Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BT8581

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-10-2011
Datum publicatie
19-10-2011
Zaaknummer
201101738/1/H1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2010:BO8976, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 mei 2009 heeft het college aan Bouwfonds vrijstelling verleend ten behoeve van het bouwplan Breitnerstraat hoek Stuiverstraat te Eindhoven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201101738/1/H1.

Datum uitspraak: 19 oktober 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Bouwfonds Property Development B.V. (hierna: Bouwfonds), gevestigd te Eindhoven,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 22 december 2010 in zaak nr. 10/1200 in het geding tussen:

de vereniging Bedrijvenkontakt "De Kade"

en

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 mei 2009 heeft het college aan Bouwfonds vrijstelling verleend ten behoeve van het bouwplan Breitnerstraat hoek Stuiverstraat te Eindhoven.

Bij op 5 juni 2009 verzonden besluit heeft het college aan Bouwfonds reguliere bouwvergunning eerste fase verleend voor het bouwen van woningen en een zorgcomplex met parkeergarage op het perceel Breitnerstraat/Stuiverstraat (ongenummerd) te Eindhoven (hierna: het perceel).

Bij besluit van 3 maart 2010 heeft het college het door de vereniging Bedrijvenkontakt "De Kade" (hierna: de vereniging) daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 december 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door de vereniging daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 3 maart 2010 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Bouwfonds bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 februari 2011, hoger beroep ingesteld.

Het college en Bouwfonds hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 augustus 2011, waar Bouwfonds, vertegenwoordigd door ir. F.P.A. van den Boomen, bijgestaan door mr. J.C. Ellerman, advocaat te Amsterdam, is verschenen. Voorts is daar de vereniging, vertegenwoordigd door mr. P.W.M. Dorn, advocaat te Geldrop, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet onder meer in het oprichten van 75 zorgappartementen, 18 grondgebonden woningen en een zorgcomplex met parkeergarage. Vast staat dat op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Eindhoven binnen de ring" (hierna: het bestemmingsplan) op het aan de overzijde van de Breitnerstraat gelegen bedrijventerrein "De Kade" (hierna: het bedrijventerrein), op een afstand van ongeveer 30 m van het bouwplan, bedrijven in de categorieën 1 t/m 3 van de bij het bestemmingsplan behorende Staat van bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan.

2.2. Op grond van het bestemmingsplan rust op het perceel de bestemming "Woondoeleinden".

Ingevolge artikel 12.1 van de planvoorschriften, zijn de op de kaart voor woondoeleinden aangewezen gronden primair bestemd voor:

a. wonen met daarbij behorende erven en (parkeer)voorzieningen en secundair voor:

b. detailhandel en aanverwante dienstverlening alsmede de daarbij behorende herstellings- en/of produktieruimte;

c. openbare en/of bijzondere gebouwen;

d. praktijkruimten;

e. showrooms, kantoren en daarmee vergelijkbare dienstverlening;

f. andere bedrijven dan de onder b en e genoemde, voor zover deze bedrijven voorkomen in de categorieën 1 en 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten, alsmede aan de Pastoor Sickingestraat een drukkerij, en mits niet zijnde zoneringsplichtige inrichtingen;

g. horeca, met een accent op inrichtingen voor het verstrekken van eet- en/of drinkwaren;

h. nutsvoorzieningen;

en overigens voor:

i. openbaar park, plantsoen en water;

j. verkeersgebied en verblijfsgebied, inclusief openbaar vervoervoorzieningen;

k. leidingentracé;

l. motorbrandstofvulstation zonder LPG, tenzij op de kaart anders in aangegeven;

m. begraafplaats, uitsluitend voor zover op de kaart als zodanig aangegeven;

n. ecologische verbindingszones voor zover de gronden op de kaart als zodanig zijn aangeduid.

2.3. Op grond van het bestemmingsplan rust op de gronden waar het bedrijventerrein is gelegen, de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B I t/m IV)" met de nadere aanduiding "II".

Ingevolge artikel 13.1 van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, zijn als zodanig aangewezen gronden bestemd voor:

a. doeleinden van handel en bedrijf, met uitzondering van detailhandel in de vorm van ambachtelijke, dienstverlenende, productie- en handelsbedrijven met daarbij behorende bouwwerken, waaronder dienstwoningen, toegangswegen, (parkeer)terreinen en overige voorzieningen. Hieronder worden niet begrepen detailhandel, zelfstandige kantoren, al dan niet met publieksgerichte baliefunctie, en praktijkruimten. Uitsluitend zijn toegestaan bedrijven die voorkomen in de Staat van bedrijfsactiviteiten, voor de met B II en IV aangeduide gronden in de categorieën 1 t/m 3 met uitzondering van zgn. zoneringsplichtige inrichtingen.

