Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BT8572

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-10-2011
Datum publicatie
19-10-2011
Zaaknummer
200907617/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 augustus 2009, kenmerk 1563973/1573347, heeft het college aan de raad van de gemeente Baarle-Nassau een aantal aanwijzingen gegeven als bedoeld in artikel 3.8, zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) met betrekking tot het door de raad bij besluit van 16 juli 2009 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied 2008" (hierna: het bestemmingsplan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2011-11-22
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200907617/1/R3.

Datum uitspraak: 19 oktober 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. het college van burgemeester en wethouders van Baarle-Nassau (hierna: het gemeentebestuur),

2. [appellant sub 2], wonend te Den Haag,

3. [appellant sub 3], wonend te Ulicoten, gemeente Baarle-Nassau,

4. [appellant sub 4], wonend te Baarle-Nassau,

5. [appellant sub 5A] en [appellante sub 5B], beiden wonend te Baarle-Nassau (hierna in enkelvoud: [appellant sub 5]),

6. [appellant sub 6], wonend te Baarle-Nassau,

7. [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B] (hierna: [appellanten sub 7]), beiden wonend te Ulicoten, gemeente Baarle-Nassau,

8. [appellant sub 8], wonend te Baarle-Nassau,

9. [appellant sub 9A], wonend te Baarle-Nassau, en [appellante sub 9B], [appellant sub 9C] en [appellant sub 9D], gevestigd te Ulicoten, gemeente Baarle-Nassau, waarvan de maten zijn [appellant sub 9A], [appellant sub 9C] en [appellant sub 9D], allen wonend te Baarle-Nassau, 10. [appellant sub 10], wonend te Baarle-Nassau,

11. [appellant sub 11], wonend te Ulicoten, gemeente Baarle-Nassau,

12. [appellant sub 12], wonend te Baarle-Nassau,

13. [appellante sub 13], gevestigd te Baarle-Nassau,

14. [appellant sub 14A] en [appellant sub 14B], beiden wonend te Baarle-Nassau,

15. [appellanten sub 15], beiden wonend te Baarle-Nassau (hierna in enkelvoud: [appellant sub 15]),

16. [appellant sub 16], wonend te Baarle-Nassau,

17. [appellant sub 17], wonend te Baarle-Nassau,

18. [appellant sub 18], wonend te Ulicoten, gemeente Baarle-Nassau,

19. [appellant sub 19], wonend te Ulicoten, gemeente Baarle-Nassau,

20. [appellant sub 20], wonend te Ulicoten, gemeente Baarle-Nassau,

21. [appellant sub 21A] en [appellante sub 21B], beiden wonend te Riel, gemeente Goirle (hierna in enkelvoud: [appellant sub 21]),

22. [appellante sub 22], gevestigd te Ulicoten, gemeente Baarle-Nassau, waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B], beiden wonend te Ulicoten, gemeente Baarle-Nassau,

23. [appellant sub 23], wonend te Baarle-Nassau,

24. [appellant sub 24], wonend te Castelre, gemeente Baarle-Nassau,

25. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Certitudo Baarle Nassau B.V., gevestigd te Eindhoven, en anderen,

26. [appellant sub 26A] en [appellant sub 26B], beiden wonend te Baarle-Nassau,

27. [appellant sub 27A] en [appellant sub 27B], beiden wonend te Baarle-Nassau,

28. [appellant sub 28], wonend te Baarle-Nassau,

29. wijlen [appellant sub 29],

30. [appellant sub 30A] en [appellante sub 30B], beiden wonend te Baarle-Nassau,

31. [appellante sub 31], gevestigd te Ulicoten, gemeente Baarle-Nassau, waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B], wonend te Meerle, België,

32. [appellant sub 32], wonend te Ulicoten, gemeente Baarle-Nassau,

33. [appellant sub 33], wonend te Baarle-Nassau,

34. [appellant sub 34], wonend te Baarle-Nassau,

35. [appellant sub 35], wonend te Baarle-Nassau,

36. [appellant sub 36], wonend te Ulicoten, gemeente Baarle-Nassau,

37. [appellant sub 37], wonend te Baarle-Nassau,

38. [appellant sub 38], wonend te Ulicoten, gemeente Baarle-Nassau,

39. [appellant sub 39], wonend te Baarle-Nassau,

40. [appellant sub 40], wonend te Baarle-Nassau,

41. [appellante sub 41], gevestigd te Baarle-Nassau,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 augustus 2009, kenmerk 1563973/1573347, heeft het college aan de raad van de gemeente Baarle-Nassau een aantal aanwijzingen gegeven als bedoeld in artikel 3.8, zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) met betrekking tot het door de raad bij besluit van 16 juli 2009 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied 2008" (hierna: het bestemmingsplan).

Tegen dit besluit hebben het gemeentebestuur, [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellanten sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 9A] en [appellante sub 9B], [appellant sub 10], [appellant sub 11], [appellant sub 12], Versmissen, [appellant sub 14A] en [appellant sub 14B], [appellant sub 15], [appellant sub 16], [appellant sub 17], [appellant sub 18], [appellant sub 19], [appellant sub 20], [appellant sub 21], [appellante sub 22], [appellant sub 23], [appellant sub 24], Certitudo en anderen, [appellant sub 26A] en [appellant sub 26B], [appellant sub 27A] en [appellant sub 27B], [appellant sub 28], wijlen [appellant sub 29], [appellant sub 30A] en [appellante sub 30B], [appellante sub 31], [appellant sub 32], [appellant sub 33], [appellant sub 34], [appellant sub 35], [appellant sub 36], [appellant sub 37], [appellant sub 38], [appellant sub 39], [appellant sub 40] en [appellante sub 41] tijdig beroep ingesteld. Een aantal heeft de gronden van het beroep schriftelijk aangevuld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht (hierna: het deskundigenbericht). Het gemeentebestuur, [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 6], [appellanten sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 12], Versmissen, [appellant sub 14A] en [appellant sub 14B], [appellant sub 15], [appellant sub 26A] en [appellant sub 26B], [appellant sub 28], wijlen [appellant sub 29], [appellante sub 31], [appellant sub 32], [appellant sub 33], [appellant sub 34], [appellant sub 35], [appellant sub 39], [appellant sub 40], [appellante sub 41] en [belanghebbenden] hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

Het gemeentebestuur, het college, [appellant sub 24], Certitudo en anderen en [belanghebbenden] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 augustus en 1 september 2011, waar het merendeel van de partijen in persoon, een aantal bijgestaan door een raadsman, is verschenen of zich heeft doen vertegenwoordigen.

Buiten bezwaren van partijen is ter zitting nog een stuk in het geding gebracht.

2. Overwegingen

2.1. Ter zitting is door het gemeentebestuur aangegeven dat [appellant sub 29] is overleden. Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding om ter beoordeling van de vraag of er nog procesbelang bestaat de behandeling van het beroep van [appellant sub 29] aan te houden. Daartoe zal het beroep van [appellant sub 29] worden afgesplitst van de overige beroepen.

Wettelijk kader

2.2. Ingevolge artikel 3.8, vierde lid, van de Wro, voor zover hier van belang, wordt het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan zes weken na de vaststelling bekendgemaakt, indien door het college een zienswijze is ingediend en deze niet volledig is overgenomen of indien de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, anders dan op grond van zienswijzen van het college.

Ingevolge het zesde lid, eerste volzin, kan het college, indien aan de in het vierde lid bedoelde voorwaarden is voldaan, onverminderd andere aan hem toekomende bevoegdheden, binnen de in dat lid genoemde termijn met betrekking tot het desbetreffende onderdeel van het vastgestelde bestemmingsplan aan de raad een aanwijzing als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, geven, ertoe strekkende dat dat onderdeel geen deel blijft uitmaken van het bestemmingsplan zoals het is vastgesteld (hierna: reactieve aanwijzing). Ingevolge de vierde volzin vermeldt het college in de redengeving de aan het besluit ten grondslag liggende feiten, omstandigheden en overwegingen die de provincie beletten het betrokken provinciaal belang met inzet van andere aan hem toekomende bevoegdheden te beschermen.

Ingevolge artikel 4.2, eerste lid, kan, indien provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, het college aan de raad een aanwijzing geven om binnen een daarbij te bepalen termijn een bestemmingsplan vast te stellen overeenkomstig daarbij gegeven voorschriften omtrent de inhoud van dat bestemmingsplan.

Intrekking reactieve aanwijzingen en beroepen

2.3. Bij besluiten van 26 januari 2010 en 12 juli 2010 heeft het college ruim dertig van de bij het bestreden besluit gegeven reactieve aanwijzingen ingetrokken.

2.3.1. De Afdeling heeft ter zitting vastgesteld dat het college bij bovengenoemde besluiten onder meer de reactieve aanwijzingen met betrekking tot de percelen Grens tussen 15 en 17, Gorpeind 6/6A, Het Bosch ongenummerd, ten zuiden van nr. 1 (Het Bosch 1A) en In het bosgebied ten noorden van Ponderosa ten oosten van de Oude Bredasebaan (Bredaseweg 47) heeft ingetrokken. Dit betekent dat met betrekking tot deze percelen geen reactieve aanwijzing resteert.

Ter zitting hebben het gemeentebestuur en [appellante sub 41] hun beroepen ingetrokken, voor zover deze beroepen zijn gericht tegen reactieve aanwijzingen die bij bovengenoemde besluiten door het college zijn ingetrokken.

2.4. Het beroep van het gemeentebestuur is onder meer gericht tegen de reactieve aanwijzing die is gegeven met betrekking tot het perceel Bredaseweg 17 te Baarle-Nassau.

2.4.1. De Afdeling heeft ter zitting vastgesteld dat het perceel Bredaseweg 17 niet is genoemd in het dictum van het bestreden besluit. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in overweging 2.10.3.2 van de uitspraak van 15 april 2011 in zaak nr. 200902874/1/R3 is uit een oogpunt van rechtszekerheid vereist dat de strekking van een besluit inhoudende het geven van een reactieve aanwijzing duidelijk is. De strekking van een dergelijk besluit dient dan ook niet behoeven te worden afgeleid uit de overwegingen die daarin zijn opgenomen of uit hetgeen het college met het geven van de reactieve aanwijzing heeft beoogd; alleen het dictum van het aanwijzingsbesluit is hiervoor bepalend. Dit betekent dat geen reactieve aanwijzing is gegeven met betrekking tot het perceel Bredaseweg 17. De enkele omstandigheid dat dit perceel wel is opgenomen binnen de rode belijning op de bijlage die behoort bij de reactieve aanwijzing met betrekking tot het perceel Bredaseweg 19 vormt geen grond voor een ander oordeel nu in het dictum van het bestreden besluit niet is bepaald dat deze reactieve aanwijzing betrekking heeft op de in de bijlage met een rode belijning aangegeven percelen.

Gelet hierop heeft het gemeentebestuur zijn beroep ter zitting ook in zoverre ingetrokken.

2.5. Voorts heeft [appellant sub 2] ter zitting haar beroep ingetrokken omdat met betrekking tot haar perceel geen reactieve aanwijzing is gegeven.

Algemene bezwaren

2.6. Het gemeentebestuur, [appellant sub 6], [appellanten sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 9A] en [appellante sub 9B], [appellant sub 10], [appellant sub 12], [appellant sub 14A] en [appellant sub 14B], [appellant sub 15], [appellant sub 16], [appellant sub 17], [appellant sub 18], [appellant sub 19], [appellant sub 20], [appellant sub 28], [appellant sub 32], [appellant sub 33], [appellant sub 35], [appellant sub 36], [appellant sub 37], [appellant sub 38], [appellant sub 40] en [appellante sub 41] stellen dat het aanwijzingsbesluit ten onrechte is gebaseerd op provinciaal beleid, dat is neergelegd in de op 27 juni 2008 door provinciale staten vastgestelde Interimstructuurvisie Noord-Brabant, Brabant in Ontwikkeling (hierna: de Interimstructuurvisie) en de door het college op 1 juli 2008 vastgestelde Paraplunota ruimtelijke ordening (hierna: de Paraplunota). Zij hebben in dit verband aangevoerd dat een reactieve aanwijzing alleen kan worden gegeven nadat op grond van de Wro nieuw beleid is geformuleerd en algemene regels zijn vastgesteld. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit was een dergelijke verordening met algemene regels volgens hen nog niet vastgesteld.

2.6.1. Uit hetgeen is overwogen in onder meer de uitspraak van de Afdeling van 20 oktober 2010 in zaak nr. 200910210/1/R1 volgt dat het college onder meer gebruik kan maken van de bevoegdheid tot het geven van een reactieve aanwijzing in gevallen waarin het stellen van algemene regels wordt overwogen of voorbereid.

Volgens het bestreden besluit zijn de provinciale belangen die het college door het geven van een reactieve aanwijzing heeft beoogd te waarborgen beschreven in de Interimstructuurvisie en de Paraplunota. Om de in de Interimstructuurvisie en de Paraplunota beschreven belangen te waarborgen hebben provinciale staten besloten om voor een zeventiental onderwerpen een verordening voor te bereiden, welk besluit in de op 12 december 2008 vastgestelde Startnotitie Verordening Ruimte Noord-Brabant (hierna: de Startnotitie) is uitgewerkt. In deze notitie en in bijlage 6 van de Interimstructuurvisie is aangegeven over welke onderwerpen uit de Interimstructuurvisie en de Paraplunota in de verordening regels zouden worden opgenomen. Verder blijkt uit de Startnotitie dat in de op te stellen verordening tevens regels zullen worden gesteld over de integrale zonering op grond van reconstructieplannen en over daarin opgenomen beleidslijnen inzake de ontwikkelmogelijkheden van de intensieve veehouderij.

In de Startnotitie is aangegeven dat een aantal onderwerpen direct in een verordening zal worden uitgewerkt, waarbij het ontwerp van de verordening is voorzien voor de zomer van 2009 (categorie 1-onderwerpen), en dat de uitwerking van een aantal andere onderwerpen wordt afgestemd op de totstandkoming van een nieuwe structuurvisie, waarbij de ontwerpverordening is voorzien voor eind 2009 (categorie 2-onderwerpen).

De Interimstructuurvisie, de Paraplunota, het Reconstructieplan De Baronie (hierna: het Reconstructieplan) en de Startnotitie dateren van voor de vaststelling van het bestemmingsplan. Naar aanleiding van de Startnotitie is de procedure tot vaststelling van de Verordening Ruimte Noord-Brabant (hierna: de Verordening) gestart. De eerste fase van de Verordening is in werking getreden op 1 juni 2010 en de tweede fase op 1 maart 2011.

Uit vorenstaande volgt dat de reactieve aanwijzingen zijn gegeven daar waar de provinciale belangen die een vertaling zouden krijgen in de Verordening niet of onvoldoende in het plan zijn gewaarborgd.

Nu algemene regels over de onderwerpen waarop het bestreden besluit betrekking heeft werden voorbereid, is er geen grond voor het oordeel dat het college, wat betreft het provinciale beleid ten aanzien waarvan het voornemen bestond om dat in de Verordening op te nemen, als zodanig geen gebruik had mogen maken van de bevoegdheid tot het geven van een reactieve aanwijzing om tussentijdse ruimtelijke ontwikkelingen in strijd met het door de Verordening te waarborgen provinciaal belang te voorkomen. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de Verordening met een zekere voortvarendheid tot stand is gekomen.

Het betoog dat de aanwijzingen niet met het oog op de op handen zijnde Verordening konden worden gegeven, omdat deze ten tijde van het bestreden besluit nog niet was vastgesteld en evenmin na inwerkingtreding van de Wro nieuw beleid was geformuleerd, faalt.

2.7. [appellant sub 6], [appellanten sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 9A] en [appellante sub 9B], [appellant sub 10], [appellant sub 12], [appellant sub 14A] en [appellant sub 14B], [appellant sub 15], [appellant sub 16], [appellant sub 17], [appellant sub 18], [appellant sub 19], [appellant sub 20], [appellant sub 28], [appellant sub 32], [appellant sub 33], [appellant sub 36], [appellant sub 37], [appellant sub 38], [appellant sub 40] en [appellante sub 41] stellen dat het primaat in de ruimtelijke ordening bij de raad dient te liggen en dat het college het instrument van de reactieve aanwijzing ten onrechte aanwendt om zich op detailniveau met gemeentelijke besluiten te blijven bemoeien. Zij betwijfelen of sprake is van provinciale belangen en stellen dat uit het aanwijzingsbesluit onvoldoende blijkt waarom het college niet had kunnen kiezen voor het inzetten van andere instrumenten.

Daarnaast stellen zij dat het instrument van de reactieve aanwijzing ten onrechte wordt ingezet om de raad op de vingers te tikken voor het niet of onvolledig verstrekken van gevraagde informatie. Een gebrekkige communicatie tussen de gemeente en de provincie mag volgens hen niet ten koste gaan van degenen die belang hebben bij het voorliggende bestemmingsplan.

Ook [appellant sub 21] stelt dat hij de dupe is geworden van slecht overleg tussen de gemeente en de provincie.

2.7.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 16 februari 2011, in zaak nr. 201005138/1/R3) is, voor het antwoord op de vraag of een bepaald belang een provinciaal belang is, bepalend of het belang zich leent voor behartiging op provinciaal niveau vanwege de daaraan klevende bovengemeentelijke aspecten en is de mogelijkheid om een reactieve aanwijzing te geven niet beperkt tot bijzonder zwaarwegende belangen.

De Afdeling overweegt verder, onder verwijzing naar de uitspraak van 2 februari 2010, in zaak nr. 201009121/1/R3, dat het college in het algemeen in redelijkheid van de noodzaak van het geven van een reactieve aanwijzing heeft kunnen uitgaan indien niet is uitgesloten dat, zolang de in voorbereiding zijnde Verordening nog niet in werking is getreden, kan worden gehandeld in afwijking van de Verordening en het daaraan ten grondslag liggende provinciale beleid. Onder verwijzing naar die uitspraak overweegt de Afdeling voorts dat het college zich in die omstandigheden in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het provinciaal belang onvoldoende kon worden beschermd door het toepassen van andere bevoegdheden dan het geven van een reactieve aanwijzing.

Het geven van een zogenoemde proactieve aanwijzing of het vaststellen van een inpassingsplan liggen immers in de rede voor ontwikkelingen die het provinciebestuur met het oog op een goede ruimtelijke ordening juist wenselijk of noodzakelijk acht - anders dan in het voorliggende geval waarin het bestemmingsplan voorziet in bestemmingsregelingen die het college onwenselijk acht - terwijl het stellen van algemene regels bij provinciale verordening reeds werd voorbereid.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college het instrument van de reactieve aanwijzing slechts heeft ingezet om een gebrekkige communicatie tussen de gemeente en de provincie te sanctioneren en dat het college, met het oog op degenen die belang hebben bij het voorliggende bestemmingsplan, om die reden ten onrechte is overgegaan tot het geven van reactieve aanwijzingen.

Het betoog van het gemeentebestuur dat de reactieve aanwijzingen die zien op onderdelen van het bestemmingsplan die overeenkomen met het voor vaststelling van kracht zijnde bestemmingsplan "Buitengebied 1990", niet effectief zijn omdat door de aanwijzingen het voorgaande planologische regiem van kracht is gebleven, vormt evenmin grond voor het oordeel dat het college van het geven van deze aanwijzingen af had moeten zien. Niet valt in te zien dat deze omstandigheid afdoet aan het standpunt van het college dat opname van deze bestemmingsregelingen in een nieuw plan onwenselijk is.

Het betoog van het gemeentebestuur dat het college had moeten afzien van het geven van reactieve aanwijzingen omdat het geen schadevergoedingsregeling heeft aangeboden voor de te verwachten verzoeken om planschade faalt, reeds omdat de reactieve aanwijzing ingevolge artikel 6.1, tweede lid, van de Wro niet is aangemerkt als schadeoorzaak als bedoeld in het eerste lid van die bepaling en met het geven van een reactieve aanwijzing geen wijziging wordt teweeggebracht in het geldende planologische regiem.

2.8. [appellant sub 6], [appellanten sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 9A] en [appellante sub 9B], [appellant sub 10], [appellant sub 12], [appellant sub 14A] en [appellant sub 14B], [appellant sub 15], [appellant sub 16], [appellant sub 17], [appellant sub 18], [appellant sub 19], [appellant sub 20], [appellant sub 32], [appellant sub 33], [appellant sub 36], [appellant sub 37], [appellant sub 38], [appellant sub 40] en [appellante sub 41] stellen dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij in dit geval heeft gekozen voor het geven van een aantal reactieve aanwijzingen en niet voor het instellen van beroep tegen het bestemmingsplan.

2.8.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 20 oktober 2010 in zaak nr. 200910210/1/R1) maakt het feit dat het college ook beroep had kunnen instellen niet dat daarmee zijn vrijheid om te kiezen voor het geven van een reactieve aanwijzing is beperkt. Dit betoogt faalt.

Bezwaren per reactieve aanwijzing

1. Thema Ruimtelijke kwaliteit

Het perceel Reth 18 te Baarle-Nassau

2.9. Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot het perceel Reth 18.

2.9.1. In het plan is aan het desbetreffende perceel de bestemming "Agrarisch, agrarisch verwant bedrijf" toegekend.

Ingevolge artikel 6, lid 6.1.1, van de planregels zijn de desbetreffende gronden onder meer bestemd voor agrarisch verwante bedrijven, conform de Staat van agrarisch verwante bedrijven.

In lid 6.1.2 is, voor zover hier van belang, bepaald dat op de gronden op verbeelding 1 aangegeven als "Agrarisch, agrarisch verwant bedrijf" overeenkomstig de aanduiding uitsluitend zijn toegestaan de bedrijven genoemd in de navolgende Staat van agrarisch verwante bedrijven.

