Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BT8585

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-10-2011
Datum publicatie
19-10-2011
Zaaknummer
201102381/1/H4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 oktober 2009 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast enkele op het perceel [locatie] te Termunterzijl (hierna: het perceel) aanwezige bouwwerken, te weten twee recreatiewoningen met kap, één recreatiewoning zonder kap en zes stacaravans, te verwijderen en het gebruik van de gronden ten behoeve van een uitzend- en detacheringsbureau te staken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201102381/1/H4.

Datum uitspraak: 19 oktober 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Termunterzijl, gemeente Delfzijl,

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 14 januari 2011 in zaak nr. 10/651 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Delfzijl.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 oktober 2009 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast enkele op het perceel [locatie] te Termunterzijl (hierna: het perceel) aanwezige bouwwerken, te weten twee recreatiewoningen met kap, één recreatiewoning zonder kap en zes stacaravans, te verwijderen en het gebruik van de gronden ten behoeve van een uitzend- en detacheringsbureau te staken.

Bij besluit van 17 mei 2010 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar deels gegrond en deels ongegrond verklaard en het besluit van 29 oktober 2009 herroepen, voor zover het ziet op het gebruik van de gronden ten behoeve van een uitzend- en detacheringsbureau.

Bij uitspraak van 14 januari 2011, verzonden op 18 januari 2011, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 februari 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 23 maart 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 september 2011.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Termunten-Termunterzijl-Borgsweer" rust op het perceel de bestemming "Verblijfsrecreatieve doeleinden I".

Ingevolge artikel 12, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart voor "Verblijfsrecreatieve doeleinden I" aangewezen gronden bestemd voor:

a. gebouwen ten behoeve van:

- een kampeerboerderij;

- een bedrijfswoning;

b. aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij een bedrijfswoning;

c. trekkershutten, indien de gronden op de plankaart zijn voorzien van de aanduiding "trekkershutten toegestaan";

d. kampeermiddelen, indien de gronden op de plankaart zijn voorzien van de aanduiding "kampeermiddelen toegestaan", met uitzondering van stacaravans.

Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet, voor zover van belang, is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders verleende bouwvergunning.

Ingevolge artikel 40, tweede lid, van de Woningwet is voor het bouwen van een tent, tentwagen, kampeerauto, caravan of stacaravan ten behoeve van recreatief nachtverblijf geen bouwvergunning vereist, indien het bouwen geschiedt in overeenstemming met een bestemmingsplan en de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld.

2.2. Niet in geschil is dat [appellant] op het perceel twee recreatiewoningen met kap en één recreatiewoning zonder kap zonder de daarvoor vereiste bouwvergunning heeft opgericht.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het plaatsen van de zes stacaravans niet in strijd is met het bestemmingsplan en dat daarvoor derhalve geen bouwvergunning is vereist ingevolge artikel 40, tweede lid, van de Woningwet. Hij voert in dit verband aan dat ingevolge het bestemmingsplan op het perceel een verblijfsrecreatieve bestemming rust.

2.3.1. Het betoog faalt. Dat op het perceel een verblijfsrecreatieve bestemming rust, laat onverlet dat artikel 12, eerste lid, van de planvoorschriften de aanwezigheid van stacaravans op het perceel niet toelaat.

2.4. De conclusie is dat is gehandeld in strijd met artikel 40 van de Woningwet en artikel 12, eerste lid, van de planvoorschriften, zodat het college terzake handhavend kon optreden.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat het college heeft verzuimd onderzoek te doen naar de vraag of ten tijde van het besluit van 17 mei 2010 concreet zicht op legalisatie bestond in verband waarmee het van handhavend optreden had moeten afzien. Volgens hem had het college de oprichting van de recreatiewoningen en de stacaravans moeten legaliseren, omdat het perceel reeds vanaf 1994 voor verblijfsrecreatie wordt gebruikt en inmiddels ook een verblijfsrecreatieve bestemming heeft.

