Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BT8595

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-10-2011
Datum publicatie
19-10-2011
Zaaknummer
201103548/1/H4
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 juli 2009, onderscheidenlijk 17 augustus 2009 heeft het college aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid HEJA Projectontwikkeling B.V. vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het bouwen van 46 woningen op het perceel Pastoor van Breugelstraat ong. te Bosschenhoofd (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201103548/1/H4.

Datum uitspraak: 19 oktober 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Halderberge,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 18 februari 2011 in zaak

nr. 10/1015 in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Handelsonderneming Lebotex B.V. en Caravan Centrum Bosschenhoofd (hierna: Lebotex en Bosschenhoofd)

en

het college.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 juli 2009, onderscheidenlijk 17 augustus 2009 heeft het college aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid HEJA Projectontwikkeling B.V. vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het bouwen van 46 woningen op het perceel Pastoor van Breugelstraat ong. te Bosschenhoofd (hierna: het perceel).

Bij besluit van 26 januari 2010 heeft het college het door Lebotex en Bosschenhoofd daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 februari 2011, verzonden op 21 februari 2011, heeft de rechtbank het door Lebotex en Bosschenhoofd daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 26 januari 2010 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 maart 2011, hoger beroep ingesteld.

Lebotex en Bosschenhoofd hebben een verweerschrift ingediend.

Het college heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 september 2011, waar het college, vertegenwoordigd door R. Timmermans, werkzaam bij de gemeente, en Lebotox en Bosschenhoofd, vertegenwoordigd door G.T.M. Stoof, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan ziet op de oprichting van 46 woningen op het terrein van een voormalige steenfabriek. Dat terrein en de omliggende gronden, waaronder begrepen de gronden van de omliggende bedrijven Lebotex en Bosschenhoofd vallen binnen het bestemmingsplan "Bosschenhoofd-Dorp". Het onderhavige bouwplan maakt onderdeel uit van een totaal ontwerp dat rekening houdt met de ontwikkeling van de gronden van de voormalige steenfabriek en de omliggende gronden. Het bouwplan is fase 1 van dat ontwerp. In het totaal ontwerp zijn ook fase 2, dat ziet op de gronden van Lebotex en Bosschenhoofd, en fase 3 meegenomen.

2.2. Het bouwplan is in strijd met de ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan op het perceel rustende bestemming "Bedrijfsdoeleinden -B-". Om realisering ervan niettemin mogelijk te maken, heeft het college vrijstelling verleend krachtens artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO).

2.3. Ingevolge dit artikel kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge het eerste lid wordt onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover van belang, zijn de gronden bestemd voor "Bedrijfsdoeleinden -B-" bestemd voor:

b. de uitoefening van industriële, ambachtelijke en handelsbedrijven, voor zover het betreft bedrijven die voorkomen in de milieucategorieën 1 en 2 van de bij deze voorschriften behorende Basiszonderingslijst.

d. de uitoefening van industriële, ambachtelijke en handelsbedrijven, voor zover het betreft bedrijven die voorkomen in de milieucategorie 3 van de bij deze voorschriften behorende Basiszoneringslijst en als zodanig zijn aangeduid op de kaart, te weten:

(1) bouwbedrijf.

2.4. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het niet bevoegd was krachtens artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling voor het bouwplan te verlenen. Hiertoe voert het college aan dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan valt onder de lijst van gevallen als bedoeld in dat artikel.

2.4.1. Ten tijde van het vrijstellingsbesluit van 30 juli 2009 gold de door gedeputeerde staten van Noord-Brabant bij besluit van 16 mei 2006 vastgestelde, en in het provinciaal blad van Noord-Brabant 2006, nr. 75, gepubliceerde, regeling "Categorieën van gevallen ex artikel 19, lid 2, WRO Provincie Noord-Brabant 2006" (hierna: de regeling). De regeling bepaalt dat het college zonder voorafgaande verklaring van geen bezwaar vrijstelling kan verlenen van het bestemmingsplan voor projecten die voorkomen in deze regeling, mits wordt voldaan aan de daarbij gestelde voorwaarden.

Volgens categorie III van de regeling mag op gronden in de bebouwde kom, niet behorend tot een bedrijventerrein, met een bestemming gericht op intensieve bebouwing zoals woondoeleinden (inclusief tuin/erf), centrumdoeleinden, detailhandelsdoeleinden, horecadoeleinden, kantoordoeleinden, maatschappelijke doeleinden, bedrijfsdoeleinden en zakelijke dienstverleningsdoeleinden en met een bestemming verkeersdoeleinden of een bestemming groenvoorzieningen, voor zover niet structuurbepalend, in afwijking van die bestemmingen en/of bijbehorende voorschriften met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling worden verleend voor de volgende projecten, mits deze naar aard en omvang passen binnen de ruimtelijke (stedenbouwkundig en functioneel) uitgangspunten van het bestemmingsplan en de aard, schaal en functie van de kern:

(…)

b. het realiseren van een of meerdere woningen, met inbegrip van bijgebouwen, mits passend binnen de indicatie van de toename van de woningvoorraad per gemeente, die periodiek door de provincie wordt vastgesteld op basis van een actualisering van haar bevolkings- en woningbehoefteprognose, en passend binnen de afspraken die hierover zijn gemaakt in de uitwerkingsplannen voor de stedelijke en de landelijke regio's (Streekplan 2002).

(…).