In die Staat van agrarisch verwante bedrijven is ten aanzien van het perceel Reth 18 vermeld: "hondenkennel annex africhten".

2.9.2. Het college heeft aan de reactieve aanwijzing met betrekking tot het perceel Reth 18 ten grondslag gelegd dat het plan in zoverre voorziet in de nieuwvestiging van een niet-agrarisch bedrijf, aangezien in het vigerende bestemmingsplan geen bouwvlak voor het perceel is opgenomen. Het college acht de nieuwvestiging van een niet aan het buitengebied gebonden bedrijf ter plaatse in strijd met het provinciale belang.

2.9.3. Het gemeentebestuur en [appellant sub 39], eigenaar van het perceel, stellen dat deze reactieve aanwijzing ten onrechte is gegeven. Zij hebben onder meer aangevoerd dat het college niet bevoegd is tot het geven van deze aanwijzing, omdat het college tegen dit onderdeel van het plan geen zienswijzen naar voren heeft gebracht.

2.9.3.1. De Afdeling stelt vast dat het dictum van het bestreden aanwijzingsbesluit bestaat uit de tekst die is vermeld onder het kopje "Besluit", bezien in samenhang met hetgeen direct daarvoor is vermeld onder het kopje "Conclusie", waarin de verschillende onderdelen van het aanwijzingsbesluit zijn opgesomd. Die opsomming bevat bij het eerste gedachtenstreepje de tekst "het toekennen van de bestemming "Bedrijf" voor de percelen aan de Reth 18".

De Afdeling overweegt dat aan het perceel Reth 18 in het bestemmingsplan niet de bestemming "Bedrijf" is toegekend - welke bestemming in het plan wel aan een aantal andere percelen is toegekend - maar de bestemming "Agrarisch, agrarisch verwant bedrijf". Nu, zoals hiervoor in 2.4.1 is overwogen, alleen het dictum van het aanwijzingsbesluit bepalend is voor de strekking ervan, betekent dit dat geen reactieve aanwijzing is gegeven met betrekking tot de bestemming die in het plan is toegekend aan het perceel Reth 18. Gelet hierop zijn de beroepen gericht tegen een onderdeel van het aanwijzingsbesluit dat niet is gericht op rechtsgevolg. Het beroep van [appellant sub 39] is geheel en het beroep van het gemeentebestuur is in zoverre niet-ontvankelijk.

2.9.4. Gelet hierop behoeven de beroepsgronden met betrekking tot dit onderdeel van het bestreden besluit geen bespreking.

2.9.5. Ter voorlichting aan partijen merkt de Afdeling het volgende op.

Het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan is samen met het aanwijzingsbesluit bekendgemaakt conform het bepaalde in artikel 3.8, zesde lid, van de Wro bezien in samenhang met het bepaalde in artikel 3:42, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Nu, zoals uit het voorgaande blijkt, geen reactieve aanwijzing is gegeven met betrekking tot de bestemming die in het plan is toegekend aan het perceel Reth 18, moet worden vastgesteld dat het plan in zoverre reeds is bekendgemaakt. Het is echter niet uitgesloten dat belanghebbenden hebben afgezien van het instellen van beroep tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, voor zover dat betrekking heeft op het perceel Reth 18, omdat zij ten onrechte in de veronderstelling verkeerden dat met betrekking tot dit onderdeel van het bestemmingsplan een reactieve aanwijzing is gegeven. Gelet hierop dient het gemeentebestuur nogmaals onverwijld, conform het bepaalde in artikel 3:44 van de Awb, mededeling te doen van dit onderdeel van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, waarna daartegen, gedurende de in artikel 6:7 van de Awb genoemde termijn voor het indienen van een beroepschrift bezien in samenhang met het bepaalde in artikel 6:11 van de Awb, voor belanghebbenden beroep bij de Afdeling openstaat.

Het perceel Groot Bedaf ongenummerd tegenover nr. 5 te Baarle-Nassau

2.10. Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Agrarisch-technisch hulpbedrijf" aan het perceel Groot Bedaf ongenummerd tegenover nr. 5, plaatselijk bekend als het perceel Groot Bedaf 10a.

2.10.1. In het plan is aan het desbetreffende perceel, voor zover hier van belang, de bestemming "Agrarisch, agrarisch-technisch hulpbedrijf" toegekend.

Ingevolge artikel 5, lid 5.1.1, van de planregels zijn de gronden met de bestemming "Agrarisch, agrarisch-technisch hulpbedrijf" onder meer bestemd voor agrarisch-technische hulpbedrijven, conform de Staat van agrarisch-technische hulpbedrijven.

In lid 5.1.2 is, voor zover hier van belang, bepaald dat op de gronden op verbeelding 1 aangegeven als "Agrarisch, agrarisch-technisch hulpbedrijf" overeenkomstig de aanduiding uitsluitend zijn toegestaan de bedrijven genoemd in de navolgende Staat van agrarisch-technische hulpbedrijven.

In die Staat van agrarisch-technische hulpbedrijven is ten aanzien van het perceel Groot Bedaf 10a vermeld: "veehandelsbedrijf".

2.10.2. Het college heeft aan de reactieve aanwijzing met betrekking tot het perceel Groot Bedaf ongenummerd tegenover nr. 5 ten grondslag gelegd dat het plan in zoverre voorziet in de nieuwvestiging van een niet-agrarisch bedrijf. Hiertoe heeft het college overwogen dat in het vigerende bestemmingsplan voor het perceel uitsluitend de bestemming "Agrarisch bouwvlak" is opgenomen, welk bestemmingsvlak in het vastgestelde plan is gesplitst, hetgeen heeft geresulteerd in een nieuwe bedrijfsbestemming.

Het college acht de nieuwvestiging van een niet aan het buitengebied gebonden bedrijf ter plaatse in strijd met het provinciale belang.

2.10.3. [appellant sub 10], eigenaar van het desbetreffende perceel, stelt dat deze reactieve aanwijzing ten onrechte is gegeven. Hij heeft onder meer aangevoerd dat het college niet bevoegd is tot het geven van deze aanwijzing, omdat het college tegen dit onderdeel van het plan geen zienswijzen naar voren heeft gebracht.

2.10.3.1. Uit de onder 2.2 weergegeven bepalingen, in onderlinge samenhang bezien, volgt dat een reactieve aanwijzing uitsluitend kan worden gegeven indien en voor zover het college met betrekking tot het desbetreffende onderdeel van het bestemmingsplan een zienswijze heeft ingediend en deze bij de vaststelling van het plan niet volledig is overgenomen of indien en voor zover de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, anders dan op grond van zienswijzen van het college.

Gelet op het vorenstaande dient het college in de zienswijzen duidelijk aan te geven op welke onderdelen de raad het plan bij de vaststelling dient te wijzigen ten opzichte van het ontwerp om een reactieve aanwijzing te voorkomen.

2.10.3.2. De Afdeling stelt vast dat het college de planregeling voor het perceel Groot Bedaf ongenummerd tegenover nr. 5 in zijn zienswijzen tegen het ontwerpplan niet als zodanig heeft bestreden. Het in het aanwijzingsbesluit vervatte standpunt van het college dat het plan ten onrechte voorziet in de nieuwvestiging van verschillende niet-agrarische bedrijven is evenmin te herleiden tot de zienswijzen. Voorts is het plan, wat betreft het perceel Groot Bedaf ongenummerd tegenover nr. 5, bij de vaststelling niet gewijzigd ten opzichte van het ontwerpplan.

2.10.3.3. Uit het vorenstaande volgt dat het aanwijzingsbesluit in zoverre in strijd is met artikel 3.8, zesde lid, bezien in samenhang met het vierde lid, van de Wro. Het beroep van [appellant sub 10] is gegrond. Het bestreden besluit, voor zover daarbij een reactieve aanwijzing is gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Agrarisch-technisch hulpbedrijf" aan het perceel Groot Bedaf ongenummerd tegenover nr. 5, dient te worden vernietigd.

2.10.4. Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden met betrekking tot dit onderdeel van het bestreden besluit geen bespreking meer.

2.10.5. Ter voorlichting aan partijen merkt de Afdeling het volgende op. Naar aanleiding van deze uitspraak dient het gemeentebestuur het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, voor zover dat betrekking heeft op het toekennen van de bestemming "Agrarisch-technisch hulpbedrijf" aan het perceel Groot Bedaf ongenummerd tegenover nr. 5, onverwijld met inachtneming van de daarvoor geldende voorschriften bekend te maken, waarna daartegen, gedurende de in artikel 6:7 van de Awb genoemde termijn voor het indienen van een beroepschrift, voor belanghebbenden beroep bij de Afdeling openstaat.

Het perceel Visweg 1b te Baarle-Nassau

2.11. Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Agrarisch-technisch hulpbedrijf" aan het perceel Visweg 1b.

2.11.1. In het plan is aan het desbetreffende perceel, voor zover hier van belang, de bestemming "Agrarisch, agrarisch-technisch hulpbedrijf" toegekend.

Ingevolge artikel 5, lid 5.1.1, van de planregels zijn de gronden met de bestemming "Agrarisch, agrarisch-technisch hulpbedrijf" onder meer bestemd voor agrarisch-technische hulpbedrijven, conform de Staat van agrarisch-technische hulpbedrijven.

In lid 5.1.2 is, voor zover hier van belang, bepaald dat op de gronden op verbeelding 1 aangegeven als "Agrarisch, agrarisch-technisch hulpbedrijf" overeenkomstig de aanduiding uitsluitend zijn toegestaan de bedrijven genoemd in de navolgende Staat van agrarisch-technische hulpbedrijven.

In die Staat van agrarisch-technische hulpbedrijven is ten aanzien van het perceel Visweg 1b vermeld: "veehandelsbedrijf".

2.11.2. Het college heeft aan de reactieve aanwijzing met betrekking tot het perceel Visweg 1b ten grondslag gelegd dat het plan in zoverre voorziet in de nieuwvestiging van een niet-agrarisch bedrijf. Hiertoe heeft het college overwogen dat in het vigerende bestemmingsplan voor het perceel uitsluitend de bestemming "Agrarisch bouwvlak" is opgenomen, welk bestemmingsvlak in het vastgestelde plan is gesplitst, hetgeen heeft geresulteerd in een nieuwe bedrijfsbestemming. Het college acht de nieuwvestiging van een niet aan het buitengebied gebonden bedrijf ter plaatse in strijd met het provinciale belang.

2.11.3. [appellant sub 8], die een veehandelsbedrijf exploiteert op het desbetreffende perceel, stelt dat deze reactieve aanwijzing ten onrechte is gegeven. Hij heeft onder meer aangevoerd dat het college niet bevoegd is tot het geven van deze aanwijzing, omdat het college tegen dit onderdeel van het plan geen zienswijzen naar voren heeft gebracht.

2.11.3.1. De Afdeling stelt, onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen onder 2.10.3.1, vast dat het college de planregeling voor het perceel Visweg 1b in zijn zienswijzen tegen het ontwerpplan niet als zodanig heeft bestreden. Het in het aanwijzingsbesluit vervatte standpunt van het college dat het plan ten onrechte voorziet in de nieuwvestiging van verschillende niet-agrarische bedrijven is evenmin te herleiden tot de zienswijzen. Voorts is het plan, wat betreft het perceel Visweg 1b, bij de vaststelling weliswaar gewijzigd ten opzichte van het ontwerpplan, maar deze wijziging behelst een verkleining van het bestemmingsvlak met de bestemming "Agrarisch, agrarisch-technisch hulpbedrijf". De reactieve aanwijzing is echter niet gegeven met het oog op deze verkleining, maar heeft betrekking op de bestemmingsregeling die in het ontwerpplan voor dit perceel was opgenomen.

2.11.3.2. Uit het vorenstaande volgt dat het aanwijzingsbesluit in zoverre in strijd is met artikel 3.8, zesde lid, bezien in samenhang met het vierde lid, van de Wro. Het beroep van [appellant sub 8] is gegrond. Het bestreden besluit, voor zover daarbij een reactieve aanwijzing is gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Agrarisch-technisch hulpbedrijf" aan het perceel Visweg 1b, dient te worden vernietigd.

2.11.4. Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden met betrekking tot dit onderdeel van het bestreden besluit geen bespreking meer.

2.11.5. Ter voorlichting aan partijen merkt de Afdeling het volgende op. Naar aanleiding van deze uitspraak dient het gemeentebestuur het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, voor zover dat betrekking heeft op het toekennen van de bestemming "Agrarisch-technisch hulpbedrijf" aan het perceel Visweg 1b, onverwijld met inachtneming van de daarvoor geldende voorschriften bekend te maken, waarna daartegen, gedurende de in artikel 6:7 van de Awb genoemde termijn voor het indienen van een beroepschrift, voor belanghebbenden beroep bij de Afdeling openstaat.

De percelen Kapelstraat 38-40-42 te Baarle-Nassau

2.12. Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemmingen "Bedrijf" en "Wonen" aan de percelen Kapelstraat 38-40-42.

2.12.1. Op de verbeelding zijn ter plaatse van de percelen Kapelstraat 38-40-42 twee bestemmingsvlakken met de bestemming "Bedrijf" opgenomen.

Ingevolge artikel 10, lid 10.1.1, van de planregels zijn de gronden met de bestemming "Bedrijf" onder meer bestemd voor niet-agrarische bedrijven, conform de Staat van niet-agrarische bedrijven, alsmede voor woondoeleinden in bedrijfswoningen als ondergeschikte functie.

In lid 10.1.2 is, voor zover hier van belang, bepaald dat op de gronden op verbeelding 1 aangegeven als "Bedrijf" overeenkomstig de aanduiding uitsluitend zijn toegestaan de bedrijven genoemd in de navolgende Staat van bedrijven.

In die Staat van bedrijven is ten aanzien van het perceel Kapelstraat 40 vermeld: "timmerbedrijf". Ten aanzien van het perceel Kapelstraat 42 is daarin vermeld: "onderhoudsbedrijf".

Ingevolge lid 10.2.2, aanhef en onder b, mag per bestemmingsvlak één bedrijfswoning worden opgericht, doch uitsluitend ter plaatse waar deze in de bestaande toestand reeds aanwezig is.

2.12.2. Het college heeft aan de reactieve aanwijzing met betrekking tot de bedrijfsbestemmingen op de bovengenoemde percelen ten grondslag gelegd dat het plan in zoverre voorziet in de nieuwvestiging van een niet-agrarisch bedrijf. Hiertoe heeft het college overwogen dat in het vigerende bestemmingsplan voor deze percelen één bestemmingsvlak met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" is opgenomen, welk bestemmingsvlak in het vastgestelde plan is gesplitst, hetgeen heeft geresulteerd in een nieuwe bedrijfsbestemming. Het college acht de nieuwvestiging van een niet aan het buitengebied gebonden bedrijf ter plaatse in strijd met het provinciale belang.

2.12.3. [appellant sub 14A] en [appellant sub 14B] stellen dat de reactieve aanwijzing met betrekking tot de bedrijfsbestemmingen op de bovengenoemde percelen ten onrechte is gegeven. Zij hebben aangevoerd dat het college niet bevoegd is tot het geven van deze aanwijzing, omdat het college tegen dit onderdeel van het plan geen zienswijzen naar voren heeft gebracht.

2.12.3.1. Dit betoog faalt. Het bestemmingsplan is op dit punt gewijzigd vastgesteld ten opzichte van het ontwerpplan, in die zin dat op de verbeelding ter plaatse van de bovengenoemde percelen een apart bestemmingsvlak met een bedrijfsbestemming is opgenomen. De reactieve aanwijzing heeft betrekking op deze wijziging. Gelet hierop is het aanwijzingsbesluit in zoverre niet in strijd met artikel 3.8, zesde lid, gelezen in samenhang met het vierde lid, van de Wro.

2.12.4. [appellant sub 14A] en [appellant sub 14B] betogen verder dat geen sprake is van de nieuwvestiging van een niet agrarisch bedrijf, omdat ter plaatse reeds twee bedrijven zijn gevestigd, hetgeen is toegestaan op grond van het vigerende plan. In dit verband stellen zij dat in het vigerende plan weliswaar één bestemmingsvlak met een bedrijfsbestemming voor de desbetreffende percelen is opgenomen, maar dat in de voorschriften van dat plan niet is bepaald dat op de gronden die zijn gelegen binnen dat bestemmingsvlak slechts één bedrijf mag worden gevestigd.

2.12.4.1. Het provinciale beleid was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit gericht op het zoveel mogelijk tegengaan van niet aan het buitengebied gebonden bedrijven in het buitengebied. In paragraaf 4.13 van de Paraplunota is gesteld dat nieuwvestiging van deze bedrijven in het buitengebied in beginsel niet is toegestaan.

Op grond van artikel 2.1, tweede lid, onder a, gelezen in samenhang met artikel 11.6, eerste lid, van de Verordening is de nieuwvestiging van een niet-agrarische ruimtelijke ontwikkeling in agrarisch gebied, niet zijnde een landbouwontwikkelingsgebied of een vestigingsgebied glastuinbouw - anders dan door middel van een zogenoemde VAB-vestiging - niet toegestaan.

2.12.4.2. Voor de percelen Kapelstraat 38-44 is op de plankaart van het vigerende bestemmingsplan "Buitengebied 1990" één bestemmingsvlak opgenomen met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (BD)". Dit bestemmingsvlak is op de plankaart aangeduid met nummer 18.

Ingevolge artikel 15, onder I, van de voorschriften van dat plan zijn de gronden op de plankaart aangewezen voor "Bedrijfsdoeleinden" bestemd voor bedrijven van overwegend lokale aard op het gebied van nijverheid, dienstverlening en/of handel, een en ander met uitzondering van een A-inrichting.

Ingevolge artikel 15, lid A, mogen op de tot "Bedrijfsdoeleinden" bestemde gronden bouwwerken worden gebouwd ten behoeve van de hierna in kolom I. genoemde bedrijven in de daarvoor in kolom II. aangegeven bestemmingsvlakken.

Bestemmingsvlak nummer 18 ontbreekt in de desbetreffende tabel.

2.12.4.3. Nu het bestemmingsvlak met nummer 18 ontbreekt in de tabel die is opgenomen in artikel 15, lid A, van de voorschriften van het vigerende bestemmingsplan en nu het bestemmingsvlak met dit nummer ook overigens niet is genoemd in artikel 15 van de voorschriften, is de Afdeling van oordeel dat ingevolge het vigerende plan op de desbetreffende gronden in het geheel geen bedrijfsgebouwen mogen worden gebouwd.

Het betoog van [appellant sub 14A] en [appellant sub 14B] dat het vigerende plan de mogelijkheid biedt om op de desbetreffende gronden ten behoeve van een onbeperkt aantal bedrijven bedrijfsbebouwing op te richten, faalt derhalve.

Gelet hierop heeft het college zich met juistheid op het standpunt gesteld dat het bestemmingsplan in zoverre voorziet in de nieuwvestiging van een niet aan het buitengebied gebonden bedrijf, hetgeen in strijd is met het destijds geldende provinciale beleid en hetgeen tevens in strijd is met de inmiddels vastgestelde algemene regels.

2.12.4.4. Gezien het vorenstaande heeft het college, vooruitlopend op de vaststelling van de Verordening, in redelijkheid van de noodzaak van het geven van een reactieve aanwijzing kunnen uitgaan, gelet op artikel 3.8, zesde lid, gelezen in samenhang met artikel 4.2, eerste lid, van de Wro.

2.12.4.5. In hetgeen [appellant sub 14A] en [appellant sub 14B] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat provinciale belangen het geven van deze reactieve aanwijzing met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit, wat dit onderdeel betreft, anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 14A] en [appellant sub 14B] is ongegrond.

2.13. Het college heeft aan de reactieve aanwijzing met betrekking tot de woonbestemming op de percelen Kapelstraat 38-40-42 ten grondslag gelegd dat er een woning van de voormalige bedrijfsbestemming is afgesplitst. Het college acht de toevoeging van een burgerwoning in het buitengebied in strijd met het provinciale belang.

2.13.1. Het gemeentebestuur stelt dat de reactieve aanwijzing met betrekking tot de woonbestemming op het perceel Kapelstraat 44 ten onrechte is gegeven. Hij heeft onder meer aangevoerd dat het college niet bevoegd is tot het geven van deze aanwijzing, omdat het college tegen dit onderdeel van het plan geen zienswijzen naar voren heeft gebracht.

2.13.2. De Afdeling stelt, onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen onder 2.9.3.1, vast dat in het dictum van het bestreden aanwijzingsbesluit een reactieve aanwijzing is gegeven met betrekking tot het toekennen van onder meer de bestemming "Wonen" voor de percelen Kapelstraat 38-40-42.

Aan de desbetreffende percelen is in het bestemmingsplan echter geen woonbestemming toegekend. De bestemming "Wonen" is wel toegekend aan het perceel Kapelstraat 44. Dat perceel is niet genoemd in het dictum van het bestreden besluit. Dit betekent dat geen reactieve aanwijzing is gegeven met betrekking tot de woonbestemming die in het plan is toegekend aan het perceel Kapelstraat 44. Het feit dat dit perceel met een rode belijning is aangegeven op de bijlage bij het aanwijzingsbesluit maakt dit niet anders, nu in het dictum niet is bepaald dat de reactieve aanwijzing met betrekking tot de percelen Kapelstraat 38-40-42 betrekking heeft op de plandelen die op de bijlage bij het besluit met een rode belijning zijn aangegeven. Gelet hierop is het beroep gericht tegen een onderdeel van het aanwijzingsbesluit dat niet is gericht op rechtsgevolg. Het beroep van het gemeentebestuur is derhalve in zoverre niet-ontvankelijk.