2.6. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat in het advies van de commissie bezwaarschriften algemene zaken, dat aan het besluit van 17 mei 2010 ten grondslag is gelegd, gemotiveerd is uiteengezet dat op dat moment geen concreet zicht op legalisatie bestond. Het college wil geen medewerking verlenen aan het legaliseren van de zes stacaravans, omdat het bestemmingsplan de plaatsing daarvan uitdrukkelijk uitsluit. Ten aanzien van de drie recreatiewoningen heeft het college gesteld dat deze niet zijn aan te merken als een kampeermiddel als bedoeld in het bestemmingsplan, maar als bouwwerken in de zin van de Woningwet. Het college is niet bereid door bijvoorbeeld het verlenen van ontheffing van het bestemmingsplan mee te werken aan het verruimen van het aantal recreatiewoningen op het perceel. Weliswaar rust op het perceel een verblijfsrecreatieve bestemming, maar het college wenst de huidige omvang van het kampeerterrein te behouden. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college zich, gegeven deze motivering, in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen concreet zicht op legalisatie bestond in verband waarmee het van handhavend optreden had behoren af te zien.

Het betoog faalt.

2.7. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college vanwege een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel van handhavend optreden had moeten afzien. Hij verwijst hiertoe naar een aan hem gerichte brief van het college van 15 december 1998. Uit deze brief volgt het voornemen het perceel een recreatiebestemming te geven. Hij stelt dat uit de brief bovendien volgt dat de al bestaande stacaravans die zich op zijn terrein bevinden naar de achterzijde van het perceel moeten worden verplaatst. Hieruit kon [appellant] naar eigen zeggen afleiden dat de plaatsing van de zes stacaravans aan de achterzijde van de woning legaal was of legaliseerbaar was dan wel dat niet tot handhavend optreden zou worden overgegaan. Voorts voert [appellant] aan dat de omstandigheid dat de gemeente Delfzijl civielrechtelijk heeft meegewerkt door de aankoop van gronden aan de achterzijde van zijn woning voor verblijfsrecreatie maakt dat het college misbruik maakt van zijn bevoegdheid tot handhavend optreden.

2.7.1. In de door [appellant] gestelde omstandigheden is geen grond gelegen voor het oordeel dat de rechtbank heeft miskend dat hij erop mocht vertrouwen dat niet handhavend zou worden opgetreden tegen de drie recreatiewoningen en zes stacaravans. [appellant] heeft dit vertrouwen niet kunnen ontlenen aan de in 1998 door het college aan hem verstuurde brief. Die brief bevat geen concrete toezegging dat niet handhavend zal worden opgetreden en evenmin de toezegging dat de stacaravans en recreatiewoningen gelegaliseerd zouden worden. De verkoop van de gemeente van de betrokken gronden aan [appellant], biedt evenmin grond voor gerechtvaardigd vertrouwen dat het college niet handhavend zou optreden tegen de drie recreatiewoningen en de zes stacaravans. Daaruit volgt slechts dat van de zijde van het college in beginsel geen bezwaren bestaan tegen een door [appellant] te houden kampeerterrein op deze locatie.

Het betoog faalt.

2.8. [appellant] betoogt tenslotte dat de rechtbank heeft miskend dat bijzondere omstandigheden het college noopten om in dit geval van handhavend optreden af te zien.

2.8.1. Ook dit betoog faalt. De rechtbank heeft in de door [appellant] in beroep naar voren gebrachte omstandigheden terecht geen grond gezien voor het oordeel dat handhavend optreden in dit geval zodanig onevenredig is in verhouding tot de ermee te dienen belangen dat het daarvan had behoren af te zien. Dat het perceel al vijftien jaar een verblijfsrecreatief gebruik kent en dat dit geen hinder veroorzaakt voor de omgeving, biedt geen grond voor een ander oordeel. Daartoe is van belang dat het recreatief gebruik van het perceel nog steeds is toegelaten, zij het in de omvang zoals het bestemmingsplan dat toelaat. Wat betreft de stelling dat geen overlast wordt veroorzaakt, geldt bovendien dat doorslaggevende waarde moet worden toegekend aan het algemeen belang dat met handhavend optreden is gediend.

2.9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. Heijninck, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Heijninck

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2011

552.