Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BT8597

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-10-2011
Datum publicatie
19-10-2011
Zaaknummer
201103664/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 september 2009 heeft de Belastingdienst het voorschot kindertoeslag 2008 voor [appellante] herzien en gewijzigd vastgesteld op nihil.

Wetsverwijzingen
Wet op het kindgebonden budget
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2011/273
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201103664/1/H2.

Datum uitspraak: 19 oktober 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Hulshorst, gemeente Nunspeet,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 16 februari 2011 in zaak nr. 10/205 in het geding tussen:

[appellante]

en

Belastingdienst/Toeslagen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 september 2009 heeft de Belastingdienst het voorschot kindertoeslag 2008 voor [appellante] herzien en gewijzigd vastgesteld op nihil.

Bij besluit van 29 januari 2010 heeft de Belastingdienst het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 februari 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 maart 2011, hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst heeft een verweerschrift ingediend.

Nadat partijen bij brieven van 6 en 9 mei 2011 daartoe toestemming als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht hebben verleend, heeft de Afdeling bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 5, tweede lid, van de Wet op het kindgebonden budget (hierna: de Wkb) wordt de ouder die

a. over het berekeningsjaar aanspraak heeft op een kindgebonden budget, en b. over het berekeningsjaar reeds in aanmerking komt voor een andere tegemoetkoming waarvan de uitvoering is opgedragen aan de Belastingdienst/Toeslagen,

geacht een aanvraag als bedoeld in artikel 15 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) voor het kindgebonden budget te hebben gedaan.

Ingevolge artikel 6 wordt degene bij wie in het jaar 2006 bij de vaststelling van de verschuldigde inkomstenbelasting op grond van artikel 2.7 van de Wet inkomstenbelasting 2001 kinderkorting in aanmerking is genomen en die voor het berekeningsjaar niet in aanmerking komt voor een andere tegemoetkoming waarvan de uitvoering is opgedragen aan de Belastingdienst/Toeslagen, geacht voor het jaar 2008 een aanvraag te hebben gedaan als bedoeld in artikel 15 van de Awir. Voor de toepassing van artikel 16, eerste en tweede lid, van de Awir wordt in dat geval de aanvraag geacht te zijn gedaan op 1 oktober 2007.

Ingevolge artikel 15, vierde lid, van de Awir wordt een aanvraag geacht mede te zijn gedaan voor op het berekeningsjaar volgende berekeningsjaren.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, verleent de Belastingdienst, indien de tegemoetkoming naar verwachting niet binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag zal worden toegekend, de belanghebbende een voorschot tot het bedrag waarop de tegemoetkoming vermoedelijk zal worden vastgesteld.

Ingevolge het vierde lid kan de Belastingdienst het voorschot herzien.

Ingevolge het vijfde lid kan een herziening van het voorschot leiden tot een terug te vorderen bedrag.

Ingevolge artikel 24, tweede lid, worden voorschotten, indien deze zijn verleend, verrekend met de tegemoetkoming.

Ingevolge het derde lid kan de in het tweede lid bedoelde verrekening leiden tot een terug te vorderen bedrag.

Ingevolge artikel 26 is de belanghebbende, indien een herziening van een tegemoetkoming of een herziening van een voorschot leidt tot een terug te vorderen bedrag dan wel een verrekening van een voorschot met een tegemoetkoming daartoe leidt, het bedrag van de terugvordering in zijn geheel verschuldigd.

2.2. [appellante] betwist niet dat zij in 2008 geen recht had op kindertoeslag. Zij betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de Belastingdienst niet in redelijkheid de reeds uitbetaalde voorschotten heeft kunnen terugvorderen. Zij voert daartoe aan dat de Belastingdienst de kindertoeslag heeft toegekend en uitbetaald zonder dat zij een aanvraag daartoe heeft ingediend, en dat de Belastingdienst dat vervolgens is blijven doen, terwijl de Belastingdienst vanaf 1 maart 2007 is geïnformeerd over haar burgerlijke staat en gezamenlijke huishouding. Volgens [appellante] is het niet aan haar toe te rekenen dat de Belastingdienst is uitgegaan van onjuiste gegevens, waardoor het niet redelijk is haar te laten opdraaien voor het terugbetalen van het ten onrechte uitbetaalde bedrag aan voorschotten kindertoeslag.

2.2.1. Bij de Wkb is de zogenoemde kinderkorting omgezet in een kindertoeslag. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Wkb (Kamerstukken II 2006/07, 30 912, nr. 3, blz. 10) blijkt dat de wetgever zoveel mogelijk heeft voorzien in een automatische toekenning van de kindertoeslag teneinde te voorkomen dat alle gerechtigden een eerste aanvraag moeten indienen. Om die reden wordt [appellante] ingevolge artikel 6 van de Wkb geacht een aanvraag om een voorschot kindertoeslag te hebben gedaan voor het jaar 2008. De omstandigheid dat [appellante] niet daadwerkelijk een aanvraag heeft ingediend, is geen grond voor het oordeel dat de Belastingdienst ten onrechte voorschotten aan haar heeft toegekend en om die reden die voorschotten thans niet meer zou mogen terugvorderen.

Dat [appellante] in 2007 tezamen met haar partner belastingaangifte heeft gedaan, zodat de Belastingdienst op de hoogte was van haar inkomen, leidt er niet toe dat zij er op mocht vertrouwen dat de Belastingdienst de voorschotten niet zou terugvorderen, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen. Daarbij is van belang dat in de beschikking waarbij de voorschotten zijn toegekend is vermeld van welk toetsingsinkomen de Belastingdienst is uitgegaan en is voorts gevraagd de gegevens te controleren.

Voorts vloeit, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 14 juli 2010 in zaak nr. 200909913/1/H2), uit het bepaalde in artikel 16, eerste lid, gelezen in samenhang met het vierde en vijfde lid, van de Awir voort dat aan de verlening van, voor zover van belang, een voorschot zorgtoeslag geen gerechtvaardigd vertrouwen kan worden ontleend dat een met dat voorschot overeenkomende aanspraak op toeslag bestaat. Het voorschot wordt immers slechts verleend tot het vermoedelijke bedrag van de tegemoetkoming en die verlening kan worden herzien. De voorschotten worden verrekend met de tegemoetkoming hetgeen eveneens kan leiden tot een terugvordering. In artikel 26 van de Awir is voorts dwingendrechtelijk bepaald dat indien een verrekening van een voorschot met een tegemoetkoming, zoals hier aan de orde, leidt tot een terugvordering, de belanghebbende het bedrag van de terugvordering in zijn geheel is verschuldigd. Nu de Awir niet de bevoegdheid geeft af te zien van de terugvordering van een bedrag dat bij wijze van voorschot is uitbetaald, is de rechtbank terecht en op goede gronden tot de slotsom gekomen dat de Belastingdienst terecht heeft bepaald dat [appellante] het bedrag van € 994,00 moet terugbetalen.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. M. Vlasblom en mr. J.H. van Kreveld, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Poot

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2011

362.