2.13.3. Gelet hierop behoeven de desbetreffende beroepsgronden geen bespreking.

2.13.4. Ter voorlichting aan partijen merkt de Afdeling het volgende op.

Het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan is samen met het aanwijzingsbesluit bekendgemaakt conform het bepaalde in artikel 3.8, zesde lid, van de Wro bezien in samenhang met het bepaalde in artikel 3:42, tweede lid, van de Awb. Nu, zoals uit het voorgaande blijkt, geen reactieve aanwijzing is gegeven met betrekking tot de bestemming die in het plan is toegekend aan het perceel Kapelstraat 44, moet worden vastgesteld dat het plan in zoverre reeds is bekendgemaakt. Het is echter niet uitgesloten dat belanghebbenden hebben afgezien van het instellen van beroep tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, voor zover dat betrekking heeft op het perceel Kapelstraat 44, omdat zij ten onrechte in de veronderstelling verkeerden dat met betrekking tot dit onderdeel van het bestemmingsplan een reactieve aanwijzing is gegeven. Gelet hierop dient het gemeentebestuur nogmaals onverwijld, conform het bepaalde in artikel 3:44 van de Awb, mededeling te doen van dit onderdeel van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, waarna daartegen, gedurende de in artikel 6:7 van de Awb genoemde termijn voor het indienen van een beroepschrift bezien in samenhang met het bepaalde in artikel 6:11 van de Awb, voor belanghebbenden beroep bij de Afdeling openstaat.

Het perceel Eikelenbosch ongenummerd naast nr. 3 te Baarle-Nassau

2.14. Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Bedrijf" aan het perceel Eikelenbosch ongenummerd naast nr. 3.

2.14.1. In het plan is aan het desbetreffende gedeelte van het perceel Eikelenbosch 3 de bestemming "Bedrijf" toegekend.

Ingevolge artikel 10, lid 10.1.1, van de planregels zijn de gronden met de bestemming "Bedrijf" onder meer bestemd voor niet-agrarische bedrijven, conform de Staat van niet-agrarische bedrijven, alsmede voor woondoeleinden in bedrijfswoningen als ondergeschikte functie.

In lid 10.1.2 is, voor zover hier van belang, bepaald dat op de gronden op verbeelding 1 aangegeven als "Bedrijf" overeenkomstig de aanduiding uitsluitend zijn toegestaan de bedrijven genoemd in de navolgende Staat van bedrijven.

In die Staat van bedrijven is ten aanzien van het perceel Eikelenbosch 3 vermeld: "constructiebedrijf en siersmederij".

Ingevolge lid 10.2.2, aanhef en onder b, mag per bestemmingsvlak één bedrijfswoning worden opgericht, doch uitsluitend ter plaatse waar deze in de bestaande toestand reeds aanwezig is.

2.14.2. Het college heeft aan de reactieve aanwijzing met betrekking tot bovengenoemd perceel ten grondslag gelegd dat het plan in zoverre voorziet in de nieuwvestiging van een niet-agrarisch bedrijf, aangezien in het vigerende bestemmingsplan voor het perceel uitsluitend de bestemming "Agrarisch bouwvlak" is opgenomen. Dit bestemmingsvlak is in het vastgestelde plan gesplitst, hetgeen heeft geresulteerd in een nieuwe bedrijfsbestemming. Het college acht de nieuwvestiging van een niet aan het buitengebied gebonden bedrijf ter plaatse in strijd met het provinciale belang.

2.14.3. [appellant sub 6], die ter plaatse een siersmederij exploiteert, stelt dat deze reactieve aanwijzing ten onrechte is gegeven. Hij heeft onder meer aangevoerd dat het college niet bevoegd is tot het geven van deze aanwijzing, omdat het college tegen dit onderdeel van het plan geen zienswijzen naar voren heeft gebracht.

2.14.3.1. De Afdeling stelt, onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen onder 2.10.3.1, vast dat het college de planregeling voor het perceel Eikelenbosch ongenummerd naast nr. 3 in zijn zienswijzen tegen het ontwerpplan niet als zodanig heeft bestreden. Het in het aanwijzingsbesluit vervatte standpunt van het college dat het plan ten onrechte voorziet in de nieuwvestiging van verschillende niet-agrarische bedrijven is evenmin te herleiden tot de zienswijzen. Voorts is het plan, wat betreft het perceel Eikelenbosch ongenummerd naast nr. 3, bij de vaststelling niet gewijzigd ten opzichte van het ontwerpplan.

2.14.3.2. Uit het vorenstaande volgt dat het aanwijzingsbesluit in zoverre in strijd is met artikel 3.8, zesde lid, bezien in samenhang met het vierde lid, van de Wro. Het beroep van [appellant sub 6] is gegrond. Het bestreden besluit, voor zover daarbij een reactieve aanwijzing is gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Bedrijf" aan het perceel Eikelenbosch ongenummerd naast nr. 3, dient te worden vernietigd.

2.14.4. Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden met betrekking tot dit onderdeel van het bestreden besluit geen bespreking meer.

2.14.5. Ter voorlichting aan partijen merkt de Afdeling het volgende op. Naar aanleiding van deze uitspraak dient het gemeentebestuur het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, voor zover dat betrekking heeft op het perceel Eikelenbosch ongenummerd naast nr. 3, onverwijld met inachtneming van de daarvoor geldende voorschriften bekend te maken, waarna daartegen, gedurende de in artikel 6:7 van de Awb genoemde termijn voor het indienen van een beroepschrift, voor belanghebbenden beroep bij de Afdeling openstaat.

Het perceel Heikantsestraat 4 te Ulicoten

2.15. Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot het perceel Heikantsestraat 4.

2.15.1. In het plan is aan het desbetreffende perceel de bestemming "Agrarisch, agrarisch-technisch hulpbedrijf" toegekend.

Ingevolge artikel 5, lid 5.1.1, van de planregels zijn de desbetreffende gronden onder meer bestemd voor agrarisch-technische hulpbedrijven, conform de Staat van agrarisch-technische hulpbedrijven.

In lid 5.1.2 is bepaald dat op de gronden op verbeelding 1 aangegeven als "Agrarisch, agrarisch-technisch hulpbedrijf" overeenkomstig de aanduiding uitsluitend zijn toegestaan de bedrijven genoemd in de navolgende Staat van agrarisch-technische hulpbedrijven, waarbij geldt dat de genoemde maximale oppervlakte aan bedrijfsbebouwing aangehouden dient te worden. De oppervlakte is exclusief de oppervlakte van de bedrijfswoning en de daarbij behorende vrijstaande bijgebouwen.

In die Staat van agrarisch-technische hulpbedrijven is ten aanzien van het perceel Heikantsestraat 4 vermeld: "agrarisch loonwerkbedrijf", met een oppervlakte aan bedrijfsgebouwen van 4.583 m2.

2.15.2. Het college heeft aan de reactieve aanwijzing met betrekking tot bovengenoemd perceel ten grondslag gelegd dat het gaat om een niet-agrarisch bedrijf en dat het plan wat betreft dit bedrijf voorziet in een vergroting van het toegestane bebouwingsoppervlak met meer dan 15%. Ook heeft het college overwogen dat het bestemmingsvlak twee keer zo groot is geworden. Het college acht een dergelijke vergroting in strijd met het provinciale belang.

2.15.3. [appellante sub 22], die ter plaatse een agrarisch loonwerkbedrijf exploiteert, stelt dat deze reactieve aanwijzing ten onrechte is gegeven.

Zij betoogt dat in het vigerende bestemmingsplan een te klein bouwvlak voor haar perceel is opgenomen, waartegen zij destijds niet is opgekomen. Volgens [appellante sub 22] is een bebouwingsoppervlak van 4.583 m2 voor haar gronden reëel. Daarbij stelt zij dat de reeds vergunde bebouwing op het perceel een oppervlakte heeft van ongeveer 4.000 m2.

2.15.4. De Afdeling stelt, onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen onder 2.9.3.1, vast dat in het dictum van het bestreden aanwijzingsbesluit een reactieve aanwijzing is gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Bedrijf" voor het perceel Heikantsestraat 4.

Aan het desbetreffende perceel is in het bestemmingsplan echter niet de bestemming "Bedrijf" toegekend - welke bestemming in het plan wel aan een aantal andere percelen is toegekend - maar de bestemming "Agrarisch, agrarisch-technisch hulpbedrijf". Dit betekent dat geen reactieve aanwijzing is gegeven met betrekking tot de bestemming die in het plan is toegekend aan het perceel Heikantsestraat 4. Gelet hierop is het beroep van [appellante sub 22] gericht tegen een onderdeel van het aanwijzingsbesluit dat niet is gericht op rechtsgevolg. Het beroep van [appellante sub 22] is derhalve niet-ontvankelijk.

2.15.5. Gelet hierop behoeven de beroepsgronden met betrekking tot dit onderdeel van het bestreden besluit geen bespreking.

2.15.6. Ter voorlichting aan partijen merkt de Afdeling het volgende op.

Het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan is samen met het aanwijzingsbesluit bekendgemaakt conform het bepaalde in artikel 3.8, zesde lid, van de Wro bezien in samenhang met het bepaalde in artikel 3:42, tweede lid, van de Awb. Nu, zoals uit het voorgaande blijkt, geen reactieve aanwijzing is gegeven met betrekking tot de bestemming die in het plan is toegekend aan het perceel Heikantsestraat 4, moet worden vastgesteld dat het plan in zoverre reeds is bekendgemaakt. Het is echter niet uitgesloten dat belanghebbenden hebben afgezien van het instellen van beroep tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, voor zover dat betrekking heeft op het perceel Heikantsestraat 4, omdat zij ten onrechte in de veronderstelling verkeerden dat met betrekking tot dit onderdeel van het bestemmingsplan een reactieve aanwijzing is gegeven. Gelet hierop dient het gemeentebestuur nogmaals onverwijld, conform het bepaalde in artikel 3:44 van de Awb, mededeling te doen van dit onderdeel van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, waarna daartegen, gedurende de in artikel 6:7 van de Awb genoemde termijn voor het indienen van een beroepschrift bezien in samenhang met het bepaalde in artikel 6:11 van de Awb, voor belanghebbenden beroep bij de Afdeling openstaat.

Het perceel Meerleseweg 7 te Ulicoten

2.16. Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot het perceel Meerleseweg 7.

2.16.1. In het plan is aan het desbetreffende perceel de bestemming "Agrarisch, agrarisch-technisch hulpbedrijf" toegekend.

Ingevolge artikel 5, lid 5.1.1, van de planregels zijn de desbetreffende gronden onder meer bestemd voor agrarisch-technische hulpbedrijven, conform de Staat van agrarisch-technische hulpbedrijven.

In lid 5.1.2 is bepaald dat op de gronden op verbeelding 1 aangegeven als "Agrarisch, agrarisch-technisch hulpbedrijf" overeenkomstig de aanduiding uitsluitend zijn toegestaan de bedrijven genoemd in de navolgende Staat van agrarisch-technische hulpbedrijven, waarbij geldt dat de genoemde maximale oppervlakte aan bedrijfsbebouwing aangehouden dient te worden. De oppervlakte is exclusief de oppervlakte van de bedrijfswoning en de daarbij behorende vrijstaande bijgebouwen.

In die Staat van agrarisch-technische hulpbedrijven is ten aanzien van het perceel Meerleseweg 7 vermeld: "agro & cultuurtechniek", met een oppervlakte aan bedrijfsgebouwen van 5.753 m2.

2.16.2. Het college heeft aan de reactieve aanwijzing met betrekking tot bovengenoemd perceel ten grondslag gelegd dat het gaat om een niet-agrarisch bedrijf en dat het plan, wat dit bedrijf betreft, voorziet in een vergroting van het toegestane bebouwingsoppervlak met meer dan 15%. Ook heeft het college overwogen dat het bestemmingsvlak met ongeveer 40% is vergroot ten opzichte van het vigerende plan. Het college acht een dergelijke vergroting in strijd met het provinciale belang.

2.16.3. [appellante sub 31], die ter plaatse een agrarisch loonbedrijf exploiteert, stelt dat deze reactieve aanwijzing ten onrechte is gegeven. Zij heeft onder meer aangevoerd dat het college niet bevoegd is tot het geven van deze aanwijzing, omdat het college tegen dit onderdeel van het plan geen zienswijzen naar voren heeft gebracht.

2.16.4. De Afdeling stelt, onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen onder 2.9.3.1, vast dat in het dictum van het bestreden aanwijzingsbesluit een reactieve aanwijzing is gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Bedrijf" voor het perceel Meerleseweg 7.

Aan het desbetreffende perceel is in het bestemmingsplan echter niet de bestemming "Bedrijf" toegekend - welke bestemming in het plan wel aan een aantal andere percelen is toegekend - maar de bestemming "Agrarisch, agrarisch-technisch hulpbedrijf". Dit betekent dat geen reactieve aanwijzing is gegeven met betrekking tot de bestemming die in het plan is toegekend aan het perceel Meerleseweg 7. Gelet hierop is het beroep van [appellante sub 31] gericht tegen een onderdeel van het aanwijzingsbesluit dat niet is gericht op rechtsgevolg. Het beroep van [appellante sub 31] is derhalve niet-ontvankelijk.

2.16.5. Gelet hierop behoeven de beroepsgronden met betrekking tot dit onderdeel van het bestreden besluit geen bespreking.

2.16.6. Ter voorlichting aan partijen merkt de Afdeling het volgende op.

Het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan is samen met het aanwijzingsbesluit bekendgemaakt conform het bepaalde in artikel 3.8, zesde lid, van de Wro bezien in samenhang met het bepaalde in artikel 3:42, tweede lid, van de Awb. Nu, zoals uit het voorgaande blijkt, geen reactieve aanwijzing is gegeven met betrekking tot de bestemming die in het plan is toegekend aan het perceel Meerleseweg 7, moet worden vastgesteld dat het plan in zoverre reeds is bekendgemaakt. Het is echter niet uitgesloten dat belanghebbenden hebben afgezien van het instellen van beroep tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, voor zover dat betrekking heeft op het perceel Meerleseweg 7, omdat zij ten onrechte in de veronderstelling verkeerden dat met betrekking tot dit onderdeel van het bestemmingsplan een reactieve aanwijzing is gegeven. Gelet hierop dient het gemeentebestuur nogmaals onverwijld, conform het bepaalde in artikel 3:44 van de Awb, mededeling te doen van dit onderdeel van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, waarna daartegen, gedurende de in artikel 6:7 van de Awb genoemde termijn voor het indienen van een beroepschrift bezien in samenhang met het bepaalde in artikel 6:11 van de Awb, voor belanghebbenden beroep bij de Afdeling openstaat.

2.16.7. [appellante sub 31] stelt zich blijkens haar beroepschrift tegen het aanwijzingsbesluit op het standpunt dat het plan, zoals dat door de raad is vastgesteld, ten onrechte niet de mogelijkheid biedt om een tweede bedrijfswoning op haar perceel te bouwen. Zij heeft echter geen beroep ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, voor zover dat betrekking heeft op haar perceel. De Afdeling wijst er op dat zij dit vóór het aflopen van de onder 2.16.6 genoemde termijn alsnog kan doen.

De percelen Loveren 40-42 te Baarle-Nassau

2.17. Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Bedrijf" aan de percelen Loveren 40-42.

2.17.1. In het plan is aan de desbetreffende percelen één bestemmingsvlak met de bestemming "Bedrijf" toegekend. Wat betreft een deel van dit bestemmingsvlak is op de verbeelding de aanduiding "onbebouwd (ob)" opgenomen.

Ingevolge artikel 10, lid 10.1.1, van de planregels zijn de gronden met de bestemming "Bedrijf" onder meer bestemd voor niet-agrarische bedrijven, conform de Staat van niet-agrarische bedrijven, alsmede voor woondoeleinden in bedrijfswoningen als ondergeschikte functie.

In lid 10.1.2 is, voor zover hier van belang, bepaald dat op de gronden op verbeelding 1 aangegeven als "Bedrijf" overeenkomstig de aanduiding uitsluitend zijn toegestaan de bedrijven genoemd in de navolgende Staat van bedrijven, waarbij geldt dat de genoemde maximale oppervlakte aan bedrijfsbebouwing aangehouden dient te worden. De oppervlakte is exclusief de oppervlakte van de bedrijfswoning en de daarbij behorende vrijstaande bijgebouwen.

In die Staat van bedrijven is ten aanzien van de percelen Loveren 40-42 vermeld: "houtver- en bewerkingsbedrijf" met een oppervlakte aan bedrijfsgebouwen van 2.316 m2.

Ingevolge lid 10.2.2, aanhef en onder g, mogen op bestemmingsvlakken met de aanduiding "onbebouwd (ob)" alleen bouwwerken geen gebouwen zijnde worden opgericht ten behoeve van het bedrijf.

2.17.2. Het college heeft aan de reactieve aanwijzing met betrekking tot bovengenoemde percelen ten grondslag gelegd dat het gaat om een niet-agrarisch bedrijf en dat het plan, wat dit bedrijf betreft, voorziet in een vergroting van het bestemmingsvlak met ongeveer 150% ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan. Het college acht een dergelijke vergroting in strijd met het provinciale belang.

2.17.3. [appellante sub 41], die ter plaatse een houtver- en bewerkingsbedrijf exploiteert, stelt dat deze reactieve aanwijzing ten onrechte is gegeven. Zij heeft aangevoerd dat het college niet bevoegd is tot het geven van deze aanwijzing, omdat het college tegen dit onderdeel van het plan geen zienswijzen naar voren heeft gebracht.

2.17.3.1. Dit betoog faalt. Het in het aanwijzingsbesluit vervatte standpunt van het college dat bij verschillende niet-agrarische bedrijven een ruimere uitbreidingsmogelijkheid wordt geboden dan de 15% die het college in het algemeen voor dit soort bedrijven hanteert, steunt naar het oordeel van de Afdeling op de door het college ingediende zienswijzen. Daarbij merkt de Afdeling overigens nog op dat de percelen Loveren 40 en Loveren 42 in de zienswijzen concreet zijn genoemd als voorbeeld van een bedrijf waar volgens het college te ruime uitbreidingsmogelijkheden zijn geboden. Gelet hierop is het aanwijzingsbesluit in zoverre niet in strijd met artikel 3.8, zesde lid, gelezen in samenhang met het vierde lid, van de Wro.

2.17.4. [appellante sub 41] betoogt verder dat de raad reeds in 2003 - op basis van een ruimtelijke onderbouwing - heeft toegezegd te zullen meewerken aan een vergroting van het bestemmingsvlak, zoals dat thans in het plan is opgenomen. Per abuis heeft het gemeentebestuur hiervoor toen de procedure als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) in gang gezet. Omdat het ging om een vergroting van het bestemmingsvlak met meer dan 15% heeft de provincie aangegeven hiervoor geen verklaring van geen bezwaar te willen verlenen. In overleg met de gemeente is er toen voor gekozen om eerst door te zetten met een kleiner bestemmingsvlak. Vervolgens is bouwvergunning verleend voor een loods binnen dat bestemmingsvlak. Die loods kan echter niet worden gebouwd in afwachting van de verplaatsing van houtopslag naar gronden buiten het destijds vastgestelde bestemmingsvlak. Met de verdere uitbreiding van het bestemmingsvlak is vervolgens gewacht op de thans aan de orde zijnde algehele herziening van het bestemmingsplan voor het buitengebied.

Volgens [appellante sub 41] heeft het college met deze omstandigheden ten onrechte geen rekening gehouden bij het nemen van zijn besluit.

2.17.5. Het provinciale beleid was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit gericht op het zoveel mogelijk tegengaan van niet aan het buitengebied gebonden bedrijven in het buitengebied. In paragraaf 4.13 van de Paraplunota is gesteld dat nieuwvestiging van deze bedrijven in het buitengebied in beginsel niet is toegestaan. Daarbij is tevens vermeld dat bestaande, niet aan het buitengebied gebonden bedrijven in beginsel een uitbreidingsruimte krijgen van maximaal 15%.

In artikel 11.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening is, voor zover hier van belang, bepaald dat een bestemmingsplan dat is gelegen in agrarisch gebied, niet zijnde een landbouwontwikkelingsgebied of een vestigingsgebied glastuinbouw, kan voorzien in een uitbreiding van een niet-agrarische ruimtelijke ontwikkeling, mits de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een bestemmingsvlak met een omvang van meer dan 5.000 m2.

2.17.6. Voor de percelen Loveren 40-42 is in het vigerende bestemmingsplan "Buitengebied 1990" één bestemmingsvlak met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (BD)" opgenomen.

Blijkens het deskundigenbericht en de daarbij behorende bijlagen bedraagt de oppervlakte van het bestemmingsvlak met een bedrijfsbestemming in het vigerende bestemmingsplan 5.239 m2 en is deze oppervlakte door middel van het verlenen van een artikel 19-vrijstelling vergroot tot 6.025 m2.

Uit het deskundigenbericht blijkt verder dat het bestemmingsvlak met een bedrijfsbestemming in het vastgestelde bestemmingsplan is vergroot met 6.539 m2 tot in totaal 12.564 m2.

Gelet hierop heeft het college zich met juistheid op het standpunt gesteld dat het bestemmingsplan in zoverre voorziet in een uitbreiding van een niet aan het buitengebied gebonden bedrijf die in strijd is met het destijds geldende provinciale beleid, welke uitbreiding tevens in strijd is met de inmiddels vastgestelde algemene regels. De omstandigheid dat de uitbreiding uitsluitend gronden betreft waaraan in het plan de aanduiding "onbebouwd (ob)" is toegekend, doet daaraan niet af, aangezien deze gronden voor bedrijfsdoeleinden mogen worden gebruikt en hierop bouwwerken geen gebouwen zijnde mogen worden opgericht.

