Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BT8596

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-10-2011
Datum publicatie
19-10-2011
Zaaknummer
201103596/1/H4
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 juni 2009 heeft het college geweigerd aan [appellant] een bouwvergunning te verlenen en een projectbesluit te nemen voor het oprichten van een bedrijfshal op de hoek Stationsweg/Harperinkskamp te Borculo (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201103596/1/H4.

Datum uitspraak: 19 oktober 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Borculo, gemeente Berkelland,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 23 maart 2011 in zaak nr. 09/1951 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Berkelland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 juni 2009 heeft het college geweigerd aan [appellant] een bouwvergunning te verlenen en een projectbesluit te nemen voor het oprichten van een bedrijfshal op de hoek Stationsweg/Harperinkskamp te Borculo (hierna: het perceel).

Bij besluit van 15 december 2009 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 maart 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 maart 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brieven van 18 en 21 april 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 september 2011, waar [appellant], bijgestaan door mr. F.J.M. Kobossen, en het college, vertegenwoordigd door S.A. van der Spek, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Industrietterrein Borculo 1982" rust op het perceel de bestemming "Handel en Nijverheid klasse C".

Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover van belang, is de op de kaart voor "Handel en Nijverheid, klasse C" aangewezen grond bestemd voor gebouwen ten dienste van:

1. inrichtingen tot en met categorie 4, expliciet genoemd onder de begripsomschrijvingen en nader aangegeven in bijlage III van de voorschriften;

2. inrichtingen in de sector handel en nijverheid, zoals deze ten tijde van de tervisielegging van het ontwerpplan aanwezig zijn;

3. overheids- en nutsbedrijven;

4. de detailhandel, die ter plaatse is gevestigd.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de op het perceel rustende bestemming "Handel en Nijverheid, klasse C" eveneens detailhandel omvat.

2.2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 27 juni 2007 in zaak nr. 200606202/1), moet er, hoewel de term "handel" detailhandel niet uitsluit, in beginsel van worden uitgegaan dat de planwetgever met die term, in combinatie met de term "nijverheid", niet mede heeft gedoeld op handel die zich in overwegende mate op het winkelend publiek richt. Dat artikel 8, eerste lid, van de planvoorschriften detailhandel die ter plaatse reeds gevestigd is, wel toelaat, leidt niet tot een ander oordeel. Dit betekent dat ervoor is gekozen bestaande detailhandel nog toe te laten en biedt juist grond voor het oordeel dat niet bedoeld is nieuwe detailhandel op gronden met de bestemming "Handel en Nijverheid, klasse C" toe te staan.

Het betoog faalt.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan in overeenstemming met het bestemmingsplan is en het college daarom gehouden was bouwvergunning te verlenen. Hiertoe voert hij aan dat ter plaatse een groothandel zal worden gevestigd met detailhandel als ondergeschikte activiteit, hetgeen niet in strijd is met het bestemmingsplan.

2.3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 16 juli 2008 in zaak nr. 200708330/1), moet bij de toetsing van een bouwplan aan een bestemmingsplan niet slechts worden bezien of het bouwwerk overeenkomstig de bestemming van het perceel kan worden gebruikt, doch mede of het bouwwerk ook met het oog op zodanig gebruik wordt opgericht. Er is strijd met de op het perceel rustende bestemming indien redelijkerwijs valt aan te nemen dat het bouwwerk uitsluitend of mede zal worden gebruikt voor andere doeleinden dan die waarin de bestemming voorziet. In dit verband is het in de eerste plaats aan de aanvrager om de noodzakelijke gegevens te verstrekken waaruit blijkt dat het beoogde gebruik in overeenstemming is met de bestemming.

2.3.2. [appellant] heeft op de bouwaanvraag vermeld dat het bouwplan voorziet in de oprichting van een bedrijfshal met productieruimten en ondergeschikte ruimten voor verkoop en opslag op het perceel. Op de bij de bouwaanvraag behorende bouwtekening is op de begane grond verkoopruimte voorzien. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat dit, gelet op de omvang van die ruimte, een substantieel onderdeel vormt van het bouwplan. Derhalve heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat aannemelijk is dat ter plaatse detailhandel zal plaatsvinden. Naar aanleiding van een vraag van de commissie bezwaarschriften heeft [appellant] onder meer bij brief van 16 november 2009 meegedeeld dat hij bezig was met de verhuur van de op te richten bedrijfshal, maar ter zake nog geen contract had gesloten, maar wel verwachtte dat hooguit detailhandel van ondergeschikte aard zal plaatsvinden. Nu [appellant] ten tijde van het besluit van 15 december 2009 niet aannemelijk heeft gemaakt dat ter plaatse geen detailhandel dan wel detailhandel in ondergeschikte mate zal plaatsvinden, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat het bouwwerk zal worden gebruikt voor andere doeleinden dan waarin de bestemming voorziet.

Het betoog faalt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. Heijninck, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Heijninck

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2011

552.