2.4.2. Aan haar oordeel heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat, nu de gronden waarop het bouwplan is voorzien zijn aan te merken als gronden behorend tot een bedrijventerrein als bedoeld in de aanhef van de omschrijving van categorie III van de regeling, het college niet bevoegd was krachtens artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling te verlenen. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het bouwplan is voorzien op gronden met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden -B-", dat op het terrein tot 1960 een steenfabriek was gevestigd en sindsdien diverse andere bedrijven in die bebouwing en aan de westzijde van het terrein eveneens diverse bedrijven aanwezig zijn. Naar het oordeel van de rechtbank moet dat gebied in zijn geheel, vergeleken met de omvang van de kern Bosschenhoofd, dan ook als een bedrijventerrein worden aangemerkt.

2.4.3. In de toelichting op de regeling is vermeld dat de (woon-) werklocaties ten behoeve van bedrijven in milieucategorie 1 en 2 niet als bedrijventerrein worden beschouwd en dat die vallen onder de categorie stedelijk gebied. De Afdeling begrijpt de regeling zo dat, om te bepalen of het gaat om een stedelijk gebied of een bedrijventerrein, uitgegaan dient te worden van het gebied waar de te verlenen vrijstelling betrekking op heeft. Dat zijn in dit geval uitsluitend de gronden van de voormalige steenfabriek. Nu op dat terrein ingevolge artikel 6, eerste lid, van de planvoorschriften, in samenhang bezien met de plankaart, uitsluitend bedrijven zijn toegelaten die voorkomen in de milieucategorieën 1 en 2, is dat gebied, gelet op de toelichting op de regeling, niet aan te merken als een bedrijventerrein, als bedoeld in de aanhef van de omschrijving van categorie III van de regeling, maar als stedelijk gebied. Derhalve was het college bevoegd om toepassing te geven aan artikel 19, tweede lid, van de WRO. Dat Lebotex op de plankaart is aangewezen als een bedrijf dat voorkomt in milieucategorie 3 leidt niet tot een ander oordeel, reeds nu de gronden waarop zij is gevestigd vallen buiten het gebied waar de vrijstelling betrekking op heeft. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Het betoog slaagt.

2.5. Nu de rechtbank ten onrechte niet is toegekomen aan bespreking van hetgeen overigens door Lebotex en Bosschenhoofd in beroep is aangevoerd, zal de Afdeling dit alsnog doen.

2.6. Lebotex en Bosschenhoofd betogen dat het college de vrijstelling niet heeft mogen verlenen, omdat de daaraan ten grondslag gelegde ruimtelijke onderbouwing ondeugdelijk is. Zij voeren in dit verband aan dat het terrein van de voormalige steenfabriek, waarop het bouwplan is voorzien, tegelijkertijd met de gronden van Lebotex en Bosschenhoofd zou worden ontwikkeld. Volgens hen kan fase 2 niet zelfstandig zonder fase 1 ontwikkeld worden. Lebotex en Bosschenhoofd stellen dat zij zonder het realiseren van fase 2 hun bedrijven niet kunnen verplaatsen, hetgeen zij wensen.

2.6.1. In de ruimtelijke onderbouwing is ingegaan op de relatie van het bouwplan met het geldende bestemmingsplan, alsmede met de toekomstige ontwikkelingen ter plaatse. Verder is aandacht besteed aan alle van belang zijnde planologische rijks-, provinciale en gemeentelijke beleidskaders. Geconcludeerd is dat het bouwplan zowel in ruimtelijk, functioneel, financieel-economisch als milieuhygiënisch opzicht verantwoord is. De stelling van Lebotex en Bosschenhoofd dat het realiseren van fase 1 tot gevolg zal hebben dat fase 2 niet meer ontwikkeld kan worden leidt, wat daar ook van zij, niet tot het oordeel dat aan de vrijstelling ten behoeve van het bouwplan geen goede ruimtelijke onderbouwing ten grondslag is gelegd, gelet op de inhoud daarvan. Voorts blijkt uit de in het dossier aanwezige stukken niet dat door of namens het college op ondubbelzinnige wijze is toegezegd dat de fasen 2 en 3 tegelijkertijd met fase 1 ontwikkeld zouden worden.

Het betoog faalt.

2.7. Lebotex en Bosschenhoofd betogen verder dat het college bij een afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid de vrijstelling heeft kunnen verlenen. Hiertoe voeren zij aan dat, doordat de ontwikkeling van de gronden gefaseerd plaatsvindt, hun bedrijven in de bedrijfsvoering worden beperkt, omdat zij gronden en opstallen huurden op het terrein van de voormalige steenfabriek.

2.7.1. Ook dit betoog faalt. Dat Lebotex en Bosschenhoofd voorheen gronden en opstallen huurden van de voormalige steenfabriek en aldus mogelijk een verkleining van de mogelijkheden van hun bestaande bedrijven zal ontstaan, leidt niet tot het oordeel dat het college bij afweging van de betrokken belangen niet meer waarde heeft mogen toekennen aan het belang van vergunninghouder bij het realiseren van het bouwplan dan aan de door Lebotex en Bosschenhoofd gestelde belangen. Wat betreft de door hen gestelde te lijden schade ten gevolge van het realiseren van het bouwplan, staat het Lebotex en Bosschenhoofd voorts vrij bij het college een verzoek om planschade in te dienen.

2.8. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het door Lebotex en Bosschenhoofd tegen het besluit van 26 januari 2010 ingestelde beroep alsnog ongegrond verklaren.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Breda van 18 februari 2011 in zaak nr. 10/1015;

III. verklaart het door de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Handelsonderneming Lebotex B.V. en Caravan Centrum Bosschenhoofd tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Halderberge van 26 januari 2010, kenmerk 6947, ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. Heijninck, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Heijninck

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2011

552.