2.17.7. Gezien het vorenstaande heeft het college, vooruitlopend op de vaststelling van de Verordening, in redelijkheid van de noodzaak van het geven van een reactieve aanwijzing kunnen uitgaan, gelet op artikel 3.8, zesde lid, gelezen in samenhang met artikel 4.2, eerste lid, van de Wro.

2.17.8. De Afdeling begrijpt het verdere betoog van [appellante sub 41] aldus dat het college op grond van het vertrouwensbeginsel een uitzondering had kunnen en moeten maken voor deze concrete situatie. [appellante sub 41] heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat haar van de zijde van de provincie is toegezegd dat zal worden meegewerkt aan een vergroting van het bestemmingsvlak zoals dat is opgenomen in het bestemmingsplan. In dit verband overweegt de Afdeling dat de door [appellante sub 41] overgelegde brief van 20 januari 2004 afkomstig is van het gemeentebestuur. Een dergelijke toezegging valt evenmin af te leiden uit de verklaring van geen bezwaar die het college op 17 februari 2004 heeft verleend. [appellante sub 41] heeft hieraan dan ook niet het in rechte te honoreren vertrouwen kunnen ontlenen dat het college zou afzien van het geven van een reactieve aanwijzing met betrekking tot haar percelen.

2.17.9. In hetgeen [appellante sub 41] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat provinciale belangen het geven van deze reactieve aanwijzing met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit, wat dit onderdeel betreft, anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep met betrekking tot dit onderdeel van het aanwijzingsbesluit is ongegrond.

Het perceel Goorweg 7 te Baarle-Nassau

2.18. Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Bedrijf" aan het perceel Goorweg 7.

2.18.1. In het plan is aan het desbetreffende perceel de bestemming "Bedrijf" toegekend.

Ingevolge artikel 10, lid 10.1.1, van de planregels zijn de gronden met de bestemming "Bedrijf" onder meer bestemd voor niet-agrarische bedrijven, conform de Staat van niet-agrarische bedrijven, alsmede voor woondoeleinden in bedrijfswoningen als ondergeschikte functie.

In lid 10.1.2 is, voor zover hier van belang, bepaald dat op de gronden op verbeelding 1 aangegeven als "Bedrijf" overeenkomstig de aanduiding uitsluitend zijn toegestaan de bedrijven genoemd in de navolgende Staat van bedrijven, waarbij geldt dat de genoemde maximale oppervlakte aan bedrijfsbebouwing aangehouden dient te worden. De oppervlakte is exclusief de oppervlakte van de bedrijfswoning en de daarbij behorende vrijstaande bijgebouwen.

In die Staat van bedrijven is ten aanzien van het perceel Goorweg 7 vermeld: "groothandel" met een oppervlakte aan bedrijfsgebouwen van 4.211 m2.

2.18.2. Het college heeft aan de reactieve aanwijzing met betrekking tot bovengenoemd perceel ten grondslag gelegd dat in het vigerende plan voor het desbetreffende perceel twee bestemmingsvlakken zijn opgenomen, waarvan één met een bedrijfsbestemming en één met een agrarische bestemming. In het vastgestelde plan is aan het hele perceel een bedrijfsbestemming toegekend, waardoor het bestemmingsvlak met deze bestemming vijf keer zo groot is geworden. Volgens het college is daarbij niet voldaan aan de voorwaarden die in het provinciale beleid worden gesteld ten aanzien van het hergebruik van een voormalige agrarische bedrijfslocatie, zoals de sloop van overtollige bedrijfsbebouwing. Het college acht het plan in zoverre in strijd met het provinciale belang.

2.18.3. [appellant sub 23], eigenaar van het desbetreffende perceel, stelt dat deze reactieve aanwijzing ten onrechte is gegeven. Volgens [appellant sub 23] is het inderdaad niet nodig dat aan het gehele perceel een bedrijfsbestemming wordt toegekend. Hij stelt echter dat een substantieel deel van het perceel die bestemming dient te krijgen en dat het plan in elk geval dient te voorzien in een bebouwingsoppervlak van 600 m2, aangezien reeds vanaf 1984 bebouwing met een dergelijk oppervlak aanwezig is.

2.18.4. Het provinciale beleid was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit gericht op het zoveel mogelijk tegengaan van niet aan het buitengebied gebonden bedrijven in het buitengebied. In paragraaf 4.13 van de Paraplunota is gesteld dat nieuwvestiging van deze bedrijven in het buitengebied in beginsel niet is toegestaan. Daarbij is tevens vermeld dat bestaande, niet aan het buitengebied gebonden bedrijven in beginsel een uitbreidingsruimte krijgen van maximaal 15%.

In artikel 11.6, eerste lid, aanhef en onder h, van de Verordening is, voor zover hier van belang, bepaald dat een bestemmingsplan dat is gelegen in agrarisch gebied, niet zijnde een landbouwontwikkelingsgebied of een vestigingsgebied glastuinbouw, kan voorzien in een uitbreiding van een niet-agrarische ruimtelijke ontwikkeling, mits er sprake is van een bebouwingspercentage en bouwhoogte welke passend zijn bij de aard van de omgeving en de beoogde ontwikkeling.

2.18.5. In het vigerende bestemmingsplan "Buitengebied 1990" is aan een beperkt deel van het perceel Goorweg 7 de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (BD)" toegekend. Aan het overgrote deel van het perceel is in dat plan de bestemming "Agrarisch Gebied" met de aanduiding "agrarisch bouwvlak" toegekend.

In het vastgestelde bestemmingsplan is aan het gehele perceel een bedrijfsbestemming toegekend. Tussen partijen is niet in geschil dat het plan in zoverre voorziet in een uitbreiding van het bestemmingsvlak met een bedrijfsbestemming van meer dan 15% ten opzichte van het vigerende plan. Evenmin is in geschil dat de maximaal toegestane oppervlakte aan bedrijfsgebouwen met meer dan 15% mag worden vergroot. Ter zitting is in dit verband door het gemeentebestuur gesteld dat deze oppervlakte in het plan is vergroot van ongeveer 600 m2 naar 4.211 m2.

Gelet hierop heeft het college zich met juistheid op het standpunt gesteld dat het bestemmingsplan in zoverre voorziet in een uitbreiding van een niet aan het buitengebied gebonden bedrijf die in strijd is met het destijds geldende provinciale beleid, welke uitbreiding tevens in strijd is met de inmiddels vastgestelde algemene regels.

2.18.6. Gezien het vorenstaande heeft het college, vooruitlopend op de vaststelling van de Verordening, in redelijkheid van de noodzaak van het geven van een reactieve aanwijzing kunnen uitgaan, gelet op artikel 3.8, zesde lid, gelezen in samenhang met artikel 4.2, eerste lid, van de Wro.

2.18.7. Voor zover [appellant sub 23] stelt dat een deel van zijn perceel wordt gebruikt voor agrarische activiteiten en dat dit gebruik in het plan als zodanig dient te worden bestemd, overweegt de Afdeling dat de ongegrondverklaring van het beroep van [appellant sub 23] tegen deze reactieve aanwijzing tot gevolg heeft dat het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, voor zover dat betrekking heeft op het perceel Goorweg 7, vervalt. Dit betekent dat het vigerende bestemmingsplan "Buitengebied 1990", waarin aan een deel van het perceel de bestemming "Agrarisch Gebied" met de aanduiding "agrarisch bouwvlak" is toegekend, blijft gelden.

2.18.8. In hetgeen [appellant sub 23] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat provinciale belangen het geven van deze reactieve aanwijzing met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit, wat dit onderdeel betreft, anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 23] is ongegrond.

Het perceel Bredaseweg 22 te Baarle-Nassau

2.19. Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Bedrijf" aan het perceel Bredaseweg 22.

2.19.1. In het plan is aan het desbetreffende perceel de bestemming "Bedrijf" toegekend.

Ingevolge artikel 10, lid 10.1.1, van de planregels zijn de gronden met de bestemming "Bedrijf" onder meer bestemd voor niet-agrarische bedrijven, conform de Staat van niet-agrarische bedrijven, alsmede voor woondoeleinden in bedrijfswoningen als ondergeschikte functie.

In lid 10.1.2 is, voor zover hier van belang, bepaald dat op de gronden op verbeelding 1 aangegeven als "Bedrijf" overeenkomstig de aanduiding uitsluitend zijn toegestaan de bedrijven genoemd in de navolgende Staat van bedrijven, waarbij geldt dat de genoemde maximale oppervlakte aan bedrijfsbebouwing aangehouden dient te worden. De oppervlakte is exclusief de oppervlakte van de bedrijfswoning en de daarbij behorende vrijstaande bijgebouwen.

In die Staat van bedrijven is ten aanzien van het perceel Bredaseweg 22 vermeld: "stratenmakersbedrijf" met een oppervlakte aan bedrijfsgebouwen van 527 m2.

2.19.2. Het college heeft aan de reactieve aanwijzing met betrekking tot bovengenoemd perceel ten grondslag gelegd dat het gaat om het hergebruik van een voormalige agrarische bedrijfslocatie voor een niet aan het buitengebied gebonden bedrijf, zonder dat wordt voldaan aan de voorwaarden die daaraan in het provinciale beleid worden gesteld. In dit verband heeft het college overwogen dat de locatie niet ligt in een door de raad aangewezen kernrandzone. Evenmin is volgens het college sprake van een bebouwingsconcentratie in de zin van het provinciale beleid. Het college acht het plan in zoverre in strijd met het provinciale belang.

2.19.3. [appellant sub 3], eigenaar van het perceel, stelt dat deze reactieve aanwijzing ten onrechte is gegeven. Hij betoogt dat de locatie ligt in het kernrandgebied dan wel binnen een bebouwingsconcentratie. Volgens hem past de omschakeling dan ook in het provinciale beleid. Ook heeft hij aangevoerd dat de opslag van bestratingsmaterialen al lange tijd ter plaatse plaatsvindt en dat dit valt onder het overgangsrecht van het vigerende plan. Volgens hem is het niet toegestaan dit gebruik wederom onder het overgangsrecht te brengen, zodat de raad dit terecht als zodanig heeft bestemd.

2.19.4. Het provinciale beleid was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit gericht op het zoveel mogelijk tegengaan van niet aan het buitengebied gebonden bedrijven in het buitengebied. In paragraaf 4.13 van de Paraplunota is gesteld dat nieuwvestiging van deze bedrijven in het buitengebied in beginsel niet is toegestaan. Onder bepaalde voorwaarden is vestiging op een voormalige agrarische bedrijfslocatie wel toegestaan. In paragraaf 4.11 staat hierover dat het, buiten de locaties waarvan de agrarische bestemming kan worden gehandhaafd voor de opvang van te verplaatsen agrarische bedrijven en buiten de locaties waar sloop van bedrijfsgebouwen heeft plaatsgevonden met gebruikmaking van de regeling ruimte-voor-ruimte, in bebouwingsconcentraties buiten de groene hoofdstructuur onder voorwaarden is toegestaan dat voormalige agrarische bedrijfslocaties benut worden voor niet aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid. In de Paraplunota wordt op dit punt tevens verwezen naar de beleidsnota Buitengebied in Ontwikkeling, die door het college is vastgesteld op 20 juli 2004 (hierna: de beleidsnota Buitengebied). In deze beleidsnota wordt via rood voor groenconstructies ontwikkelingsruimte geboden voor bebouwingsconcentraties en kernrandzones in het buitengebied.

In artikel 11.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening is, voor zover hier van belang, bepaald dat een bestemmingsplan dat is gelegen in agrarisch gebied, niet zijnde een landbouwontwikkelingsgebied of een vestigingsgebied glastuinbouw, kan voorzien in een VAB-vestiging van een niet-agrarische ruimtelijke ontwikkeling, mits de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een bestemmingsvlak met een omvang van meer dan 5.000 m2.

2.19.5. Het perceel Bredaseweg 22 betreft een voormalige agrarische bedrijfslocatie (een zogenoemde VAB). In het vigerende bestemmingsplan "Buitengebied 1990" is aan dit perceel de bestemming "Agrarisch Gebied (A)" met de aanduiding "agrarisch bouwvlak" toegekend. In het vastgestelde bestemmingsplan is aan het perceel een bedrijfsbestemming toegekend. Blijkens het deskundigenbericht, dat op dit punt niet is bestreden, heeft het bestemmingsvlak met een bedrijfsbestemming een oppervlakte van meer dan 5.000 m2.

Het perceel ligt niet in een gebied dat in het vastgestelde bestemmingsplan is aangewezen als kernrandzone. In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling voorts geen grond voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het perceel niet in een bebouwingsconcentratie ligt.

Gelet hierop heeft het college zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat het bestemmingsplan in zoverre voorziet in het hergebruik van een voormalige agrarische bedrijfslocatie, welk hergebruik in strijd is met het destijds geldende provinciale beleid en tevens in strijd is met de inmiddels vastgestelde algemene regels.

2.19.6. Gezien het vorenstaande heeft het college, vooruitlopend op de vaststelling van de Verordening, in redelijkheid van de noodzaak van het geven van een reactieve aanwijzing kunnen uitgaan, gelet op artikel 3.8, zesde lid, gelezen in samenhang met artikel 4.2, eerste lid, van de Wro.

2.19.7. De Afdeling begrijpt het verdere betoog van [appellant sub 3] aldus dat het college voor zijn situatie een uitzondering had kunnen en moeten maken, omdat het huidige gebruik van het perceel Bredaseweg 22 volgens hem valt onder het overgangsrecht van het vigerende plan.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (overweging 2.6.2 van de uitspraak van 2 mei 2007 in zaak nr. 200605059/1) betekent het feit dat in een bepaalde situatie sprake zou zijn van bestaand gebruik dat in het vorige plan onder het overgangsrecht viel niet dat aanspraak bestaat op een positieve bestemming van dat bestaande gebruik. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat het college om deze reden had moeten afzien van het geven van een reactieve aanwijzing met betrekking tot het perceel van [appellant sub 3].

Hetgeen [appellant sub 3] overigens heeft aangevoerd, leidt evenmin tot het oordeel dat het college had moeten afzien van het geven van een reactieve aanwijzing met betrekking tot zijn perceel.

2.19.8. In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat provinciale belangen het geven van deze reactieve aanwijzing met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit, wat dit onderdeel betreft, anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 3] is ongegrond.

Het perceel Schaluinen 1 te Baarle-Nassau

2.20. Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Bedrijf" aan het perceel Schaluinen 1.

2.20.1. Het college heeft aan de reactieve aanwijzing met betrekking tot bovengenoemd perceel ten grondslag gelegd dat het gaat om het hergebruik van een voormalige agrarische bedrijfslocatie voor een niet aan het buitengebied gebonden bedrijf, zonder dat wordt voldaan aan de voorwaarden die daaraan in het provinciale beleid worden gesteld. In dit verband heeft het college overwogen dat de locatie niet ligt in een door de raad aangewezen kernrandzone. Het college acht het plan in zoverre in strijd met het provinciale belang.

2.20.2. Versmissen, die een timmerbedrijf exploiteert op het perceel Schaluinen 8, en [appellant sub 34], eigenaar van het perceel Schaluinen 8, stellen dat deze reactieve aanwijzing ten onrechte is gegeven. Zij betogen dat de locatie ligt op een afstand van minder dan 150 meter van de bebouwde kom en dat deze locatie ligt in een gebied, dat is aangeduid als extensiveringsgebied, waar een intensief veehouderijbedrijf niet gewenst is. Wegens de ligging van een burgerwoning tegenover het perceel is de vestiging van een ander veehouderijbedrijf ter plaatse volgens hen evenmin mogelijk. Gelet hierop en gezien het feit dat het timmerbedrijf al jarenlang met de benodigde vergunningen ter plaatse aanwezig is, achten zij het geven van een reactieve aanwijzing hier niet op zijn plaats.

2.20.3. De Afdeling stelt, onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen onder 2.9.3.1, vast dat in het dictum van het bestreden aanwijzingsbesluit een reactieve aanwijzing is gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Bedrijf" voor het perceel Schaluinen 1.

Het perceel Schaluinen 8 is niet genoemd in het dictum van het bestreden besluit. Dit betekent dat geen reactieve aanwijzing is gegeven met betrekking tot de bestemming die in het bestemmingsplan is toegekend aan het perceel Schaluinen 8. Het feit dat dit perceel met een rode belijning is aangegeven op de bijlage bij het aanwijzingsbesluit, maakt dit niet anders, nu in het dictum niet is bepaald dat de reactieve aanwijzing met betrekking tot het perceel Schaluinen 1 betrekking heeft op de plandelen die op de bijlage bij het besluit met een rode belijning zijn aangegeven. Nu het aanwijzingsbesluit geen betrekking heeft op het perceel Schaluinen 8, kan het besluit voor dit perceel geen rechtsgevolg hebben. De beroepen van Versmissen en [appellant sub 34] zijn derhalve niet-ontvankelijk.

2.20.4. Gelet hierop behoeven de beroepsgronden met betrekking tot dit onderdeel van het bestreden besluit geen bespreking.

2.20.5. Ter voorlichting aan partijen merkt de Afdeling het volgende op.

Het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan is samen met het aanwijzingsbesluit bekendgemaakt conform het bepaalde in artikel 3.8, zesde lid, van de Wro bezien in samenhang met het bepaalde in artikel 3:42, tweede lid, van de Awb. Nu, zoals uit het voorgaande blijkt, geen reactieve aanwijzing is gegeven met betrekking tot de bestemming die in het plan is toegekend aan het perceel Schaluinen 8, moet worden vastgesteld dat het plan in zoverre reeds is bekendgemaakt. Het is echter niet uitgesloten dat belanghebbenden hebben afgezien van het instellen van beroep tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, voor zover dat betrekking heeft op het perceel Schaluinen 8, omdat zij ten onrechte in de veronderstelling verkeerden dat met betrekking tot dit onderdeel van het bestemmingsplan een reactieve aanwijzing is gegeven. Gelet hierop dient het gemeentebestuur nogmaals onverwijld, conform het bepaalde in artikel 3:44 van de Awb, mededeling te doen van dit onderdeel van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, waarna daartegen, gedurende de in artikel 6:7 van de Awb genoemde termijn voor het indienen van een beroepschrift bezien in samenhang met het bepaalde in artikel 6:11 van de Awb, voor belanghebbenden beroep bij de Afdeling openstaat.

Het perceel Alphenseweg tegenover nr 41 te Baarle-Nassau

2.21. Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Bedrijf" aan het perceel Alphenseweg tegenover nr 41, plaatselijk bekend als het perceel Alphenseweg 14.

2.21.1. In het plan is aan het desbetreffende perceel de bestemming "Bedrijf" toegekend.

Ingevolge artikel 10, lid 10.1.1, van de planregels zijn de gronden met de bestemming "Bedrijf" onder meer bestemd voor niet-agrarische bedrijven, conform de Staat van niet-agrarische bedrijven, alsmede voor woondoeleinden in bedrijfswoningen als ondergeschikte functie.

In lid 10.1.2 is, voor zover hier van belang, bepaald dat op de gronden op verbeelding 1 aangegeven als "Bedrijf" overeenkomstig de aanduiding uitsluitend zijn toegestaan de bedrijven genoemd in de navolgende Staat van bedrijven, waarbij geldt dat de genoemde maximale oppervlakte aan bedrijfsbebouwing aangehouden dient te worden. De oppervlakte is exclusief de oppervlakte van de bedrijfswoning en de daarbij behorende vrijstaande bijgebouwen.

In die Staat van bedrijven is ten aanzien van het perceel Alphenseweg 14 vermeld: "bouw- en houtbedrijf" met een oppervlakte aan bedrijfsgebouwen van 206 m2.

2.21.2. Het college heeft aan de reactieve aanwijzing met betrekking tot bovengenoemd perceel ten grondslag gelegd dat het plan in zoverre voorziet in de nieuwvestiging van een niet-agrarisch bedrijf, aangezien in het vigerende bestemmingsplan voor het perceel een woonbestemming is opgenomen. Volgens het college ligt de locatie niet in een door de raad aangewezen kernrandzone. Gelet hierop acht het college het plan in zoverre in strijd met het provinciale belang.

2.21.3. [appellant sub 16], eigenaar van het perceel, stelt dat deze reactieve aanwijzing ten onrechte is gegeven. Hij heeft onder meer aangevoerd dat het college niet bevoegd is tot het geven van deze aanwijzing, omdat het college tegen dit onderdeel van het plan geen zienswijzen naar voren heeft gebracht.

2.21.3.1. De Afdeling stelt, onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen onder 2.10.3.1, vast dat het college de planregeling voor het perceel Alphenseweg tegenover nr 41 in zijn zienswijzen tegen het ontwerpplan niet als zodanig heeft bestreden. Het in het aanwijzingsbesluit vervatte standpunt van het college dat het plan ten onrechte voorziet in de nieuwvestiging van verschillende niet-agrarische bedrijven is evenmin te herleiden tot de zienswijzen. Voorts is het plan, wat betreft het perceel Alphenseweg tegenover nr 41, bij de vaststelling niet gewijzigd ten opzichte van het ontwerpplan.

2.21.3.2. Uit het vorenstaande volgt dat het aanwijzingsbesluit in zoverre in strijd is met artikel 3.8, zesde lid, bezien in samenhang met het vierde lid, van de Wro. Het beroep van [appellant sub 16] is gegrond. Het bestreden besluit, voor zover daarbij een reactieve aanwijzing is gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Bedrijf" aan het perceel Alphenseweg tegenover nr 41, dient te worden vernietigd.

2.21.4. Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden met betrekking tot dit onderdeel van het bestreden besluit geen bespreking meer.

2.21.5. Ter voorlichting aan partijen merkt de Afdeling het volgende op. Naar aanleiding van deze uitspraak dient het gemeentebestuur het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, voor zover dat betrekking heeft op het perceel Alphenseweg tegenover nr 41, onverwijld met inachtneming van de daarvoor geldende voorschriften bekend te maken, waarna daartegen, gedurende de in artikel 6:7 van de Awb genoemde termijn voor het indienen van een beroepschrift, voor belanghebbenden beroep bij de Afdeling openstaat.

