Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BT8602

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-10-2011
Datum publicatie
19-10-2011
Zaaknummer
201009485/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 juli 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Woongebieden Kom Uden" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:11
Algemene wet bestuursrecht 6:22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2012/17 met annotatie van H.J. Breeman en R.J.G. Bäcker
JOM 2012/35
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201009485/1/R3.

Datum uitspraak: 19 oktober 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Uden,

en

de raad van de gemeente Uden,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 juli 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Woongebieden Kom Uden" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op 30 september 2010, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 29 oktober 2010.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 september 2011, waar [appellant], bijgestaan door mr. J. Schoneveld, en de raad, vertegenwoordigd door drs. J. Heijmans, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet, voor zover hier van belang, in een uitbreiding van de supermarkt aan het Muziekplein te Uden.

2.1.1. Het beroep van [appellant] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Gemengd - 1" ter plaatse van het Muziekplein te Uden. [appellant], die aan het [locatie] te Uden woont, voert aan dat het plandeel onrechtmatig tot stand is gekomen, nu het rapport "Uden, parkeeronderzoek Muziekplein" van 17 september 2009 (hierna: het parkeeronderzoek), niet tezamen met het ontwerp van het plan ter inzage is gelegd. Eerst bij de beantwoording van de door hem ingediende zienswijze is hem bekend geworden dat dit rapport bestond.

2.1.2. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat bedoeld rapport is opgesteld ten behoeve van de beoordeling van de aanvraag om ontheffing en bouwvergunning van de uitbreiding van de supermarkt. [appellant] had in het kader van de beoordeling van die aanvraag bekend kunnen zijn met dat onderzoek.

2.1.3. Ingevolge artikel 3.8, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) is op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing met dien verstande dat in voormeld artikel enkele aanvullende voorschriften worden gegeven.

Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage. Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Awb legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage.

2.2. Vast staat dat voornoemd parkeeronderzoek niet met het ontwerp van het plan ter inzage heeft gelegen. Nu het plan, zoals dat destijds in ontwerp ter inzage was gelegd, er mede toe strekte de uitbreiding van de supermarkt planologisch mogelijk te maken en de parkeersituatie van belang is voor de beoordeling van de vraag of de uitbreiding vanuit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar is, moet het onderzoek worden aangemerkt als een op de zaak betrekking hebbend stuk als bedoeld in artikel 3:11, eerste lid, van de Awb. Ten onrechte is de ter inzagelegging daarvan achterwege gebleven.

Ten tijde van de ter inzagelegging van het ontwerp van het plan was de voor de uitbreiding benodigde bouwvergunning nog niet verleend en was evenmin een aanvraag daartoe met de daarbij behorende stukken ter inzage gelegd. Reeds hierom kan niet met vrucht worden gesteld dat [appellant] dan wel andere omwonenden uit dien hoofde bekend konden zijn met het parkeeronderzoek en bestaat geen aanleiding het gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.

De conclusie is dat hetgeen [appellant] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het plan, voor zover het ziet op het plandeel met de bestemming "Gemengd - 1" ter plaatse van het Muziekplein, is vastgesteld in strijd met artikel 3.8, eerste lid, van de Wro in samenhang bezien met artikel 3:11, eerste lid, van de Awb. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd.

De Afdeling ziet evenwel aanleiding om het navolgende te overwegen.

2.3. [appellant] voert verder aan dat de raad er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat het verplaatsen van de buitenopslag en de emballage naar binnen een vergroting van de supermarkt met zich brengt. Ook vreest hij in verband met de uitbreiding van de supermarkt voor nog grotere parkeerproblemen dan er nu al zijn. [appellant] betwijfelt of er voldoende parkeergelegenheid gerealiseerd zal worden, omdat de in de directe omgeving aanwezige parkeerplaatsen niet aan de supermarkt zijn gekoppeld en ook gebruikt kunnen worden door bewoners in de buurt. Verder wordt volgens [appellant] ten onrechte in de plantoelichting gesproken van een buurtsupermarkt, terwijl afgaande op de verbeelding en de regels niet gesproken kan worden van een zodanige supermarkt.

