Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BT8607

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-10-2011
Datum publicatie
19-10-2011
Zaaknummer
201104290/1/V6
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 augustus 2009 heeft de minister van Justitie (hierna: de minister), thans: de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, het verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201104290/1/V6.

Datum uitspraak: 19 oktober 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 maart 2011 in zaak nr. 10/1673 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 augustus 2009 heeft de minister van Justitie (hierna: de minister), thans: de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, het verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 1 maart 2010 heeft de minister het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 1 maart 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 april 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 11 mei 2011. Deze brieven zijn aangehecht.

De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 september 2011, waar partijen niet zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) wordt, met inachtneming van de bepalingen van hoofdstuk 4, aan vreemdelingen die daarom verzoeken het Nederlanderschap verleend.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, zoals dit luidde ten tijde van belang, komt voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 slechts in aanmerking de verzoeker die tenminste sedert vijf jaren onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba toelating en hoofdverblijf heeft.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, wordt een verzoek om naturalisatie afgewezen, indien op grond van het gedrag van de verzoeker ernstige vermoedens bestaan dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden, of de veiligheid van het Koninkrijk.

Ingevolge artikel 10 kan de Kroon, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, in bijzondere gevallen het Nederlanderschap verlenen met afwijking van het bepaalde in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, c en d, artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c, en de termijn genoemd in artikel 11, derde, vierde en vijfde lid.

In de Handleiding voor de toepassing van de RWN 2003 (hierna: de Handleiding) is in de toelichting op artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de RWN vermeld dat primair aan de hand van de gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie (hierna: de GBA) wordt getoetst of sprake is van hoofdverblijf. Indien de GBA-gegevens niet afdoende blijken, dient de verzoeker zijn hoofdverblijf gedurende de afgelopen vijf jaar zelf aan te tonen door middel van andere bewijsstukken. Voorts is vermeld dat gedurende de vijf jaren vóór het indienen van zijn verzoek om naturalisatie het verblijfsrecht van verzoeker niet onderbroken mag zijn. Het woord ‘sedert’ duidt erop dat het vereiste van ononderbroken toelating en hoofdverblijf eveneens geldt voor de periode vanaf het moment van indiening van het verzoek tot en met de beslissing op het verzoek. Gedurende de periode van vijf jaar onmiddellijk voorafgaande aan de indiening van het verzoek én gedurende de periode vanaf de indiening van het verzoek tot en met de beslissing op het verzoek mogen er derhalve geen zogenaamde ‘verblijfsgaten’ voorkomen. Een verblijfsgat leidt tot een onderbreking van de termijn. Na de onderbreking begint opnieuw een termijn van vijf jaar te lopen.

In de Handleiding is in de toelichting op artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN uiteengezet wanneer ernstige vermoedens bestaan dat de verzoeker een gevaar oplevert voor de openbare orde en is vermeld dat daarbij de verwachtingen over het toekomstige gedrag van de verzoeker centraal staan en die verwachtingen worden gebaseerd op zijn gedrag in het heden en het recente verleden. Voorts is vermeld dat een verzoek om naturalisatie wordt afgewezen indien in de periode van vier jaar direct voorafgaande aan het verzoek of de beslissing daarop een sanctie ter zake van een misdrijf is opgelegd of ten uitvoer is gelegd. Verder is vermeld dat het in zeer bijzondere gevallen mogelijk is dat een verzoek dat op grond van het beleid zou moeten worden afgewezen, toch moet worden ingewilligd. Voor de eenduidigheid, de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid is het van het grootste belang dat niet snel van het beleid wordt afgeweken en moet zeer grote terughoudendheid worden betracht.

2.2. [appellant] betoogt dat het besluit van 1 maart 2010 in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel is genomen. Hiertoe voert hij aan dat de periodes waarin hij niet was ingeschreven in het GBA niet op voorhand afbreuk doen aan zijn stelling dat hij geen hoofdverblijf buiten Nederland heeft gehad en dat hij ter onderbouwing van die stelling bewijsstukken heeft overgelegd. Gesteld noch gebleken is dat hij in die periodes Nederland heeft verlaten, hetgeen evenmin aannemelijk is aangezien hij over een verblijfsvergunning beschikt op grond waarvan hij niet zonder meer elders in Europa mag verblijven, aldus [appellant]. Voorts voert hij aan dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van de door de minister vermelde detentieperiodes, die niet overeenkomen met de detentieperiodes vermeld in de door [appellant] overgelegde informatie van de Dienst Justitiële Inrichtingen (hierna: de DJI).