Het perceel Kruising Heimolen/Molenbaan/Tommel te Baarle-Nassau

2.22. Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Bedrijf" en "Wonen" aan het perceel Kruising Heimolen/Molenbaan/Tommel, plaatselijk bekend als het perceel Heimolen 2-4.

2.22.1. Op de verbeelding is aan een deel van het desbetreffende perceel de bestemming "Bedrijf" toegekend. Tevens zijn ter plaatse van dit perceel twee bestemmingsvlakken met de bestemming "Wonen" opgenomen.

Ingevolge artikel 10, lid 10.1.1, van de planregels zijn de gronden met de bestemming "Bedrijf" onder meer bestemd voor niet-agrarische bedrijven, conform de Staat van niet-agrarische bedrijven, alsmede voor woondoeleinden in bedrijfswoningen als ondergeschikte functie.

In lid 10.1.2 is, voor zover hier van belang, bepaald dat op de gronden op verbeelding 1 aangegeven als "Bedrijf" overeenkomstig de aanduiding uitsluitend zijn toegestaan de bedrijven genoemd in de navolgende Staat van bedrijven, waarbij geldt dat de genoemde maximale oppervlakte aan bedrijfsbebouwing aangehouden dient te worden. De oppervlakte is exclusief de oppervlakte van de bedrijfswoning en de daarbij behorende vrijstaande bijgebouwen.

In die Staat van bedrijven is ten aanzien van het perceel Heimolen 4 vermeld: "elektrotechnisch bedrijf" met een oppervlakte aan bedrijfsgebouwen van 225 m2.

Ingevolge artikel 18, lid 18.1.1, van de planregels zijn de gronden met de bestemming "Wonen", voor zover hier van belang, bestemd voor woningen met bijbehorende voorzieningen, met de daarbij behorende bouwwerken, tuinen, erven en terreinen.

Ingevolge lid 18.2.2 mag per bestemmingsvlak maximaal één woning worden opgericht, waarbij geldt dat algehele herbouw van een burgerwoning uitsluitend mag plaatsvinden op de bestaande fundamenten.

2.22.2. Het college heeft aan de reactieve aanwijzing met betrekking tot de bedrijfsbestemming op bovengenoemd perceel ten grondslag gelegd dat het plan in zoverre voorziet in de nieuwvestiging van een niet-agrarisch bedrijf, aangezien in het vigerende bestemmingsplan voor het perceel een woonbestemming is opgenomen. Volgens het college ligt de locatie niet in een door de raad aangewezen kernrandzone en ontbreekt een nadere afweging ten aanzien van het toekennen van een bedrijfsbestemming. Gelet hierop acht het college het plan in zoverre in strijd met het provinciale belang.

2.22.3. [appellant sub 12], eigenaar van het perceel Heimolen 4, stelt dat de reactieve aanwijzing met betrekking tot de bedrijfsbestemming ten onrechte is gegeven. Hij heeft aangevoerd dat het college niet bevoegd is tot het geven van deze aanwijzing, omdat het college tegen dit onderdeel van het plan geen zienswijzen naar voren heeft gebracht.

2.22.3.1. Dit betoog faalt. Het bestemmingsplan is op dit punt gewijzigd vastgesteld ten opzichte van het ontwerpplan, in die zin dat voor een deel van het desbetreffende perceel een bestemmingsvlak met een bedrijfsbestemming is opgenomen. De reactieve aanwijzing heeft betrekking op deze wijziging. Gelet hierop is het aanwijzingsbesluit in zoverre niet in strijd met artikel 3.8, zesde lid, gelezen in samenhang met het vierde lid, van de Wro.

2.22.4. [appellant sub 12] betoogt verder dat op het perceel Heimolen 4 al vanaf 1998 een installatiebedrijf aanwezig is en dat hiervoor op 11 maart 1998 een vrijstelling is verleend als bedoeld in artikel 17 van de WRO. Toen de periode van vijf jaar was afgelopen, is van gemeentewege toegezegd dat het feitelijke gebruik zou worden meegenomen bij de algehele herziening van het bestemmingsplan voor het buitengebied. Volgens [appellant sub 12] heeft het college hiermee ten onrechte geen rekening gehouden.

2.22.4.1. Het provinciale beleid was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit gericht op het zoveel mogelijk tegengaan van niet aan het buitengebied gebonden bedrijven in het buitengebied. In paragraaf 4.13 van de Paraplunota is gesteld dat nieuwvestiging van deze bedrijven in het buitengebied in beginsel niet is toegestaan.

Op grond van artikel 2.1, tweede lid, onder a, gelezen in samenhang met artikel 11.6, eerste lid, van de Verordening is de nieuwvestiging van een niet-agrarische ruimtelijke ontwikkeling in agrarisch gebied, niet zijnde een landbouwontwikkelingsgebied of een vestigingsgebied glastuinbouw - anders dan door middel van een zogenoemde VAB-vestiging - niet toegestaan.

2.22.5. Aan het deel van het perceel Heimolen 4 waaraan in het vastgestelde bestemmingsplan een bedrijfsbestemming is toegekend is in het vigerende bestemmingsplan "Buitengebied 1990" de bestemming "Woondoeleinden" toegekend. Het vigerende plan maakt de vestiging van een bedrijf ter plaatse niet mogelijk.

Gelet hierop heeft het college zich met juistheid op het standpunt gesteld dat het bestemmingsplan in zoverre voorziet in de nieuwvestiging van niet aan het buitengebied gebonden bedrijf, hetgeen in strijd is met het destijds geldende provinciale beleid en hetgeen tevens in strijd is met de inmiddels vastgestelde algemene regels.

2.22.5.1. Gezien het vorenstaande heeft het college, vooruitlopend op de vaststelling van de Verordening, in redelijkheid van de noodzaak van het geven van een reactieve aanwijzing kunnen uitgaan, gelet op artikel 3.8, zesde lid, gelezen in samenhang met artikel 4.2, eerste lid, van de Wro.

2.22.5.2. De Afdeling begrijpt het verdere betoog van [appellant sub 12] aldus dat het college voor zijn situatie een uitzondering had kunnen en moeten maken, omdat in 1998 op grond van artikel 17 van de WRO een tijdelijke vrijstelling is verleend voor het toestaan van een installatiebedrijf.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraken van 9 maart 2011, nr. 201007291/1/R3, en van 21 januari 2009, nr. 200800347/1, geldt als uitgangspunt bij een verleende vrijstelling op grond van artikel 17 van de WRO dat na het verstrijken van de termijn de met het bestemmingsplan strijdige situatie hetzij in de vorige toestand wordt hersteld, hetzij met het bestemmingsplan in overeenstemming wordt gebracht. Echter, de Wro noch enig ander wettelijk voorschrift verzet zich ertegen dat een eenmaal door toepassing van artikel 17 van de WRO mogelijk gemaakte bebouwing of gebruik, ook na verloop van de in dat artikel beschreven termijnen, alsnog in een bestemmingsplan wordt opgenomen. Bepalend is of een definitieve inpassing zich verdraagt met een goede ruimtelijke ordening en ook anderszins niet in strijd komt met het recht.

Uit het vorenstaande volgt dat het in bepaalde gevallen - indien dit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of met het recht - weliswaar aanvaardbaar kan worden geacht dat gebruik en bebouwing waarvoor een tijdelijke vrijstelling is verleend wordt opgenomen in een bestemmingsplan, maar dat daarop geen aanspraak bestaat.

Uit het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan blijkt dat de raad een bedrijfsbestemming aan het perceel Heimolen 4 heeft toegekend, zonder dat daarbij is ingegaan op de planologische aanvaardbaarheid van die bestemming. Gelet hierop leidt hetgeen [appellant sub 12] heeft aangevoerd niet tot het oordeel dat het college had moeten afzien van het geven van een reactieve aanwijzing met betrekking tot dit perceel.

2.22.5.3. Voor zover [appellant sub 12] stelt dat het college op grond van het vertrouwensbeginsel een uitzondering had kunnen en moeten maken voor zijn concrete situatie omdat hem van gemeentewege is toegezegd dat het feitelijke gebruik van het perceel als zodanig zou worden bestemd, overweegt de Afdeling dat thans een besluit van het college aan de orde is en dat het college, behoudens zeer bijzondere omstandigheden, die hier niet aan de orde zijn, niet is gebonden aan een toezegging van gemeentewege in het kader van de totstandkoming van een bestemmingsplan.

2.22.5.4. In hetgeen [appellant sub 12] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat provinciale belangen het geven van deze reactieve aanwijzing met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit, wat dit onderdeel betreft, anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 12] met betrekking tot dit onderdeel van het aanwijzingsbesluit is ongegrond.

2.23. Het college heeft aan de reactieve aanwijzing met betrekking tot de woonbestemmingen op het perceel Kruising Heimolen/Molenbaan/Tommel ten grondslag gelegd dat het perceel in het vigerende bestemmingsplan één woonbestemming heeft en in het vastgestelde plan twee woonbestemmingen. Volgens het college is hierbij geen sprake geweest van splitsing van karakteristieke gebouwen. Het college acht de toevoeging van een burgerwoning in het buitengebied in strijd met het provinciale belang.

2.23.1. [appellant sub 12] en het gemeentebestuur stellen dat de reactieve aanwijzing met betrekking tot de woonbestemmingen ten onrechte is gegeven. Hiertoe hebben zij aangevoerd dat ter plaatse al sinds de jaren 60 van de vorige eeuw twee woningen aanwezig zijn en dat hiervoor in het vigerende bestemmingsplan ten onrechte één woonbestemming is opgenomen.

Het gemeentebestuur stelt daarbij dat het pand onmiskenbaar cultuurhistorische waarde heeft en dat de woningsplitsing bijdraagt aan het behoud van cultureel erfgoed.

2.23.2. Het college heeft in zijn verweerschrift aangegeven dat hij kan instemmen met de twee woonbestemmingen die zijn toegekend aan het bovengenoemde perceel en dat hij het beroep in zoverre gegrond acht.

Ter zitting heeft het college dit bevestigd.

2.23.3. Nu het college zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan het in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. De beroepen van [appellant sub 12] en het gemeentebestuur zijn op dit punt gegrond. Het bestreden besluit, voor zover daarbij een reactieve aanwijzing is gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Wonen" aan het perceel Kruising Heimolen/Molenbaan/Tommel, dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb.

2.23.4. Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden met betrekking tot dit onderdeel van het bestreden besluit geen bespreking meer.

2.23.5. Ter voorlichting aan partijen merkt de Afdeling het volgende op. Naar aanleiding van deze uitspraak dient het gemeentebestuur het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, voor zover dat betrekking heeft op het toekennen van de bestemming "Wonen" aan het perceel Kruising Heimolen/Molenbaan/Tommel, onverwijld met inachtneming van de daarvoor geldende voorschriften bekend te maken, waarna daartegen, gedurende de in artikel 6:7 van de Awb genoemde termijn voor het indienen van een beroepschrift, voor belanghebbenden beroep bij de Afdeling openstaat.

Het perceel Reth 8 te Baarle-Nassau

2.24. Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Bedrijf" aan het perceel Reth 8.

2.24.1. In het plan is aan het desbetreffende perceel de bestemming "Bedrijf" toegekend.

Ingevolge artikel 10, lid 10.1.1, van de planregels zijn de gronden met de bestemming "Bedrijf" onder meer bestemd voor niet-agrarische bedrijven, conform de Staat van niet-agrarische bedrijven, alsmede voor woondoeleinden in bedrijfswoningen als ondergeschikte functie.

In lid 10.1.2 is, voor zover hier van belang, bepaald dat op de gronden op verbeelding 1 aangegeven als "Bedrijf" overeenkomstig de aanduiding uitsluitend zijn toegestaan de bedrijven genoemd in de navolgende Staat van bedrijven, waarbij geldt dat de genoemde maximale oppervlakte aan bedrijfsbebouwing aangehouden dient te worden. De oppervlakte is exclusief de oppervlakte van de bedrijfswoning en de daarbij behorende vrijstaande bijgebouwen.

In die Staat van bedrijven is ten aanzien van het perceel Reth 8 vermeld: "glashandel" met een oppervlakte aan bedrijfsgebouwen van 260 m2.

2.24.2. Het college heeft aan de reactieve aanwijzing met betrekking tot bovengenoemd perceel ten grondslag gelegd dat het plan in zoverre voorziet in de nieuwvestiging van een niet-agrarisch bedrijf. Volgens het college ligt de locatie niet in een door de raad aangewezen kernrandzone. Gelet hierop acht het college het plan in zoverre in strijd met het provinciale belang.

2.24.3. [appellant sub 33], eigenaar van het perceel, stelt dat deze reactieve aanwijzing ten onrechte is gegeven. Hij heeft onder meer aangevoerd dat het college niet bevoegd is tot het geven van deze aanwijzing, omdat het college tegen dit onderdeel van het plan geen zienswijzen naar voren heeft gebracht.

2.24.3.1. De Afdeling stelt, onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen onder 2.10.3.1, vast dat het college de planregeling voor het perceel Reth 8 in zijn zienswijzen tegen het ontwerpplan niet als zodanig heeft bestreden. Het in het aanwijzingsbesluit vervatte standpunt van het college dat het plan ten onrechte voorziet in de nieuwvestiging van verschillende niet-agrarische bedrijven is evenmin te herleiden tot de zienswijzen. Voorts is het plan, wat betreft het perceel Reth 8, bij de vaststelling weliswaar gewijzigd ten opzichte van het ontwerpplan, maar deze wijziging behelst een verlaging van de maximaal toegestane oppervlakte aan bedrijfsgebouwen van 500 m2 naar 260 m2. De reactieve aanwijzing is echter niet gegeven met het oog op deze verlaging, maar heeft betrekking op de bestemmingsregeling die in het ontwerpplan voor dit perceel was opgenomen.

2.24.3.2. Uit het vorenstaande volgt dat het aanwijzingsbesluit in zoverre in strijd is met artikel 3.8, zesde lid, bezien in samenhang met het vierde lid, van de Wro. Het beroep van [appellant sub 33] is gegrond. Het bestreden besluit, voor zover daarbij een reactieve aanwijzing is gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Bedrijf" aan het perceel Reth 8, dient te worden vernietigd.

2.24.4. Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden met betrekking tot dit onderdeel van het bestreden besluit geen bespreking meer.

2.24.5. Ter voorlichting aan partijen merkt de Afdeling het volgende op. Naar aanleiding van deze uitspraak dient het gemeentebestuur het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, voor zover dat betrekking heeft op het perceel Reth 8, onverwijld met inachtneming van de daarvoor geldende voorschriften bekend te maken, waarna daartegen, gedurende de in artikel 6:7 van de Awb genoemde termijn voor het indienen van een beroepschrift, voor belanghebbenden beroep bij de Afdeling openstaat.

Het perceel Maaijkant 17 te Ulicoten

2.25. Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Wonen" aan het perceel Maaijkant 17.

2.25.1. Op de verbeelding zijn ter plaatse van het desbetreffende perceel twee bestemmingsvlakken met de bestemming "Wonen" opgenomen.

Ingevolge artikel 18, lid 18.1.1, van de planregels zijn de gronden met de bestemming "Wonen", voor zover hier van belang, bestemd voor woningen met bijbehorende voorzieningen, met de daarbij behorende bouwwerken, tuinen, erven en terreinen.

Ingevolge lid 18.2.2 mag per bestemmingsvlak maximaal één woning worden opgericht, waarbij geldt dat algehele herbouw van een burgerwoning uitsluitend mag plaatsvinden op de bestaande fundamenten.

Ingevolge lid 18.3.1 is het verboden de in het plan opgenomen gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de aan de gronden gegeven bestemming.

In lid 18.3.2, aanhef en onder k, is bepaald dat onder strijdig gebruik als bedoeld in 18.3.1 in ieder geval wordt verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor: de uitoefening van nevenactiviteiten, behoudens de nevenactiviteiten Bed and Breakfast met een oppervlakte van maximaal 150 m2 en Educatieve ruimte met een oppervlakte van maximaal 200 m2 bij het adres Maaijkant 17.

2.25.2. Het college heeft aan de reactieve aanwijzing met betrekking tot het perceel Maaijkant 17 ten grondslag gelegd dat het plan in zoverre voorziet in het hergebruik van een voormalige agrarische bedrijfslocatie ten behoeve van wonen. Bij deze vorm van hergebruik moeten overtollige stallen en andere voormalige bedrijfsgebouwen worden gesloopt, tenzij deze gebouwen een bijzondere cultuurhistorische waarde hebben. Nu ten aanzien van het desbetreffende perceel geen sprake is van de toevoeging van burgerwoningen door bouwkundige aanpassing (splitsing) van bestaande boerderijgebouwen en nu geen sloop van voormalige bedrijfsgebouwen heeft plaatsgevonden, acht het college de toevoeging van twee burgerwoningen in het buitengebied in strijd met het provinciale belang.

2.25.3. Het gemeentebestuur stelt dat deze reactieve aanwijzing ten onrechte is gegeven. Hij heeft aangevoerd dat het college niet bevoegd is tot het geven van deze aanwijzing, omdat het college tegen dit onderdeel van het plan geen zienswijzen naar voren heeft gebracht.

2.25.3.1. Dit betoog faalt. Het in het aanwijzingsbesluit vervatte standpunt van het college dat ten opzichte van het vigerende plan ten onrechte nieuwe bestemmingsvlakken voor wonen zijn toegekend, steunt naar het oordeel van de Afdeling op de door het college ingediende zienswijzen. Dat in deze zienswijzen, wat betreft dit standpunt, slechts enkele concrete locaties als voorbeeld zijn genoemd, doet daaraan niet af. Gelet hierop is het aanwijzingsbesluit in zoverre niet in strijd met artikel 3.8, zesde lid, gelezen in samenhang met het vierde lid, van de Wro.

2.25.4. Het gemeentebestuur betoogt verder dat het voormalige boerderijgebouw een pand betreft met een aantoonbare belangrijke cultuurhistorische waarde, welk pand al sinds 1830 bestaat. De eigenaar wil het pand opknappen en heeft daarom om een woonbestemming gevraagd. Analoog aan de provinciale regeling voor splitsing van een cultuurhistorisch waardevol pand is daaraan meegewerkt zodat de exploitant ook de financiële middelen krijgt om het pand weer in oude stijl op te knappen. Op deze manier wordt het cultuurhistorisch belang gediend. Op het perceel wordt een Bed and Breakfast gerealiseerd, zodat er ook sprake is van een meerwaarde voor de gemeente, omdat deze inzet op nieuwe kleinschalige recreatiemogelijkheden, aldus het gemeentebestuur.

2.25.4.1. Het provinciale beleid was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit gericht op het zoveel mogelijk tegengaan van burgerwoningen in het buitengebied. In paragraaf 4.12.1 van de Paraplunota is gesteld dat toevoeging van burgerwoningen in het buitengebied door nieuwbouw in beginsel niet is toegestaan, evenmin als toevoeging van burgerwoningen door bouwkundige aanpassing (voorheen genoemd: splitsing) van gebouwen. Toevoeging van burgerwoningen door bouwkundige aanpassing van bestaande boerderijgebouwen is echter wel toegestaan, omdat dit kan bijdragen aan het behoud van de voor het buitengebied kenmerkende boerderijgebouwen. Hierbij geldt als voorwaarde dat de bijbehorende bedrijfsgebouwen worden gesloopt, tenzij ze monumentale kwaliteiten bezitten, aldus de Paraplunota.

In de Paraplunota wordt op dit punt tevens verwezen naar de beleidsnota Buitengebied, waarin is aangegeven dat als de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing cultuurhistorische waarden bezit, gebruik voor wonen (onder voorwaarden) mogelijk is.

In artikel 11.1, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Verordening is, voor zover hier van belang, bepaald dat een bestemmingsplan dat is gelegen in agrarisch gebied regels stelt ter voorkoming van nieuwbouw van één of meer woningen dan wel van zelfstandige bewoning van bedrijfsgebouwen, recreatiewoningen en andere niet voor bewoning bestemde gebouwen.

In het derde lid, aanhef en onder b en c, is bepaald dat een bestemmingsplan in afwijking van het eerste lid kan voorzien in het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning, mits is verzekerd dat er geen splitsing in meerdere wooneenheden plaatsvindt en dat overtollige bebouwing wordt gesloopt, dan wel in de vestiging of splitsing in meerdere wooneenheden in cultuurhistorisch waardevolle bebouwing, mits deze vestiging of splitsing mede is gericht op het behoud of herstel van deze bebouwing.

2.25.4.2. Het perceel Maaijkant 17 betreft een voormalige agrarische bedrijfslocatie. Het perceel is in het vigerende bestemmingsplan "Buitengebied 1990" geheel bestemd voor "Agrarisch gebied (A)" met de aanduiding "agrarisch bouwvlak". In het vastgestelde bestemmingsplan zijn aan dit perceel twee afzonderlijke woonbestemmingen toegekend.

Het gemeentebestuur stelt zich blijkens het beroepschrift en het verhandelde ter zitting op het standpunt dat het voormalige boerderijgebouw een belangrijke cultuurhistorische waarde bezit. Ter zitting heeft het gemeentebestuur echter aangegeven dat het pand niet is aangewezen als gemeentelijk monument en dat dit pand momenteel niet wordt bewoond.

In het bestemmingsplan is aan dit pand - anders dan voor een aantal in de directe omgeving gelegen panden - niet de dubbelbestemming "Cultuurhistorisch waardevolle bebouwing" toegekend. Het plan staat dan ook niet in de weg aan de sloop en herbouw van het voormalige boerderijgebouw.