2.4. Ingevolge artikel 23.1 van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, mag slechts worden gebouwd overeenkomstig het plan zoals dat door burgemeester en wethouders op grond van artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) voor dit gebied is uitgewerkt en in werking getreden.

Nu voor dit gebied geen uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 11 van de WRO is vastgesteld, heeft het college met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO, ten behoeve van het bouwplan vrijstelling van het bestemmingsplan verleend.

2.5. Bouwfonds betoogt tevergeefs dat de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw) van toepassing is op de in bezwaar gehandhaafde vrijstelling en bouwvergunning. Uit categorie 3.1 van bijlage 1 bij de Chw, volgt dat die wet van toepassing is op projecten van meer dan 20 woningen die tot stand zijn gekomen krachtens afdeling 3.1 of afdeling 3.3 van de Wet ruimtelijke ordening. Nu de in bezwaar gehandhaafde vrijstelling een vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de WRO betreft en betrekking heeft op een bestemmingsplan dat is vastgesteld op voet van die wet, is in dit geval van een project als vorenbedoeld geen sprake.

2.6. Voor zover Bouwfonds met zijn betoog dat het bouwplan niet in strijd is met de op het perceel rustende woonbestemming en de planwetgever reeds de afweging heeft gemaakt om op korte afstand van elkaar zowel woningen als bedrijven toe te staan, beoogt te betogen dat bij de beoordeling van het bouwplan geen belangenafweging behoeft plaats te vinden dan wel dat aan die afweging geringere eisen dienen te worden gesteld, wordt het volgende overwogen.

In het bestemmingsplan is slechts een globale aanduiding gegeven van de verschillende functies die ter plaatste toelaatbaar zijn. Bij de vanwege het ontbreken van een uitwerkingsplan gegeven toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO, diende derhalve een nadere planologische beoordeling plaats te vinden met daarbij een afweging van de uiteenlopende belangen die bij de realisering van het bouwplan aan de orde zijn. Ook de nabijheid van het bedrijventerrein en de opzet daarvan is in dit verband een factor waarmee rekening dient te worden gehouden. Voor het oordeel dat de rechtbank is uitgegaan van een onjuist toetsingskader bestaat derhalve geen grond.

Het betoog faalt.

2.7. Bouwfonds betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college zijn standpunt dat het bouwplan geen onaanvaardbare gevolgen heeft voor het bedrijventerrein en de daarop gevestigde bedrijven, en de aanwezigheid daarvan voor de te realiseren woningen geen onaanvaardbare verslechtering van het woon- en leefklimaat tot gevolg zal hebben, onvoldoende heeft onderbouwd.

2.7.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat ter plaatse van het bouwplan een goed woon- en leefklimaat is gegarandeerd. Het gaat er daarbij van uit dat geen concrete voornemens of bouwplannen bestaan voor vestiging van bedrijven op het braakliggende gedeelte van het bedrijventerrein, en dat, nu een uitwerkingsplan voor deze locatie ontbreekt, het bouwverbod slechts kan worden opgeheven door verlening van een omgevingsvergunning of een herziening van het bestemmingsplan, waarbij rekening zal moeten worden gehouden met de dan aanwezige woonbebouwing.

Wat de bestaande bedrijven op het bedrijventerrein betreft, heeft het college zich op het standpunt gesteld dat deze onder de werkingssfeer van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: Barim) vallen. Nieuw te vestigen bedrijven dienen eveneens aan het Barim eveneens aan het Barim te voldoen, aldus het college.

Ten aanzien van de vraag of bedrijven op het bedrijventerrein door het bouwplan worden belemmerd in hun bedrijfsvoering, stelt het college dat het bedrijf Saiko Carstyling aan de Breitnerstraat 11 en het bedrijfsgebouw aan de Breitnerstraat 9 dichter bij de reeds bestaande woonbebouwing zijn gelegen dan het perceel waarop de te bouwen woningen zijn voorzien. Die woningen leiden volgens het college dan ook niet tot een verdere belemmering van de bedrijfsvoering.

2.7.2. De rechtbank heeft terecht verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 20 januari 2010 in zaak nr. 200807192/1/R2, waarin is overwogen dat wanneer een bestaande woning dichter bij een bedrijf is gelegen dan het bouwplan, niet geconcludeerd kan worden dat de mogelijkheden van dat bedrijf door het bouwplan worden beperkt. In die uitspraak is voorts overwogen dat bij de beantwoording van de vraag of ter plaatse van een project een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd, niet alleen moet worden uitgegaan van de feitelijke situatie, maar tevens van hetgeen planologisch mogelijk is.

