Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BT8582

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-10-2011
Datum publicatie
19-10-2011
Zaaknummer
201102058/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 oktober 2009 heeft het dagelijks bestuur zijn beslissing om jegens [appellant] spoedeisende bestuursdwang toe te passen ter zake van het op 7 oktober 2009 ontmantelen van een hennepkwekerij in het pand op het perceel [locatie] te Rotterdam op schrift gesteld. Daarbij heeft het dagelijks bestuur bepaald dat de aan de bestuursdwang verbonden kosten voor rekening van [appellant] komen. Op 5 november 2009 heeft het dagelijks bestuur de kosten vastgesteld en bij [appellant] in rekening gebracht.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:21
Algemene wet bestuursrecht 5:25
Woningwet
Woningwet 1a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/104
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201102058/1/H1.

Datum uitspraak: 19 oktober 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Amsterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 januari 2011 in zaak nr. 10/1436 in het geding tussen:

[appellant]

en

het dagelijks bestuur van de deelgemeente Kralingen-Crooswijk.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 oktober 2009 heeft het dagelijks bestuur zijn beslissing om jegens [appellant] spoedeisende bestuursdwang toe te passen ter zake van het op 7 oktober 2009 ontmantelen van een hennepkwekerij in het pand op het perceel [locatie] te Rotterdam op schrift gesteld. Daarbij heeft het dagelijks bestuur bepaald dat de aan de bestuursdwang verbonden kosten voor rekening van [appellant] komen. Op 5 november 2009 heeft het dagelijks bestuur de kosten vastgesteld en bij [appellant] in rekening gebracht.

Bij besluit van 10 maart 2010 heeft het dagelijks bestuur het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 januari 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 februari 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 1 maart 2011.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 augustus 2011, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. C.R. Rutte, advocaat te Alkmaar, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. S.B.H. Fijneman, werkzaam bij de deelgemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1a, tweede lid, van de Woningwet, zoals die bepaling luidde ten tijde van belang, draagt een ieder die een bouwwerk of standplaats bouwt, gebruikt, laat gebruiken of sloopt, dan wel een open erf of terrein gebruikt of laat gebruiken, er, voor zover dat in diens vermogen ligt, zorg voor dat als gevolg van dat bouwen, gebruik of slopen geen gevaar voor de gezondheid of veiligheid ontstaat dan wel voortduurt.

Ingevolge artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), wordt onder last onder bestuursdwang verstaan: de herstelsanctie, inhoudende:

a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en

b. de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.

Ingevolge artikel 5:25, eerste lid, voor zover hier van belang, geschiedt de toepassing van bestuursdwang op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.

Ingevolge artikel 5:31, eerste lid, voor zover hier van belang, kan een bestuursorgaan dat bevoegd is om een last onder bestuursdwang op te leggen, in spoedeisende gevallen besluiten dat bestuursdwang zal worden toegepast zonder voorafgaande last.

Ingevolge het tweede lid kan, indien de situatie zo spoedeisend is, dat een besluit niet kan worden afgewacht, terstond bestuursdwang worden toegepast, maar wordt zo spoedig mogelijk nadien alsnog een besluit als bedoeld in het eerste lid bekendgemaakt.

2.2. Vaststaat dat het gebruik van de kelderruimte van het pand als hennepkwekerij in strijd is met artikel 1a, tweede lid, van de Woningwet en dat het dagelijks bestuur bevoegd was terzake spoedeisende bestuursdwang toe te passen. Niet in geschil is dat [appellant] eigenaar en professioneel verhuurder van het pand is en dat hij 95 m2 op de begane grond alsmede 35 m2 in de kelder ervan (hierna: de verhuurde ruimte) ten tijde van de ontmanteling van de hennepkwekerij als bedrijfsruimte had verhuurd.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank, door te overwegen dat hij door het dagelijks bestuur terecht is aangemerkt als overtreder, heeft miskend dat hij heeft voldaan aan de ingevolge artikel 1a, tweede lid, van de Woningwet op hem rustende zorgplicht. Hij voert daartoe aan, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 7 april 2010 in zaak nr. 200904180/1, dat hij alles heeft gedaan dat in zijn vermogen lag om zich te laten informeren over de huurder en het gebruik van de verhuurde ruimte. Hij was of kon niet op de hoogte zijn van de hennepkwekerij, omdat deze zich achter een aparte toegangsdeur in de kelder bevond en de door hem ingeschakelde beheerder geen aanleiding heeft behoeven te zien deze ruimte te inspecteren. Bovendien voldoet zijn administratie aan de eisen die daaraan in dit geval kunnen worden gesteld, aldus [appellant]. Volgens [appellant] strekt de zorgplicht niet zover, dat van hem gevergd kan worden dat een grondige inspectie van het verhuurde pand had moeten plaatsvinden.