De Afdeling overweegt verder dat in het plan, behalve aan het oorspronkelijke boerderijgebouw, ook aan het naastgelegen pand een afzonderlijke woonbestemming is toegekend. Blijkens het deskundigenbericht heeft de eigenaar van dit pand aangegeven dat dit pand eind jaren 90 van de vorige eeuw is gebouwd en was bedoeld als woning ter vervanging van de oude voormalige bedrijfswoning die gesloopt zou worden. Van sloop is nadien echter afgezien, aldus de eigenaar. Ter zitting heeft het gemeentebestuur deze gang van zaken bevestigd.

Gelet op het vorenstaande heeft het college zich met juistheid op het standpunt gesteld dat het bestemmingsplan in zoverre voorziet in een toevoeging van twee burgerwoningen in het buitengebied die in strijd is met het destijds geldende provinciale beleid en die tevens in strijd is met de inmiddels vastgestelde algemene regels.

2.25.4.3. Gezien het vorenstaande heeft het college, vooruitlopend op de vaststelling van de Verordening, in redelijkheid van de noodzaak van het geven van een reactieve aanwijzing kunnen uitgaan, gelet op artikel 3.8, zesde lid, gelezen in samenhang met artikel 4.2, eerste lid, van de Wro.

2.25.5. De Afdeling begrijpt het verdere betoog van het gemeentebestuur aldus dat het college voor het perceel Maaijkant 17 een uitzondering had kunnen en moeten maken, omdat het realiseren van een Bed and Breakfast een meerwaarde voor de gemeente oplevert. Het gemeentebestuur heeft in dit verband echter geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die zouden moeten leiden tot het oordeel dat het college om deze reden had moeten afzien van het geven van een reactieve aanwijzing met betrekking tot dit perceel.

2.25.6. In hetgeen het gemeentebestuur heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat provinciale belangen het geven van deze reactieve aanwijzing met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit, wat dit onderdeel betreft, anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van het gemeentebestuur met betrekking tot dit onderdeel van het aanwijzingsbesluit is ongegrond.

Het perceel Oude Strumptsebaan 12-14 te Ulicoten

2.26. Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Wonen" aan het perceel Oude Strumptsebaan 12-14.

2.26.1. Op de verbeelding zijn ter plaatse van het desbetreffende perceel twee bestemmingsvlakken met de bestemming "Wonen" opgenomen.

Ingevolge artikel 18, lid 18.1.1, van de planregels zijn de gronden met de bestemming "Wonen", voor zover hier van belang, bestemd voor woningen met bijbehorende voorzieningen, met de daarbij behorende bouwwerken, tuinen, erven en terreinen.

Ingevolge lid 18.2.2 mag per bestemmingsvlak maximaal één woning worden opgericht, waarbij geldt dat algehele herbouw van een burgerwoning uitsluitend mag plaatsvinden op de bestaande fundamenten.

2.26.2. Het college heeft aan de reactieve aanwijzing met betrekking tot het perceel Oude Strumptsebaan 12-14 ten grondslag gelegd dat het plan in zoverre voorziet in het hergebruik van een voormalige agrarische bedrijfslocatie ten behoeve van wonen. Bij deze vorm van hergebruik moeten overtollige stallen en andere voormalige bedrijfsgebouwen worden gesloopt, tenzij deze gebouwen een bijzondere cultuurhistorische waarde hebben. Nu ten aanzien van het desbetreffende perceel geen sprake is van de toevoeging van burgerwoningen door bouwkundige aanpassing (splitsing) van bestaande boerderijgebouwen en nu geen sloop van voormalige bedrijfsgebouwen heeft plaatsgevonden, acht het college de toevoeging van twee burgerwoningen in het buitengebied in strijd met het provinciale belang.

2.26.3. [appellant sub 36] stelt dat deze reactieve aanwijzing ten onrechte is gegeven. Hij heeft aangevoerd dat het college niet bevoegd is tot het geven van deze aanwijzing, omdat het college tegen dit onderdeel van het plan geen zienswijzen naar voren heeft gebracht.

2.26.3.1. Dit betoog faalt. Het in het aanwijzingsbesluit vervatte standpunt van het college dat ten opzichte van het vigerende plan ten onrechte nieuwe bestemmingsvlakken voor wonen zijn toegekend, steunt naar het oordeel van de Afdeling op de door het college ingediende zienswijzen. Dat in deze zienswijzen, wat betreft dit standpunt, slechts enkele concrete locaties als voorbeeld zijn genoemd, doet daaraan niet af. Gelet hierop is het aanwijzingsbesluit in zoverre niet in strijd met artikel 3.8, zesde lid, gelezen in samenhang met het vierde lid, van de Wro.

2.26.4. [appellant sub 36] betoogt verder dat het gaat om een voormalig agrarisch bedrijf waar sinds 1976 twee woningen aanwezig zijn. Die woningen zijn tot stand gekomen door splitsing van een langgevelboerderij, hetgeen volgens [appellant sub 36] was toegestaan op grond van het provinciale beleid. Verder stelt hij dat er wel voormalige bedrijfsgebouwen zijn gesloopt, maar dat een machineloods en berging zijn blijven staan vanwege de uitoefening van een akkerbouwbedrijf ter plaatse. Hij stelt ten slotte dat de woningen vallen onder het overgangsrecht van het vigerende plan en dat het niet is toegestaan deze wederom onder het overgangsrecht te brengen, zodat de raad deze woningen terecht als zodanig heeft bestemd.

2.26.4.1. Het provinciale beleid was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit gericht op het zoveel mogelijk tegengaan van burgerwoningen in het buitengebied. In paragraaf 4.12.1 van de Paraplunota is gesteld dat toevoeging van burgerwoningen in het buitengebied door nieuwbouw in beginsel niet is toegestaan, evenmin als toevoeging van burgerwoningen door bouwkundige aanpassing (voorheen genoemd: splitsing) van gebouwen. Toevoeging van burgerwoningen door bouwkundige aanpassing van bestaande boerderijgebouwen is echter wel toegestaan, omdat dit kan bijdragen aan het behoud van de voor het buitengebied kenmerkende boerderijgebouwen. Hierbij geldt als voorwaarde dat de bijbehorende bedrijfsgebouwen worden gesloopt, tenzij ze monumentale kwaliteiten bezitten, aldus de Paraplunota.

In de Paraplunota wordt op dit punt tevens verwezen naar de beleidsnota Buitengebied, waarin is aangegeven dat als de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing cultuurhistorische waarden bezit, gebruik voor wonen (onder voorwaarden) mogelijk is.

In artikel 11.1, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Verordening is, voor zover hier van belang, bepaald dat een bestemmingsplan dat is gelegen in agrarisch gebied regels stelt ter voorkoming van nieuwbouw van één of meer woningen dan wel van zelfstandige bewoning van bedrijfsgebouwen, recreatiewoningen en andere niet voor bewoning bestemde gebouwen.

In het derde lid, aanhef en onder b en c, is bepaald dat een bestemmingsplan in afwijking van het eerste lid kan voorzien in het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning, mits is verzekerd dat er geen splitsing in meerdere wooneenheden plaatsvindt en dat overtollige bebouwing wordt gesloopt, dan wel in de vestiging of splitsing in meerdere wooneenheden in cultuurhistorisch waardevolle bebouwing, mits deze vestiging of splitsing mede is gericht op het behoud of herstel van deze bebouwing.

2.26.4.2. Het perceel is in het vigerende bestemmingsplan "Buitengebied 1990" geheel bestemd voor "Agrarisch gebied, landschappelijke en/of kultuurhistorische waarde en waardevolle kavelstructuur" met de aanduiding "agrarisch bouwvlak". In het vastgestelde bestemmingsplan zijn aan het perceel Oude Strumptsebaan 12-14 twee afzonderlijke woonbestemmingen toegekend. De raad is er daarbij vanuit gegaan dat het perceel een voormalige agrarische bedrijfslocatie betreft.

Uit het deskundigenbericht en uit het beroepschrift van [appellant sub 36] blijkt dat voorheen een varkensbedrijf op het perceel was gevestigd. Na de beëindiging van dat bedrijf en na het slopen van voormalige varkensstallen, heeft [appellant sub 36] ter plaatse een akker- en bosbouwbedrijf uitgeoefend.

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting kan geen duidelijkheid worden verkregen over de vraag of dat akker- en bosbouwbedrijf ter plaatse is beëindigd. Daarbij wijst de Afdeling tevens op het beroepschrift van [appellant sub 36] waarin is gesteld dat de bestemming "Agrarisch bedrijf" met twee bedrijfswoningen wellicht een meer passende bestemming zou zijn. Verder blijkt uit het deskundigenbericht en het beroepschrift van [appellant sub 36] dat op het perceel nog een loods ten behoeve van het akker- en bosbouwbedrijf aanwezig is.

De Afdeling overweegt verder dat [appellant sub 36] weliswaar stelt dat in 1976 vergunning is verleend voor de splitsing van de op het perceel aanwezige bedrijfswoning, maar dat dit - zoals ook blijkt uit het deskundigenbericht - niet is aangetoond.

Gelet op het vorenstaande heeft het college zich met juistheid op het standpunt gesteld dat het bestemmingsplan in zoverre voorziet in een toevoeging van twee burgerwoningen in het buitengebied die in strijd is met het destijds geldende provinciale beleid en die tevens in strijd is met de inmiddels vastgestelde algemene regels.

2.26.4.3. Gezien het vorenstaande heeft het college, vooruitlopend op de vaststelling van de Verordening, in redelijkheid van de noodzaak van het geven van een reactieve aanwijzing kunnen uitgaan, gelet op artikel 3.8, zesde lid, gelezen in samenhang met artikel 4.2, eerste lid, van de Wro.

2.26.5. De Afdeling begrijpt het verdere betoog van [appellant sub 36] aldus dat het college voor zijn situatie een uitzondering had kunnen en moeten maken, omdat de twee bestaande woningen op het perceel Oude Strumptsebaan 12-14 volgens hem vallen onder het overgangsrecht van het vigerende plan.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (overweging 2.6.2 van de uitspraak van 2 mei 2007 in zaak nr. 200605059/1) betekent het feit dat in een bepaalde situatie sprake zou zijn van bestaand gebruik dat in het vorige plan onder het overgangsrecht viel niet dat aanspraak bestaat op een positieve bestemming van dat bestaande gebruik. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat het college om deze reden had moeten afzien van het geven van een reactieve aanwijzing met betrekking tot het desbetreffende perceel.

2.26.6. In hetgeen [appellant sub 36] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat provinciale belangen het geven van deze reactieve aanwijzing met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit, wat dit onderdeel betreft, anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 36] is ongegrond.

Het perceel Hoogstratensebaan 35-37 te Baarle-Nassau

2.27. Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Wonen" aan het perceel Hoogstratensebaan 35-37.

2.27.1. Op de verbeelding is aan het perceel Hoogstratensebaan 35-37 de bestemming "Wonen" toegekend.

Ingevolge artikel 18, lid 18.1.1, van de planregels zijn de gronden met de bestemming "Wonen", voor zover hier van belang, bestemd voor woningen met bijbehorende voorzieningen, met de daarbij behorende bouwwerken, tuinen, erven en terreinen.

Ingevolge lid 18.2.2 mag per bestemmingsvlak maximaal één woning worden opgericht, waarbij geldt dat algehele herbouw van een burgerwoning uitsluitend mag plaatsvinden op de bestaande fundamenten.

2.27.2. Het college heeft aan de reactieve aanwijzing met betrekking tot het perceel Hoogstratensebaan 35-37 ten grondslag gelegd dat voor het perceel in het vigerende bestemmingsplan één bestemmingsvlak met een woonbestemming is opgenomen en dat in het vastgestelde plan twee bestemmingsvlakken met een woonbestemming zijn opgenomen. Volgens het college is hierbij geen sprake geweest van splitsing van karakteristieke gebouwen. Het college acht de toevoeging van een burgerwoning in het buitengebied in strijd met het provinciale belang.

2.27.3. [appellant sub 27A] en [appellant sub 27B], die wonen aan de Hoogstratensebaan 39, [appellant sub 30A] en [appellante sub 30B], die wonen aan de Hoogstratensebaan 37, en het gemeentebestuur stellen dat deze reactieve aanwijzing ten onrechte is gegeven. Zij betogen dat ter plaatse reeds vóór 1985 sprake was van twee woningen en dat hiervoor in het vigerende bestemmingsplan ten onrechte één woonbestemming is opgenomen.

2.27.4. Het beroep van [appellant sub 27A] en [appellant sub 27B] richt zich blijkens het verhandelde ter zitting tegen een reactieve aanwijzing met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Wonen" aan het perceel Hoogstratensebaan 39. Ook het beroep van het gemeentebestuur is onder meer daartegen gericht.

2.27.4.1. De Afdeling stelt echter, onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen onder 2.9.3.1, vast dat in het dictum van het bestreden aanwijzingsbesluit een reactieve aanwijzing is gegeven met betrekking tot het toekennen van een woonbestemming aan het perceel Hoogstratensebaan 35-37. Het perceel Hoogstratensebaan 39 is niet genoemd in het dictum van het bestreden besluit. Dit betekent dat geen reactieve aanwijzing is gegeven met betrekking tot de woonbestemming die in het bestemmingsplan is toegekend aan het laatstgenoemde perceel. Het feit dat dit perceel met een rode belijning is aangegeven op de bijlage bij het aanwijzingsbesluit, maakt dit niet anders, nu in het dictum niet is bepaald dat de reactieve aanwijzing met betrekking tot het perceel Hoogstratensebaan 35-37 betrekking heeft op de plandelen die op de bijlage bij het besluit met een rode belijning zijn aangegeven. Nu het aanwijzingsbesluit geen betrekking heeft op het perceel Hoogstratensebaan 39, kan het besluit voor dit perceel geen rechtsgevolg hebben. Het beroep van [appellant sub 27A] en [appellant sub 27B] is geheel en het beroep van het gemeentebestuur is in zoverre niet-ontvankelijk.

2.27.4.2. Gelet hierop behoeven de desbetreffende beroepsgronden geen bespreking.

2.27.4.3. Ter voorlichting aan partijen merkt de Afdeling het volgende op. Het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan is samen met het aanwijzingsbesluit bekendgemaakt conform het bepaalde in artikel 3.8, zesde lid, van de Wro bezien in samenhang met het bepaalde in artikel 3:42, tweede lid, van de Awb. Nu, zoals uit het voorgaande blijkt, geen reactieve aanwijzing is gegeven met betrekking tot de bestemming die in het plan is toegekend aan het perceel Hoogstratensebaan 39, moet worden vastgesteld dat het plan in zoverre reeds is bekendgemaakt. Het is echter niet uitgesloten dat belanghebbenden hebben afgezien van het instellen van beroep tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, voor zover dat betrekking heeft op het perceel Hoogstratensebaan 39, omdat zij ten onrechte in de veronderstelling verkeerden dat met betrekking tot dit onderdeel van het bestemmingsplan een reactieve aanwijzing is gegeven. Gelet hierop dient het gemeentebestuur nogmaals onverwijld, conform het bepaalde in artikel 3:44 van de Awb, mededeling te doen van dit onderdeel van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, waarna daartegen, gedurende de in artikel 6:7 van de Awb genoemde termijn voor het indienen van een beroepschrift bezien in samenhang met het bepaalde in artikel 6:11 van de Awb, voor belanghebbenden beroep bij de Afdeling openstaat.

2.27.5. Ten aanzien van het beroep van [appellant sub 30A] en [appellante sub 30B] en het gemeentebestuur tegen de reactieve aanwijzing die is gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Wonen" aan het perceel Hoogstratensebaan 35-37, overweegt de Afdeling als volgt.

Het college heeft in het verweerschrift aangegeven dat hij kan instemmen met de woonbestemming die is toegekend aan het perceel Hoogstratensebaan 35-37 en dat hij het beroep in zoverre gegrond acht. Ter zitting heeft het college dit bevestigd.

2.27.5.1. Nu het college zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan het in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het beroep van [appellant sub 30A] en [appellante sub 30B] is geheel en het beroep van het gemeentebestuur is in zoverre gegrond.

Het bestreden besluit, voor zover daarbij een reactieve aanwijzing is gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Wonen" aan het perceel Hoogstratensebaan 35-37 te Baarle-Nassau, dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb.

2.27.5.2. Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden met betrekking tot dit onderdeel van het bestreden besluit geen bespreking meer.

2.27.5.3. Ter voorlichting aan partijen merkt de Afdeling het volgende op. Naar aanleiding van deze uitspraak dient het gemeentebestuur het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, voor zover dat betrekking heeft op het perceel Hoogstratensebaan 35-37 te Baarle-Nassau, onverwijld met inachtneming van de daarvoor geldende voorschriften bekend te maken, waarna daartegen, gedurende de in artikel 6:7 van de Awb genoemde termijn voor het indienen van een beroepschrift, voor belanghebbenden beroep bij de Afdeling openstaat.

Het perceel Groot Bedaf 10 te Baarle-Nassau

2.28. Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Wonen" aan het perceel Groot Bedaf 10.

2.28.1. Op de verbeelding zijn ter plaatse van het desbetreffende perceel twee bestemmingsvlakken met de bestemming "Wonen" opgenomen.

Ingevolge artikel 18, lid 18.1.1, van de planregels zijn de gronden met de bestemming "Wonen", voor zover hier van belang, bestemd voor woningen met bijbehorende voorzieningen, met de daarbij behorende bouwwerken, tuinen, erven en terreinen.

Ingevolge lid 18.2.2 mag per bestemmingsvlak maximaal één woning worden opgericht, waarbij geldt dat algehele herbouw van een burgerwoning uitsluitend mag plaatsvinden op de bestaande fundamenten.

2.28.2. Het college heeft aan de reactieve aanwijzing met betrekking tot het perceel Groot Bedaf 10 ten grondslag gelegd dat voor het perceel in het vigerende bestemmingsplan één bestemmingsvlak met een woonbestemming is opgenomen en dat in het vastgestelde plan twee bestemmingsvlakken met een woonbestemming zijn opgenomen. Volgens het college is hierbij geen sprake geweest van splitsing van een karakteristiek gebouw. Het college acht de toevoeging van een burgerwoning in het buitengebied in strijd met het provinciale belang.

2.28.3. [appellant sub 35], die woont op het desbetreffende perceel, stelt dat deze reactieve aanwijzing ten onrechte is gegeven. Hij betoogt dat het pand reeds in 1979 is verbouwd tot twee woningen en dat hiervoor een bouwvergunning is verleend. Volgens [appellant sub 35] heeft de raad er bij de planvaststelling terecht voor gekozen om langdurig bestaande situaties, zoals zijn eigen situatie, als zodanig te bestemmen.

2.28.3.1. Het provinciale beleid was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit gericht op het zoveel mogelijk tegengaan van burgerwoningen in het buitengebied. In paragraaf 4.12.1 van de Paraplunota is gesteld dat toevoeging van burgerwoningen in het buitengebied door nieuwbouw in beginsel niet is toegestaan, evenmin als toevoeging van burgerwoningen door bouwkundige aanpassing van gebouwen.

In artikel 11.1, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Verordening is, voor zover hier van belang, bepaald dat een bestemmingsplan dat is gelegen in agrarisch gebied regels stelt ter voorkoming van nieuwbouw van één of meer woningen dan wel van zelfstandige bewoning van bedrijfsgebouwen, recreatiewoningen en andere niet voor bewoning bestemde gebouwen.

2.28.3.2. Voor het perceel Groot Bedaf 10 is in het vigerende bestemmingsplan "Buitengebied 1990" één bestemmingsvlak met een woonbestemming opgenomen. In het vastgestelde bestemmingsplan zijn twee bestemmingsvlakken met een woonbestemming opgenomen.

De raad heeft zich blijkens het verhandelde ter zitting op het standpunt gesteld dat de bestaande situatie, waarbij het gaat om één pand dat door twee gezinnen wordt bewoond, in het plan als zodanig dient te worden bestemd.

Uit het deskundigenbericht en de daarbij gevoegde bijlagen blijkt dat het gemeentebestuur bij brief van 20 juni 1979 toestemming heeft verleend voor de verbouwing van het pand ten behoeve van een dubbele woonsituatie - teneinde [appellant sub 35] in staat te stellen om zijn schoonouders te verzorgen - onder de voorwaarde dat er geen twee afzonderlijke woningen gaan ontstaan. Bij brief van 24 juli 2007 heeft het gemeentebestuur een persoonsgebonden toestemming verleend voor de voortzetting van de dubbele woonsituatie, waarbij de zoon van [appellant sub 35] met zijn gezin de tweede woning bewoont. Daarbij is de voorwaarde gesteld dat geen sprake zal kunnen zijn van twee zelfstandige woningen.

Gelet op het vorenstaande heeft het college zich met juistheid op het standpunt gesteld dat het bestemmingsplan in zoverre voorziet in de toevoeging van een tweede afzonderlijke burgerwoning in het buitengebied die in strijd is met het destijds geldende provinciale beleid en die tevens in strijd is met de inmiddels vastgestelde algemene regels.

2.28.3.3. Gezien het vorenstaande heeft het college, vooruitlopend op de vaststelling van de Verordening, in redelijkheid van de noodzaak van het geven van een reactieve aanwijzing kunnen uitgaan, gelet op artikel 3.8, zesde lid, gelezen in samenhang met artikel 4.2, eerste lid, van de Wro.