2.3.1. Aan het perceel aan het Muziekplein is de bestemming "Gemengd - 1" toegekend. Ingevolge artikel 8, lid 8.1, aanhef en onder 1, voor zover hier van belang, van de planregels zijn de als zodanig aangewezen gronden onder andere bestemd voor detailhandel, uitsluitend op de begane grondvloer.

2.3.2. Bij besluit van 27 mei 2010 heeft het college van burgemeester en wethouders van Uden aan de supermarkt ontheffing als bedoeld in artikel 3.23 van de Wro van het destijds geldende bestemmingsplan "Bitswijk 1970" en bouwvergunning verleend voor het verbouwen en uitbreiden van de supermarkt. Tegen deze besluiten zijn geen rechtsmiddelen aangewend en daarmee zijn voornoemde ontheffing en vergunning rechtens onaantastbaar geworden.

2.3.3. Het plan strekt ertoe om hetgeen met de eerder genoemde ontheffing en vergunning ter plaatse mogelijk is gemaakt, planologisch vast te leggen. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is de Afdeling gebleken dat het plan op dit punt geen mogelijkheden biedt die naar de aard en omvang afwijken van het hetgeen met toepassing van het verleende en in rechte onaantastbare besluit tot ontheffing mogelijk is. Onder deze omstandigheden sluit de afweging die de raad bij de vaststelling van het plan heeft moeten maken, nauw aan bij de afweging van het college van burgemeester en wethouders in het kader van de verzochte ontheffing. De uitbreiding die mogelijk is gemaakt door de verleende ontheffing is onherroepelijk geworden en moet derhalve voor rechtmatig worden gehouden. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in dit geval een andere afweging had moeten maken, nu het plan niet verschilt van hetgeen de ontheffing mogelijk maakt en [appellant] niet heeft gesteld dat er ten tijde van de vaststelling van het plan een verandering van omstandigheden was ten opzichte van het besluit omtrent de ontheffing die daartoe noopte.

2.3.4. Ten aanzien van het betoog dat de plantoelichting niet met de verbeelding en de planregels overeenkomt, omdat de plantoelichting van een buurtsupermarkt spreekt, terwijl daar gezien de verbeelding volgens [appellant] geen sprake van is, wordt overwogen dat de plantoelichting als zodanig geen juridisch bindend deel uitmaakt van het bestemmingsplan. Verder is niet aannemelijk gemaakt dat de plantoelichting dusdanige onjuistheden en onvolkomenheden bevat dat al daardoor een vertekend beeld van de situatie ter plaatse ontstaat.

2.4. In hetgeen [appellant], buiten het hiervoor onder 2.1.1 genoemde voor het overige heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat het plandeel met de bestemming "Gemengd - 1" voor het perceel aan het Muziekplein strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In zoverre wordt evenmin aanleiding gezien voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.5. Gelet op het onherroepelijk worden van het besluit tot ontheffing en bouwvergunning, waaraan ook het parkeeronderzoek ten grondslag heeft gelegen, ziet de Afdeling aanleiding toepassing te geven aan artikel 8:72, derde lid, van de Awb en de rechtsgevolgen van het te vernietigen onderdeel van het bestreden besluit in stand te laten.

2.6. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Uden tot vaststelling van het bestemmingsplan "Woongebieden Kom Uden" van 8 juli 2010, voor zover het ziet op het plandeel met de bestemming "Gemengd - 1" ter plaatse van het Muziekplein;

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het besluit geheel in stand blijven;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Uden tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 940,95 (zegge: negenhonderdveertig euro en vijfennegentig cent), waarvan € 874,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat de raad van de gemeente Uden aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van staat.

w.g. Hoekstra w.g. Matulewicz

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2011

45-661.