de beantwoording van de verzoeken heeft besteed. Het bij de declaratie wegens notariële kosten aan [appellant] in rekening gebrachte bedrag staat niet in een onredelijke verhouding tot de door de notaris bestede tijd. Derhalve heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de voorzitter zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de declaratie niet te hoog is. Het betoog faalt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. de Vries, ambtenaar van staat.

w.g. Borman w.g. De Vries

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2011

582.