2.28.4. De Afdeling begrijpt het verdere betoog van [appellant sub 35] aldus dat het college voor zijn situatie een uitzondering had kunnen en moeten maken, omdat de twee bestaande woningen op het perceel Groot Bedaf 10 volgens hem vallen onder het overgangsrecht van het vigerende plan.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (overweging 2.6.2 van de uitspraak van 2 mei 2007 in zaak nr. 200605059/1) betekent het feit dat in een bepaalde situatie sprake zou zijn van bestaand gebruik dat in het vorige plan onder het overgangsrecht viel niet dat aanspraak bestaat op een positieve bestemming van dat bestaande gebruik. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat het college om deze reden had moeten afzien van het geven van een reactieve aanwijzing met betrekking tot het desbetreffende perceel.

2.28.5. In hetgeen [appellant sub 35] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat provinciale belangen het geven van deze reactieve aanwijzing met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit, wat dit onderdeel betreft, anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 35] is ongegrond.

Het perceel "Tussen Oude Bredasebaan, Fransebaan (ten noorden van Goordonk)" te Ulicoten

2.29. Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Wonen" aan het perceel "Tussen Oude Bredasebaan, Fransebaan (ten noorden van Goordonk)", plaatselijk bekend als de percelen Fransebaan 2, 2a en 4.

2.29.1. Op de verbeelding zijn ter plaatse van de percelen Fransebaan 2, 2a en 4 drie bestemmingsvlakken met de bestemming "Wonen" opgenomen.

Ingevolge artikel 18, lid 18.1.1, van de planregels zijn de gronden met de bestemming "Wonen", voor zover hier van belang, bestemd voor woningen met bijbehorende voorzieningen, met de daarbij behorende bouwwerken, tuinen, erven en terreinen.

Ingevolge lid 18.2.2 mag per bestemmingsvlak maximaal één woning worden opgericht, waarbij geldt dat algehele herbouw van een burgerwoning uitsluitend mag plaatsvinden op de bestaande fundamenten.

2.29.2. Het college heeft aan de reactieve aanwijzing met betrekking tot de bovengenoemde percelen ten grondslag gelegd dat in het vigerende bestemmingsplan ter plaatse één bestemmingsvlak met een woonbestemming is opgenomen en dat in het vastgestelde plan drie afzonderlijke bestemmingsvlakken met een woonbestemming zijn opgenomen. Volgens het college is hierbij geen sprake geweest van de splitsing van karakteristieke gebouwen. Het college acht de toevoeging van burgerwoningen in het buitengebied in strijd met het provinciale belang.

2.29.3. Bij besluit van 26 januari 2010 heeft het college onder meer de reactieve aanwijzing met betrekking tot de percelen Fransebaan 2 en 2a ingetrokken. De reactieve aanwijzing met betrekking tot het perceel Fransebaan 4 is niet ingetrokken.

2.29.4. [appellant sub 32], eigenaar van het perceel Fransebaan 4, en het gemeentebestuur stellen dat de reactieve aanwijzing met betrekking tot het perceel Fransebaan 4 ten onrechte is gegeven. [appellant sub 32] en het gemeentebestuur hebben aangevoerd dat het college niet bevoegd is tot het geven van deze aanwijzing, omdat het college tegen dit onderdeel van het plan geen zienswijzen naar voren heeft gebracht.

2.29.4.1. Dit betoog faalt. Het in het aanwijzingsbesluit vervatte standpunt van het college dat ten opzichte van het vigerende plan ten onrechte nieuwe bestemmingsvlakken voor wonen zijn toegekend, steunt naar het oordeel van de Afdeling op de door het college ingediende zienswijzen. Dat in deze zienswijzen, wat betreft dit standpunt, slechts enkele concrete locaties als voorbeeld zijn genoemd, doet daaraan niet af. Gelet hierop is het aanwijzingsbesluit in zoverre niet in strijd met artikel 3.8, zesde lid, gelezen in samenhang met het vierde lid, van de Wro.

2.29.5. [appellant sub 32] heeft aangevoerd dat het gemeentebestuur bij brief van 6 augustus 1992 toestemming heeft verleend om het pand Fransebaan 4 permanent als woning te gebruiken, omdat dit permanente woongebruik al plaatsvond vóór de inwerkingtreding van het vigerende bestemmingsplan.

Nu handhavend optreden in deze situatie niet mogelijk is, heeft de raad er volgens [appellant sub 32] bij de planvaststelling terecht voor gekozen om de bestaande situatie als zodanig te bestemmen.

Het gemeentebestuur heeft aangevoerd dat het pand op het perceel Fransebaan 4 reeds sinds 1992 wordt bewoond.

2.29.5.1. Het provinciale beleid was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit gericht op het zoveel mogelijk tegengaan van burgerwoningen in het buitengebied. In paragraaf 4.12.1 van de Paraplunota is gesteld dat toevoeging van burgerwoningen in het buitengebied door nieuwbouw in beginsel niet is toegestaan, evenmin als toevoeging van burgerwoningen door bouwkundige aanpassing van gebouwen.

In artikel 11.1, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Verordening is, voor zover hier van belang, bepaald dat een bestemmingsplan dat is gelegen in agrarisch gebied regels stelt ter voorkoming van nieuwbouw van één of meer woningen dan wel van zelfstandige bewoning van bedrijfsgebouwen, recreatiewoningen en andere niet voor bewoning bestemde gebouwen.

2.29.5.2. Niet in geschil is dat de woning op het perceel Fransebaan 4 in het vigerende bestemmingsplan "Buitengebied 1990" niet als zodanig is bestemd.

In het vastgestelde bestemmingsplan is aan het perceel Fransebaan 4 een afzonderlijke woonbestemming toegekend. Blijkens het verhandelde ter zitting heeft de raad zich bij de planvaststelling op het standpunt gesteld dat de bestaande situatie, waarbij sprake is van een woning die vanaf 1992 permanent wordt bewoond, in het plan als zodanig dient te worden bestemd.

Gelet op het vorenstaande heeft het college zich met juistheid op het standpunt gesteld dat het bestemmingsplan in zoverre voorziet in de toevoeging van een burgerwoning in het buitengebied die in strijd is met het destijds geldende provinciale beleid en die tevens in strijd is met de inmiddels vastgestelde algemene regels.

2.29.5.3. Gezien het vorenstaande heeft het college, vooruitlopend op de vaststelling van de Verordening, in redelijkheid van de noodzaak van het geven van een reactieve aanwijzing kunnen uitgaan, gelet op artikel 3.8, zesde lid, gelezen in samenhang met artikel 4.2, eerste lid, van de Wro.

2.29.6. De Afdeling begrijpt het verdere betoog van [appellant sub 32] en het gemeentebestuur aldus dat het college voor de situatie op het perceel Fransebaan 4 een uitzondering had kunnen en moeten maken, omdat het gaat om een bestaande woning die permanent wordt bewoond, waartegen niet meer handhavend wordt opgetreden.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (overweging 2.11.7 van de uitspraak van 15 april 2011 in zaak nr. 200902874/1/R3) betekent het feit dat sprake zou zijn van een bestaande situatie waartegen niet handhavend is opgetreden en ten aanzien waarvan niet het voornemen bestaat om handhavend op te treden niet dat dit bestaande gebruik in een nieuw bestemmingsplan zonder meer als zodanig dient te worden bestemd. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat het college om deze reden had moeten afzien van het geven van een reactieve aanwijzing met betrekking tot het desbetreffende perceel.

Hetgeen [appellant sub 32] overigens heeft aangevoerd, leidt evenmin tot het oordeel dat het college had moeten afzien van het geven van een reactieve aanwijzing met betrekking tot zijn perceel.

2.29.7. In hetgeen [appellant sub 32] en het gemeentebestuur hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat provinciale belangen het geven van deze reactieve aanwijzing met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit, wat dit onderdeel betreft, anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 32] is geheel en het beroep van het gemeentebestuur is in zoverre ongegrond.

Het perceel Schootsenhoek 37 te Castelre

2.30. Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Wonen" aan het perceel Schootsenhoek 37.

2.30.1. In het plan is aan het desbetreffende perceel de bestemming "Wonen" toegekend.

Ingevolge artikel 18, lid 18.1.1, van de planregels zijn de gronden met de bestemming "Wonen", voor zover hier van belang, bestemd voor woningen met bijbehorende voorzieningen, met de daarbij behorende bouwwerken, tuinen, erven en terreinen.

Ingevolge lid 18.2.2 mag per bestemmingsvlak maximaal één woning worden opgericht, waarbij geldt dat algehele herbouw van een burgerwoning uitsluitend mag plaatsvinden op de bestaande fundamenten.

2.30.2. Het college heeft aan de reactieve aanwijzing met betrekking tot het bovengenoemde perceel ten grondslag gelegd dat het perceel in het vigerende bestemmingsplan is bestemd als recreatiewoning. Nu de woning niet is gelegen in een woonwijk of op een bedrijventerrein, acht het college de omzetting van een recreatiewoning in een burgerwoning in het buitengebied in strijd met het provinciale belang.

2.30.3. [appellant sub 24], eigenaresse van het perceel Schootsenhoek 37, stelt dat deze reactieve aanwijzing ten onrechte is gegeven. Zij betoogt dat op het perceel in het verleden twee aaneengesloten arbeiderswoningen hebben gestaan en dat het pand in 1974 met bouwvergunning is verbouwd tot één woning. Volgens [appellant sub 24] is bij de vaststelling van het vigerende bestemmingsplan een fout gemaakt door de burgerwoning te bestemmen als recreatiewoning. Zij wijst in dit verband op een brief van het gemeentebestuur van 30 juni 2004. Ook bij de taxatie van de woning en bij de vaststelling van de WOZ-waarde is er altijd van uitgegaan dat het een burgerwoning betreft. Volgens [appellant sub 24] heeft het college hiermee ten onrechte geen rekening gehouden bij het nemen van zijn besluit. Daarbij stelt zij tevens dat Castelre een enclave zonder dorpskern betreft, waar burgerwoningen op grote afstand van elkaar liggen. Gelet hierop kan naar haar mening niet worden voldaan aan de door het college gestelde voorwaarde van ligging in een woonwijk.

2.30.3.1. Het provinciale beleid was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit gericht op het zoveel mogelijk tegengaan van burgerwoningen in het buitengebied. In paragraaf 4.12.1 van de Paraplunota is gesteld dat toevoeging van burgerwoningen in het buitengebied door nieuwbouw in beginsel niet is toegestaan, evenmin als toevoeging van burgerwoningen door bouwkundige aanpassing van gebouwen.

In paragraaf 4.10.3 van de Paraplunota is voorts gesteld dat voorkomen moet worden dat recreatiewoningen permanent worden bewoond. Aan de omzetting van een recreatiewoning in een burger- of bedrijfswoning wordt alleen meegewerkt als deze in een woonwijk of een bedrijventerrein is of wordt opgenomen, aldus de Paraplunota.

In artikel 11.1, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Verordening is, voor zover hier van belang, bepaald dat een bestemmingsplan dat is gelegen in agrarisch gebied regels stelt ter voorkoming van nieuwbouw van één of meer woningen dan wel van zelfstandige bewoning van bedrijfsgebouwen, recreatiewoningen en andere niet voor bewoning bestemde gebouwen.

2.30.3.2. In het vastgestelde bestemmingsplan is aan het perceel Schootsenhoek 37 een woonbestemming toegekend. Blijkens het verhandelde ter zitting heeft de raad zich bij de planvaststelling op het standpunt gesteld dat de bestaande situatie, waarbij sprake is van een woning die vanaf 2000 permanent wordt bewoond, in het plan als zodanig dient te worden bestemd. De raad heeft daarbij betekenis toegekend aan het feit dat bij brief van 30 juni 2004 aan [appellant sub 24] is bericht dat aan het perceel een woonbestemming kan worden toegekend. Ook heeft de raad, zo is ter zitting gebleken, bij de planvaststelling betekenis toegekend aan het feit dat in 1974 bouwvergunning is verleend voor de herbouw van de woning nadat deze was afgebrand.

Tussen partijen is echter niet in geschil dat voor het desbetreffende perceel in het vigerende bestemmingsplan "Buitengebied 1990" de bestemming recreatiewoning is opgenomen. Het gemeentebestuur heeft ter zitting onweersproken gesteld dat de woning in de periode tussen 1974 en 2000 niet permanent was bewoond, maar als recreatiewoning in gebruik is geweest.

Gelet op het vorenstaande heeft het college zich met juistheid op het standpunt gesteld dat het bestemmingsplan in zoverre voorziet in de toevoeging van een burgerwoning in het buitengebied die in strijd is met het destijds geldende provinciale beleid en die tevens in strijd is met de inmiddels vastgestelde algemene regels.

2.30.3.3. Gezien het vorenstaande heeft het college, vooruitlopend op de vaststelling van de Verordening, in redelijkheid van de noodzaak van het geven van een reactieve aanwijzing kunnen uitgaan, gelet op artikel 3.8, zesde lid, gelezen in samenhang met artikel 4.2, eerste lid, van de Wro.

2.30.4. De Afdeling begrijpt het verdere betoog van [appellant sub 24] aldus dat het college voor haar situatie een uitzondering had kunnen en moeten maken omdat Castelre een enclave zonder dorpskern betreft, waar burgerwoningen op grote afstand van elkaar liggen, zodat niet kan worden voldaan aan de door het college gestelde voorwaarde van ligging in een woonwijk.

[appellant sub 24] heeft in dit verband echter geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die zouden moeten leiden tot het oordeel dat het college in zoverre niet aan zijn beleid heeft kunnen vasthouden en om deze reden had moeten afzien van het geven van een reactieve aanwijzing met betrekking tot het desbetreffende perceel.

2.30.4.1. Voor zover [appellant sub 24] stelt dat het college op grond van het vertrouwensbeginsel een uitzondering had kunnen en moeten maken voor haar concrete situatie omdat haar van gemeentewege is toegezegd dat het feitelijke gebruik van het perceel als zodanig zou worden bestemd, overweegt de Afdeling dat thans een besluit van het college aan de orde is en dat het college, behoudens zeer bijzondere omstandigheden, die hier niet aan de orde zijn, niet is gebonden aan een toezegging van gemeentewege in het kader van de totstandkoming van een bestemmingsplan.

Hetgeen [appellant sub 24] overigens heeft aangevoerd, leidt evenmin tot het oordeel dat het college had moeten afzien van het geven van een reactieve aanwijzing met betrekking tot haar perceel.

2.30.5. In hetgeen [appellant sub 24] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat provinciale belangen het geven van deze reactieve aanwijzing met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit, wat dit onderdeel betreft, anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 24] is ongegrond.

Percelen op Parc de Kievit te Baarle-Nassau

2.31. Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Wonen" aan de woningen op de percelen Kievit 10, 12 en 14.

2.31.1. In het plan is aan de desbetreffende percelen de bestemming "Wonen" toegekend.

Ingevolge artikel 18, lid 18.1.1, van de planregels zijn de gronden met de bestemming "Wonen", voor zover hier van belang, bestemd voor woningen met bijbehorende voorzieningen, met de daarbij behorende bouwwerken, tuinen, erven en terreinen.

Ingevolge lid 18.2.2 mag per bestemmingsvlak maximaal één woning worden opgericht, waarbij geldt dat algehele herbouw van een burgerwoning uitsluitend mag plaatsvinden op de bestaande fundamenten.

2.31.2. Het college heeft aan de reactieve aanwijzing met betrekking tot de woningen op de percelen Kievit 10, 12 en 14 ten grondslag gelegd dat de drie bestaande bedrijfswoningen in het plan als burgerwoningen zijn bestemd. Volgens het college heeft de raad niet inzichtelijk gemaakt waarom de woningen als zodanig bestemd moeten worden. Het college acht de omzetting van bedrijfswoningen naar burgerwoningen in het buitengebied in strijd met het provinciale belang.

2.31.3. Certitudo en anderen, exploitanten van Bungalowpark De Kievit dan wel bewoners van de percelen Kievit 10, 12 en 14, stellen dat deze reactieve aanwijzing ten onrechte is gegeven. Zij hebben aangevoerd dat het college niet bevoegd is tot het geven van deze aanwijzing, omdat het college tegen dit onderdeel van het plan geen zienswijzen naar voren heeft gebracht.

2.31.3.1. Dit betoog faalt. Het in het aanwijzingsbesluit vervatte standpunt van het college dat ten opzichte van het vigerende plan ten onrechte nieuwe bestemmingsvlakken voor wonen zijn toegekend, steunt naar het oordeel van de Afdeling op de door het college ingediende zienswijzen. Dat in deze zienswijzen, wat betreft dit standpunt, slechts enkele concrete locaties als voorbeeld zijn genoemd, doet daaraan niet af. Gelet hierop is het aanwijzingsbesluit in zoverre niet in strijd met artikel 3.8, zesde lid, gelezen in samenhang met het vierde lid, van de Wro.

2.31.4. Certitudo en anderen stellen verder dat een permanente aanwezigheid van medewerkers in bedrijfswoningen, gezien de huidige wijze van exploiteren van het recreatiepark, niet meer noodzakelijk is. Indien de woningen een bestemming als bedrijfswoning behouden, zullen ze onverkoopbaar zijn. Bovendien maakt het volgens Certitudo en anderen geen verschil of een woning permanent wordt bewoond door een medewerker van het park of door een burger. Gelet hierop en gezien het provinciale beleid ter zake, heeft de raad er volgens Certitudo en anderen bij de planvaststelling terecht voor gekozen om de bestaande situatie als zodanig te bestemmen.

2.31.4.1. Het provinciale beleid was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit gericht op het zoveel mogelijk tegengaan van burgerwoningen in het buitengebied. In paragraaf 4.12.1 van de Paraplunota is gesteld dat toevoeging van burgerwoningen in het buitengebied door nieuwbouw in beginsel niet is toegestaan, evenmin als toevoeging van burgerwoningen door bouwkundige aanpassing van gebouwen. Onder bepaalde voorwaarden is de omzetting van een bedrijfswoning naar een burgerwoning wel toegestaan, indien sprake is van een voormalige agrarische bedrijfslocatie. In paragraaf 4.11 staat hierover dat, buiten de locaties waarvan de agrarische bestemming kan worden gehandhaafd voor de opvang van te verplaatsen agrarische bedrijven, hergebruik van voormalige agrarische bedrijfswoningen voor burgerbewoning aanvaardbaar is. Bij deze vorm van hergebruik moeten overtollige stallen en andere voormalige bedrijfsgebouwen gesloopt worden, tenzij deze gebouwen een bijzondere cultuurhistorische waarde hebben.

In artikel 11.1, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Verordening is, voor zover hier van belang, bepaald dat een bestemmingsplan dat is gelegen in agrarisch gebied regels stelt ter voorkoming van nieuwbouw van één of meer woningen dan wel van zelfstandige bewoning van bedrijfsgebouwen, recreatiewoningen en andere niet voor bewoning bestemde gebouwen.

In het derde lid, aanhef en onder b en c, is bepaald dat een bestemmingsplan in afwijking van het eerste lid kan voorzien in het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning, mits is verzekerd dat er geen splitsing in meerdere wooneenheden plaatsvindt en dat overtollige bebouwing wordt gesloopt, dan wel in de vestiging of splitsing in meerdere wooneenheden in cultuurhistorisch waardevolle bebouwing, mits deze vestiging of splitsing mede is gericht op het behoud of herstel van deze bebouwing.

2.31.4.2. De woningen op de percelen Kievit 10, 12 en 14 zijn in het vigerende bestemmingsplan "De Kievit" bestemd als dienstgebouwen.

Ingevolge artikel 6, lid A, van de voorschriften van dat plan mogen op de desbetreffende gronden - onder de in het artikellid gestelde voorwaarden - onder meer dienstwoningen worden gebouwd.

In het vastgestelde bestemmingsplan zijn voor deze woningen drie afzonderlijke bestemmingsvlakken met een woonbestemming opgenomen.

De desbetreffende woningen zijn niet aan te merken als voormalige agrarische bedrijfswoningen als bedoeld in de Paraplunota. De woningen liggen immers op het terrein van een recreatiepark waar recreatiewoningen staan. Certitudo en anderen hebben evenmin aannemelijk gemaakt dat het gaat om cultuurhistorisch waardevolle bebouwing.

Gelet op het vorenstaande heeft het college zich met juistheid op het standpunt gesteld dat het bestemmingsplan in zoverre voorziet in de toevoeging van burgerwoningen in het buitengebied die in strijd is met het destijds geldende provinciale beleid en die tevens in strijd is met de inmiddels vastgestelde algemene regels. Daarbij heeft het college mede van belang kunnen achten dat het niet onaannemelijk is dat de aanwezigheid van bedrijfswoningen in de toekomst weer noodzakelijk zal zijn voor de bedrijfsvoering van het recreatiepark.

2.31.4.3. Gezien het vorenstaande heeft het college, vooruitlopend op de vaststelling van de Verordening, in redelijkheid van de noodzaak van het geven van een reactieve aanwijzing kunnen uitgaan, gelet op artikel 3.8, zesde lid, gelezen in samenhang met artikel 4.2, eerste lid, van de Wro.

2.31.5. De Afdeling begrijpt het verdere betoog van Certitudo en anderen aldus dat het college voor de woningen op de percelen Kievit 10, 12 en 14 een uitzondering had kunnen en moeten maken, omdat deze woningen onverkoopbaar zullen zijn indien ze een bestemming als bedrijfswoning behouden.

Certitudo en anderen hebben in dit verband echter geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die zouden moeten leiden tot het oordeel dat het college in zoverre niet aan zijn beleid heeft kunnen vasthouden en om deze reden had moeten afzien van het geven van een reactieve aanwijzing met betrekking tot de desbetreffende percelen.

2.31.6. In hetgeen Certitudo en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat provinciale belangen het geven van deze reactieve aanwijzing met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit, wat dit onderdeel betreft, anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van Certitudo en anderen is in zoverre ongegrond.

2.32. Bij het bestreden besluit heeft het college tevens een reactieve aanwijzing aan de raad gegeven met betrekking tot de uitbreiding van het Parc de Kievit met zorgappartementen.