2.3.1. Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, mag van [appellant], als professioneel verhuurder en eigenaar van het pand, worden gevergd dat hij zich tot op zekere hoogte informeert over het gebruik van de door hem verhuurde ruimte. Hij dient aannemelijk te maken dat hij niet wist en niet kon weten dat de kelderruimte als hennepkwekerij werd gebruikt. De omstandigheid dat [appellant] ervoor heeft gekozen een professioneel beheerder in te schakelen en dat deze beheerder in gebreke is gebleven om een goede controle uit te voeren, dient in dit geval voor zijn rekening en risico te blijven.

Mede gelet op de ingrijpende verbouwing van het verhuurde pand waarvoor [appellant] toestemming had verleend en de omstandigheid dat de huurder een zaakwaarnemer had aangesteld, had het in dit geval op de weg van [appellant] gelegen om het gebruik van de verhuurde ruimte te controleren. Het enkele feit dat de beheerder geen aanleiding zag om ook de kelder te inspecteren, leidt niet tot een ander oordeel. Nu deze controle is nagelaten, is niet de benodigde zorgvuldigheid in acht genomen. [appellant] heeft, gelet op de omstandigheid dat hij zelf partij was bij de huurovereenkomst, onvoldoende ondernomen om zich te informeren over het gebruik van de verhuurde ruimte. Weliswaar heeft hij de huurovereenkomst en een kopie van het legitimatiebewijs van de huurder in zijn administratie opgeslagen, doch daarmee is niet aannemelijk gemaakt dat hij heeft voldaan aan de eisen die aan hem als professioneel verhuurder kunnen worden gesteld om te voorkomen dat in strijd met artikel 1a van de Woningwet de door hem verhuurde ruimte werd gebruikt op een wijze die een gevaar voor de gezondheid of veiligheid opleverde. Zoals ter zitting bij de rechtbank is bevestigd door de beheerder, heeft deze de kelder, die onderdeel van de verhuurde bedrijfsruimte uitmaakte, nooit betreden en zou bij betreding daarvan de hennepkwekerij direct zijn ontdekt. [appellant] heeft zelf ook nooit aan de beheerder gevraagd hoe het pand werd gebruikt en zag daar evenmin aanleiding toe bij het verzoek van de huurder om toestemming het pand te verbouwen.

Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank terecht het dagelijks bestuur heeft gevolgd in zijn standpunt, dat [appellant] als overtreder als bedoeld in artikel 1a, tweede lid, van de Woningwet, kan worden aangemerkt.

Het betoog faalt.

2.4. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank het dagelijks bestuur ten onrechte niet heeft opgedragen de aan de instanties die een afschrift van de last onder bestuursdwang hebben ontvangen, gedane mededelingen te rectificeren. Hij voert daartoe aan dat hij ernstige reputatieschade bij zijn relaties heeft geleden en verscheidene banken hem nieuwe financiering voor zijn bedrijfsactiviteiten hebben geweigerd.

2.4.1. De omstandigheid dat het dagelijks bestuur afschriften van het besluit van 21 oktober 2009 heeft verzonden aan de partijen die deelnemen aan het zogenoemde Alijda-project, een project dat is gericht op het verbeteren van het woon- en leefklimaat in Rotterdam, alsmede aan twee banken, doet niet af aan de rechtmatigheid van dit besluit.

Het betoog faalt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. Graaff-Haasnoot

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2011

531-702.