2.2.1. De minister heeft zich in het besluit van 1 maart 2010 onder verwijzing naar de Handleiding terecht op het standpunt gesteld dat nu uit de gegevens van het GBA niet blijkt dat [appellant] gedurende de periode van vijf jaar onmiddellijk voorafgaande aan de indiening van zijn verzoek én gedurende de periode vanaf de indiening van zijn verzoek tot en met de beslissing daarop hoofdverblijf heeft gehad in Nederland, het aan [appellant] is om dat aan te tonen. De periodes waarin [appellant] niet was ingeschreven in het GBA doen derhalve op voorhand afbreuk aan zijn stelling dat hij geen hoofdverblijf buiten Nederland heeft gehad. De minister heeft zich terecht en gemotiveerd ten aanzien van de door [appellant] overgelegde stukken op het standpunt gesteld dat [appellant] hiermee niet heeft aangetoond dat hij hoofdverblijf heeft gehad in Nederland in de periodes waarin hij niet was ingeschreven in het GBA en waarvan de minister niet reeds bewezen heeft geacht dat [appellant] hoofdverblijf heeft gehad in Nederland. De uitzendovereenkomst, loonslippen en curriculum vitae zien op een periode die niet in geschil is en de objectiviteit van de verklaring van [persoon] staat onvoldoende vast, nu zij een vertrouwensband heeft met [appellant]. De detentieperiodes vermeld in de informatie van de DJI zijn weliswaar in totaal ruim drie weken langer dan die vermeld in het besluit van 1 maart 2010, echter ook ten aanzien van deze detentieperiodes geldt dat deze slechts gedeeltelijk overlappen met de periodes waarin [appellant] niet stond ingeschreven in het GBA en waarvan de minister niet reeds bewezen heeft geacht dat [appellant] hoofdverblijf heeft gehad in Nederland. De enkele stelling dat het niet aannemelijk is dat [appellant] in voormelde periodes Nederland heeft verlaten, doet er niet aan af dat [appellant] dit niet heeft aangetoond. Geen grond bestaat voor het oordeel dat de minister het besluit van 1 maart 2010 in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel heeft genomen.

Het betoog faalt.

2.3. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank een onjuiste norm heeft gehanteerd bij de beoordeling van de vraag of hij een gevaar vormt voor de openbare orde. Hiertoe voert hij aan dat uit de formulering van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN volgt dat voor die beoordeling zijn huidige en toekomstige gedrag leidend is nu immers de weigering van het verzoek geen extra straf mag zijn. Ter ondersteuning van zijn standpunt dat hij thans geen gevaar voor de openbare orde meer vormt, heeft [appellant] een rapport van de reclassering van 2 februari 2009 overgelegd en stelt hij dat hij zijn leven op orde heeft gebracht, een relatie heeft, werkt, ruim een jaar een zinvolle bijdrage tracht te leveren aan de Nederlandse samenleving en geruime tijd niet in aanraking is geweest met politie of justitie. Bij de beoordeling van voormelde omstandigheden heeft de rechtbank artikel 10 van de RWN te beperkt geïnterpreteerd, aangezien ook individuele belangen en omstandigheden een rol spelen bij de toepassing van dat artikel, aldus [appellant].

2.3.1. Tussen partijen is niet in geschil dat ten aanzien van [appellant] in de periode van vier jaar direct voorafgaande aan het verzoek of de beslissing daarop sancties ter zake van misdrijven zijn opgelegd en ten uitvoer zijn gelegd.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van de Afdeling van 25 november 2009 in zaak nr. 200900688/1/V6), mag het beleid, neergelegd in de Handleiding, dienen als uitgangspunt bij de beoordeling van de vraag of sprake is van ernstige vermoedens dat de verzoeker gevaar oplevert voor de openbare orde. In de Handleiding is vermeld dat de verwachtingen over het toekomstige gedrag van de verzoeker centraal staan en die verwachtingen worden gebaseerd op zijn gedrag in het heden en het recente verleden. Derhalve heeft de minister noch de rechtbank een onjuiste norm gehanteerd bij de beoordeling van de vraag of ernstige vermoedens bestaan dat [appellant] een gevaar vormt voor de openbare orde.

Voormeld rapport van de reclassering is ruim vóór het besluit van 1 maart 2010 opgesteld en vormde reeds daarom voor de minister geen aanleiding voor de conclusie dat [appellant] thans geen gevaar voor de openbare orde meer vormt. De rechtbank heeft ten aanzien van de overige door [appellant] gestelde omstandigheden terecht overwogen dat deze niet zodanig bijzonder zijn dat deze de minister noopten tot afwijking van het beleid. Tot slot treft hetgeen [appellant] ten aanzien van artikel 10 van de RWN heeft betoogd reeds geen doel nu dit artikel geen mogelijkheid biedt tot afwijking van het bepaalde in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN.

Het betoog faalt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.J.H. Cassé, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Cassé

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2011

588.