2.7.3. Vast staat dat het bedrijfsgebouw aan de Breitnerstraat 9 dichter bij het bouwplan is gelegen dan bij de bestaande woonbebouwing, zodat de mogelijkheden van een in dat gebouw te vestigen bedrijf worden beperkt door het bouwplan. Voorts staat vast dat het bedrijfsgebouw aan de Breitnerstraat 11 dichter bij de reeds bestaande woonbebouwing is gelegen dan bij het bouwplan, zodat de mogelijkheden van het aldaar gevestigde bedrijf niet door het bouwplan worden beperkt.

2.7.4. Ingevolge artikel 13.1 van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn ter plaatse van het bedrijventerrein uitsluitend toegestaan bedrijven die voorkomen in de Staat van bedrijfsactiviteiten in de categorieën 1 t/m 3. Niet in geschil is dat hiermee ten hoogste een bedrijf in milieucategorie 3.2, als bedoeld in de brochure "Bedrijven en milieuzonering 2007" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure), is toegelaten.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat in het bedrijfspand aan de Breitnerstaat 9 een bedrijf in deze milieucategorie, rechtstreeks is toegelaten op grond van het bestemmingsplan, en dat de vestiging van een dergelijk bedrijf op enig moment in dat pand niet kan worden uitgesloten. Het betoog van Bouwfonds dat in het bestemmingsplan nadrukkelijk de prioriteit bij het wonen wordt gelegd, wordt dan ook niet gevolgd. De rechtbank heeft in dit verband terecht geoordeeld dat het college de gevolgen van het bouwplan voor een dergelijk bedrijf ten onrechte niet heeft onderzocht, en ten onrechte niet heeft onderzocht welke gevolgen bedoeld bedrijf zou kunnen hebben op het woon- en leefklimaat van de op te richten woningen.

De rechtbank heeft hierbij terecht in aanmerking genomen dat het bedrijfspand op kleinere afstand van het bouwplan is gelegen dan de in de VNG-brochure voor gemengd gebied aanbevolen afstand van 50 m voor bedrijven in milieucategorie 3.2. Het college kan afwijken van de in de VNG-brochure opgenomen afstanden, daar deze indicatief zijn, maar het dient een afwijking daarvan wel voldoende te motiveren. Dit is temeer van belang nu het project voorziet in de ontwikkeling van een meerlaags woonzorgcomplex, waarvan meerdere zorgappartementen aan de zijde van de Breitnerstraat zijn gelegen. Daardoor neemt ten opzichte van de bestaande situatie het aantal woningen dat binnen de richtafstand uit de VNG-brochure is gelegen, fors toe. De rechtbank heeft eveneens terecht in aanmerking genomen dat op voorhand niet kan worden geconcludeerd dat bedrijven die aan het Barim voldoen, het woon- en leefklimaat van de woningen niet op onaanvaardbare wijze beïnvloeden.

Het betoog van Bouwfonds dat in het pand geen bedrijf in milieucategorie 3.2 kan worden gevestigd, reeds omdat de bestaande woningen aan de Adolf van Cortenbachstraat op een afstand van het pand zijn gelegen die kleiner is dan de in de VNG-brochure aanbevolen afstand van 50 m voor bedrijven in die categorie, slaagt niet, nu de vestiging in het pand van een bedrijf in milieucategorie 3.2 rechtstreeks is toegelaten op grond van het bestemmingsplan.

2.7.5. De rechtbank heeft voorts terecht geoordeeld dat de omstandigheid dat de bedrijfsvoering van het bedrijf dat in het bedrijfspand aan de Breitnerstraat 11 is gevestigd, niet verder wordt beperkt door het bouwplan, er niet aan afdoet dat in dat pand op grond van het bestemmingsplan, eveneens een bedrijf in milieucategorie 3.2. kan worden gevestigd. Ook dat pand ligt op minder dan 50 m van het bouwplan. Het college had behoren te motiveren waarom volgens hem het woon- en leefklimaat ter plaatse van het bouwplan niet onevenredig wordt beïnvloed door een bedrijfsvestiging als vorenbedoeld.

2.7.6. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college zijn standpunt dat, ondanks de geringe afstand tussen de gevestigde of te vestigen bedrijven op het bedrijventerrein, het woon- en leefklimaat van de op te richten woningen voldoende wordt gegarandeerd en de bedoelde bedrijven niet onevenredig in hun bedrijfsvoering worden belemmerd, onvoldoende heeft onderbouwd.

Het betoog faalt.

2.8. Bouwfonds betoogt voorts tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat de verkeerssituatie ter plaatse geen onaanvaardbare gevolgen zal hebben op het woon- en leefklimaat van de op te richten woningen. Het college heeft dat weliswaar gesteld, doch gegevens ter staving van deze stelling zijn niet overgelegd.

2.9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Van Dorst

Voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2011

357-619.