2.32.1. Certitudo en anderen stellen dat deze reactieve aanwijzing ten onrechte is gegeven.

2.32.2. Bij besluit van 26 januari 2010 heeft het college onder meer de reactieve aanwijzing met betrekking tot de uitbreiding van het Parc de Kievit met zorgappartementen ingetrokken.

Hiermee wordt aan het beroep van Certitudo en anderen tegemoetgekomen. Voorts is niet is gebleken dat Certitudo en anderen overigens nog belang hebben bij de beoordeling van dit onderdeel van hun beroep.

2.32.3. Het beroep van Certitudo en anderen is in zoverre niet-ontvankelijk.

Het perceel Boschoven 11 te Baarle-Nassau

2.33. Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Wonen" aan het perceel Boschoven 11.

2.33.1. In het plan is aan het desbetreffende perceel de bestemming "Wonen" toegekend.

Ingevolge artikel 18, lid 18.1.1, van de planregels zijn de gronden met de bestemming "Wonen", voor zover hier van belang, bestemd voor woningen met bijbehorende voorzieningen, met de daarbij behorende bouwwerken, tuinen, erven en terreinen.

Ingevolge lid 18.2.2 mag per bestemmingsvlak maximaal één woning worden opgericht, waarbij geldt dat algehele herbouw van een burgerwoning uitsluitend mag plaatsvinden op de bestaande fundamenten.

2.33.2. Het college heeft aan de reactieve aanwijzing met betrekking tot bovengenoemd perceel ten grondslag gelegd dat het plan bij de vaststelling is gewijzigd ten opzichte van het ontwerpplan, in die zin dat het bestemmingsvlak met een woonbestemming voor dit perceel is vergroot. Het college acht dit niet wenselijk, aangezien het perceel is gelegen in de AHS-landschap, subzone RNLE-landschapsdeel. Volgens het college kan het opnemen van een dusdanig groot bestemmingsvlak ten koste gaan van de landschappelijke waarden van het gebied. Daartoe stelt het college dat de bestemmingsregeling niet voorziet in een aanlegvergunningstelsel en dat de aanwezige natuur- en landschapswaarden niet zijn beschermd. Het college acht het plan in zoverre dan ook in strijd met het provinciale belang.

2.33.3. [appellant sub 5], eigenaar van het desbetreffende perceel, en het gemeentebestuur stellen dat deze reactieve aanwijzing ten onrechte is gegeven. Het gemeentebestuur heeft onder meer aangevoerd dat het college niet bevoegd is tot het geven van deze aanwijzing, omdat het college tegen dit onderdeel van het plan geen zienswijzen naar voren heeft gebracht. [appellant sub 5] stelt dat het college heeft ingestemd met de woonbestemming zoals die in het ontwerpplan voor het perceel was opgenomen.

2.33.3.1. De Afdeling stelt vast dat het bestemmingsplan op dit punt gewijzigd is vastgesteld ten opzichte van het ontwerpplan, in die zin dat het bestemmingsvlak met een woonbestemming voor dit perceel is vergroot.

De reactieve aanwijzing heeft betrekking op deze vergroting. Gelet hierop is het aanwijzingsbesluit in zoverre niet in strijd met artikel 3.8, zesde lid, gelezen in samenhang met het vierde lid, van de Wro.

Nu een reactieve aanwijzing is gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Wonen" aan het gehele perceel Boschoven 11, heeft het aanwijzingsbesluit echter tevens betrekking op het deel van het perceel waaraan in het ontwerpplan reeds een woonbestemming was toegekend. Het college heeft deze woonbestemming in zijn zienswijzen tegen het ontwerpplan niet als zodanig bestreden. Het in het aanwijzingsbesluit vervatte standpunt van het college dat het bestemmingsvlak met een woonbestemming te groot is, is evenmin te herleiden tot de zienswijzen.

2.33.3.2. Uit het vorenstaande volgt dat het aanwijzingsbesluit, voor zover dat betrekking heeft op het deel van het perceel Boschoven 11 waaraan in het ontwerpplan reeds de bestemming "Wonen" was toegekend, in strijd is met artikel 3.8, zesde lid, bezien in samenhang met het vierde lid, van de Wro. De beroepen van [appellant sub 5] en het gemeentebestuur zijn in zoverre gegrond. Het bestreden besluit, voor zover daarbij een reactieve aanwijzing is gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Wonen" aan het perceel Boschoven 11, voor zover deze aanwijzing betrekking heeft op het deel van het perceel waaraan in het ontwerpplan reeds de bestemming "Wonen" was toegekend, dient te worden vernietigd.

2.33.4. [appellant sub 5] en het gemeentebestuur betogen verder dat de provincie in het kader van de Verordening heeft aangegeven dat de EHS-status voor kleine bospercelen komt te vervallen. Gelet hierop stellen zij dat, zeker voor een perceel zoals Boschoven 11, dat al geen EHS-status had, geen provinciaal belang in het geding is.

2.33.5. Het provinciale beleid was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit gericht op de bescherming van regionale natuur- en landschapseenheden (RNLE’n). In paragraaf 4.3.9 van de Paraplunota is gesteld dat onder RNLE-landschapsdeel ten eerste landbouwgronden vallen die op zichzelf genomen geen bijzondere (potentiële) natuurwaarden bezitten, maar tot een regionale natuur- en landschapseenheid worden gerekend vanwege hun ligging ten opzichte van belangrijke bos- en natuurgebieden. Ten tweede bevat deze subzone landbouwgronden met bijzondere natuurwaarden binnen een RNLE. In het RNLE-landschapsdeel gaat het erom dat de ontwikkeling van natuur en landschap in de regionale eenheid als geheel wordt ondersteund. In paragraaf 4.5.1 van de Paraplunota is gesteld dat in de regionale natuur- en landschapseenheden het ‘nee-principe’ geldt. Uitbreiding van het stedelijk ruimtebeslag is hier uitgesloten, afgezien van de aanleg en de (fysieke) aanpassing van niet-recreatieve infrastructuur, waarvoor het ‘nee, tenzij-principe’ geldt. Beperkte afrondingen van stads- of dorpsranden, die tot een duidelijke verbetering van de stedenbouwkundige en landschappelijke kwaliteit leiden, zijn toegestaan in de AHS-landschap, subzone RNLE-landschapsdeel, aldus de Paraplunota.

In artikel 2.1, eerste lid, van de Verordening is, voor zover hier van belang, bepaald dat een bestemmingsplan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied bijdraagt aan de zorg voor het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het daarbij betrokken gebied en de naaste omgeving, in het bijzonder aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik.

In het tweede lid, aanhef en onder b, is bepaald dat het principe van zorgvuldig ruimtegebruik, bedoeld in het eerste lid, in ieder geval inhoudt dat uitbreiding van het op grond van het geldende bestemmingsplan toegestane ruimtebeslag slechts is toegestaan mits de financiële, juridische of feitelijke mogelijkheden ontbreken om de beoogde ruimtelijke ontwikkeling binnen dat toegestane ruimtebeslag te doen plaatsvinden.

Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, van de Verordening zijn als groenblauwe mantel aangewezen de als zodanig aangeduide gebieden waarvan de geometrische plaatsbepaling en de begrenzing met een nauwkeurigheid van 50 meter zijn vastgelegd.

In artikel 6.3, eerste lid van de Verordening staat dat een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel:

a. strekt tot behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van de onderscheidene gebieden;

b. regels stelt ter bescherming van de ecologische, landschappelijke en hydrologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden.

In de artikelsgewijze toelichting bij de Verordening staat bij artikel 6.1 dat bij het bepalen van de begrenzing van de groenblauwe mantel onder meer als grens een op een zijn overgenomen de regionale natuur- en landschapseenheden (RNLE), zoals al eerder concreet begrensd in de reconstructieplannen.

2.33.5.1. Niet in geschil is dat het perceel Boschoven 11 ligt in de AHS-landschap, subzone RNLE-landschapsdeel, als bedoeld in de Paraplunota. Blijkens het deskundigenbericht en het verhandelde ter zitting bedraagt de oppervlakte van dit perceel ongeveer 6.000 m2.

De gronden rond de woning van [appellant sub 5] zijn blijkens het deskundigenbericht en het verhandelde ter zitting in gebruik als tuin. Aan een groot deel van deze gronden was in het ontwerpplan de bestemming "Natuur- en bosgebied (N)" toegekend. De desbetreffende gronden zijn in het vigerende bestemmingsplan "Buitengebied 1990" grotendeels bestemd als "Agrarisch gebied, landschappelijke en/of kultuurhistorische waarde".

In het vastgestelde bestemmingsplan is voor het gehele perceel Boschoven 11 één bestemmingsvlak met een woonbestemming opgenomen.

Het vastgestelde bestemmingsplan biedt de mogelijkheid om op dit hele perceel bouwwerken, geen gebouwen zijnde, op te richten en om op dit perceel paden, wegen en parkeervoorzieningen aan te leggen.

Blijkens het verhandelde ter zitting heeft de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan aansluiting gezocht bij het bestaande gebruik van het perceel en heeft hij daarbij als uitgangspunt gehanteerd dat het onwenselijk is om twee verschillende bestemmingen op te nemen voor het desbetreffende perceel. De Afdeling is niet gebleken dat de raad aan het opnemen van een woonbestemming voor het gehele perceel een nadere planologische afweging ten grondslag heeft gelegd. Voorts is niet aannemelijk gemaakt dat het perceel niet langer is begrensd als AHS-landschap, subzone RNLE-landschapsdeel, of dat op korte termijn een herbegrenzing is te verwachten

Gelet op het vorenstaande heeft het college zich met juistheid op het standpunt gesteld dat het bestemmingsplan in zoverre voorziet in een verstening van het buitengebied die in strijd is met het destijds geldende provinciale beleid en die tevens in strijd is met de inmiddels vastgestelde algemene regels.

2.33.5.2. Gezien het vorenstaande heeft het college, vooruitlopend op de vaststelling van de Verordening, in redelijkheid van de noodzaak van het geven van een reactieve aanwijzing kunnen uitgaan, gelet op artikel 3.8, zesde lid, gelezen in samenhang met artikel 4.2, eerste lid, van de Wro.

2.33.6. In hetgeen [appellant sub 5] en het gemeentebestuur hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat provinciale belangen het geven van deze reactieve aanwijzing met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit, wat dit onderdeel betreft, anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

De beroepen van [appellant sub 5] en het gemeentebestuur zijn in zoverre ongegrond.

Het perceel Oude Bredasebaan 29 te Ulicoten

2.34. Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Wonen" aan het perceel Oude Bredasebaan 29.

2.34.1. In het plan is aan het desbetreffende perceel de bestemming "Wonen" toegekend.

Ingevolge artikel 18, lid 18.1.1, van de planregels zijn de gronden met de bestemming "Wonen", voor zover hier van belang, bestemd voor woningen met bijbehorende voorzieningen, met de daarbij behorende bouwwerken, tuinen, erven en terreinen.

Ingevolge lid 18.2.2 mag per bestemmingsvlak maximaal één woning worden opgericht, waarbij geldt dat algehele herbouw van een burgerwoning uitsluitend mag plaatsvinden op de bestaande fundamenten.

2.34.2. Het college heeft aan de reactieve aanwijzing met betrekking tot bovengenoemd perceel ten grondslag gelegd dat het plan voorziet in een nieuwe woonbestemming. De raad heeft daarbij weliswaar gesteld dat "de woning is ingeleverd voor een andere woning op het recreatiepark Ponderosa, zodat dit per saldo geen verschil maakt", maar volgens het college is niet duidelijk of daarbij sloop van de in het vigerende plan opgenomen burgerwoning heeft plaatsgevonden. Het college acht de toevoeging van een burgerwoning in het buitengebied in strijd met het provinciale belang.

2.34.3. [appellanten sub 7], eigenaren van het desbetreffende perceel en tevens exploitanten van Camping Ponderosa, en het gemeentebestuur stellen dat deze reactieve aanwijzing ten onrechte is gegeven. Zij hebben aangevoerd dat het college niet bevoegd is tot het geven van deze aanwijzing, omdat het college tegen dit onderdeel van het plan geen zienswijzen naar voren heeft gebracht.

2.34.3.1. Dit betoog faalt. Het in het aanwijzingsbesluit vervatte standpunt van het college dat ten opzichte van het vigerende plan ten onrechte nieuwe bestemmingsvlakken voor wonen zijn toegekend, steunt naar het oordeel van de Afdeling op de door het college ingediende zienswijzen. Dat in deze zienswijzen, wat betreft dit standpunt, slechts enkele concrete locaties als voorbeeld zijn genoemd, doet daaraan niet af. Daarbij merkt de Afdeling overigens nog op dat het perceel Oude Bredasebaan 29 in de zienswijzen concreet is genoemd als voorbeeld van een situatie waar volgens het college een nieuw bestemmingsvlak voor wonen is opgenomen. Gelet hierop is het aanwijzingsbesluit in zoverre niet in strijd met artikel 3.8, zesde lid, gelezen in samenhang met het vierde lid, van de Wro.

2.34.4. [appellanten sub 7] en het gemeentebestuur stellen verder dat geen sprake is van de nieuwvestiging van een burgerwoning.

In dit verband hebben zij aangevoerd dat bij het terrein van Ponderosa van oudsher twee bedrijfswoningen aanwezig zijn, namelijk de woning op het perceel Oude Bredasebaan 29 en één woning op het campingterrein (Maaijkant 23). Daarnaast is sprake van een burgerwoning (Maaijkant 22), die midden op het campingterrein ligt. Laatstgenoemde woning is in het bezit gekomen van [appellanten sub 7]. Zij willen de woning in gebruik nemen als bedrijfswoning onder de voorwaarde dat de woning op het perceel Oude Bredasebaan 29 wordt aangemerkt als burgerwoning.

2.34.4.1. Het provinciale beleid was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit gericht op het zoveel mogelijk tegengaan van burgerwoningen in het buitengebied. In paragraaf 4.12.1 van de Paraplunota is gesteld dat toevoeging van burgerwoningen in het buitengebied door nieuwbouw in beginsel niet is toegestaan, evenmin als toevoeging van burgerwoningen door bouwkundige aanpassing van gebouwen.

In artikel 11.1, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Verordening is, voor zover hier van belang, bepaald dat een bestemmingsplan dat is gelegen in agrarisch gebied regels stelt ter voorkoming van nieuwbouw van één of meer woningen dan wel van zelfstandige bewoning van bedrijfsgebouwen, recreatiewoningen en andere niet voor bewoning bestemde gebouwen.

2.34.4.2. De woning op het perceel Oude Bredasebaan 29 ligt buiten het terrein van Camping Ponderosa. Deze woning is niet als zodanig bestemd in het bestemmingsplan "Buitengebied 1990" of in het bestemmingsplan "Camping Ponderosa". Voor de bouw van deze woning is op 19 juli 1995 een bouwvergunning verleend. Ter zitting is door [appellanten sub 7] onweersproken gesteld dat deze woning steeds in gebruik is geweest als bedrijfswoning bij de camping. In het vastgestelde bestemmingsplan is voor deze woning een afzonderlijk bestemmingsvlak met een woonbestemming opgenomen.

De woning op het perceel Maaijkant 22 ligt op het terrein van Camping Ponderosa. Voor deze woning was in het bestemmingsplan "Buitengebied 1990" een afzonderlijk bestemmingsvlak met een woonbestemming opgenomen. In het vastgestelde bestemmingsplan ligt deze woning binnen het bestemmingsvlak met de bestemming "Recreatie".

Ingevolge artikel 14, lid 14.2.2, aanhef en onder g, van de planregels mogen binnen het bestemmingsvlak met de bestemming "Recreatie" maximaal twee bedrijfswoningen worden opgericht.

Blijkens het beroepschrift van [appellanten sub 7] en het verhandelde ter zitting zal de woning op het perceel Maaijkant 22 - naast de woning op het perceel Maaijkant 23 - in gebruik worden genomen als bedrijfswoning.

In zoverre is derhalve per saldo geen sprake van het toevoegen van een burgerwoning in het buitengebied. [appellanten sub 7] en het gemeentebestuur stellen zich blijkens hun beroepschriften en het verhandelde ter zitting op het standpunt dat het toekennen van een woonbestemming aan de woning Oude Bredasebaan 29 in plaats van het handhaven van de woonbestemming van de woning Maaijkant 22 ruimtelijk gezien wenselijk is, aangezien met het toekennen van een woonbestemming aan de eerstgenoemde woning wordt voorkomen dat het recreatieterrein in noordelijke richting kan worden uitgebreid. Dit komt de Afdeling niet onaannemelijk voor.

Gelet op het vorenstaande heeft het college zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat het bestemmingsplan in zoverre voorziet in de toevoeging van een burgerwoning in het buitengebied.

2.34.4.3. Gezien het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat provinciale belangen het geven van deze reactieve aanwijzing met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken.

2.34.5. Uit het vorenstaande volgt dat het aanwijzingsbesluit in zoverre in strijd is met artikel 3.8, zesde lid, in samenhang met artikel 4.2, eerste lid, van de Wro. Het beroep van [appellanten sub 7] is geheel en het beroep van het gemeentebestuur is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit, voor zover daarbij een reactieve aanwijzing is gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Wonen" aan het perceel Oude Bredasebaan 29, dient te worden vernietigd.

2.34.6. Ter voorlichting aan partijen merkt de Afdeling het volgende op. Naar aanleiding van deze uitspraak dient het gemeentebestuur het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, voor zover dat betrekking heeft op het perceel Oude Bredasebaan 29, onverwijld met inachtneming van de daarvoor geldende voorschriften bekend te maken, waarna daartegen, gedurende de in artikel 6:7 van de Awb genoemde termijn voor het indienen van een beroepschrift, voor belanghebbenden beroep bij de Afdeling openstaat.

Schuilgelegenheden

2.35. Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad een reactieve aanwijzing gegeven betreffende de regeling met betrekking tot het toestaan van schuilgelegenheden zoals opgenomen in artikel 3, lid 3.2.6, artikel 8, lid 8.2.6, en artikel 9, lid 9.2.6.

2.35.1. Ingevolge artikel 3, lid 3.1.1, van de planregels, voor zover hier van belang, zijn de op verbeelding 1 voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor:

- agrarisch grondgebruik en agrarische bedrijfsuitoefening;

- behoud en herstel van ruimtelijke, landschappelijke en waterhuishoudkundige waarden;

- extensief dagrecreatief medegebruik;

(…).

Ingevolge lid 3.2.1, voor zover hier van belang, mogen op de gronden uitsluitend bouwwerken, geen gebouw zijnde, worden opgericht ten dienste van de in de bestemmingsomschrijving aangegeven bestemming.

Ingevolge lid 3.2.6 is het college van burgemeester en wethouders bevoegd ontheffing te verlenen van het bepaalde in 3.2.1 met inachtneming van het navolgende:

a. de noodzaak voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering dient te worden aangetoond;

b. de oppervlakte van de veldkavel dient ten minste 5 ha te bedragen;

c. de oppervlakte mag niet meer dan 50 m2 bedragen;

d. de bouwhoogte mag niet meer dan 3 m bedragen.

2.35.2. Ingevolge artikel 8, lid 8.1.1, van de planregels, zijn de voor "Agrarisch met waarden, agrarische functie met natuurwaarden" op verbeelding 1 aangewezen gronden bestemd voor de volgende doeleinden:

- agrarisch grondgebruik en agrarische bedrijfsuitoefening;

- behoud en/of herstel en ontwikkeling van de ecologische, landschappelijke en natuurwaarden van de gronden zoals poelen, waterlopen, heide en graslanden;

- het behoud van voorkomende abiotische, natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische en aardkundige waarden;

- extensief dagrecreatief medegebruik.

Een en ander met bijbehorende voorzieningen.

Ingevolge lid 8.2.1, eerste volzin, mogen op de gronden uitsluitend bouwwerken worden opgericht ten dienste van de in de bestemmingsomschrijving aangegeven bestemming.

Ingevolge de derde volzin mogen ter plaatse van de aanduiding "waterberging" geen bouwwerken worden opgericht anders dan ten behoeve van de waterberging.

Ingevolge lid 8.2.6 is het college van burgemeester en wethouders bevoegd ontheffing te verlenen van het bepaalde in 8.2.1 met inachtneming van het navolgende:

a. de noodzaak voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering dient te worden aangetoond;

b. de oppervlakte van de veldkavel dient ten minste 5 ha te bedragen;

c. de oppervlakte mag niet meer dan 50 m2 bedragen;

d. de bouwhoogte mag niet meer dan 3 m bedragen.

2.35.3. Ingevolge artikel 9, lid 9.1.1, voor zover hier van belang, zijn de voor "Agrarisch met waarden, agrarische functie met landschapswaarden" op verbeelding 1 aangewezen gronden bestemd voor de volgende doeleinden:

- agrarisch grondgebruik en agrarische bedrijfsuitoefening;

- behoud en herstel van ruimtelijk, landschappelijke en aardkundige waarden;

- extensief dagrecreatief medegebruik;

(…).

Een en ander met bijbehorende voorzieningen.

Ingevolge lid 9.2.1, eerste volzin, mogen op de gronden uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden opgericht ten dienste van de in de bestemmingsomschrijving aangegeven bestemming.

Ingevolge lid 9.2.6 is het college van burgemeester en wethouders bevoegd ten behoeve van schuilgelegenheden ontheffing te verlenen van het bepaalde in 9.2.1 met inachtneming van het navolgende:

a. de noodzaak voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering dient te worden aangetoond;

b. de oppervlakte van de veldkavel dient ten minste 5 ha te bedragen;

c. de oppervlakte mag niet meer dan 50 m2 bedragen;

d. de bouwhoogte mag niet meer dan 3 m bedragen.

2.35.4. Het college heeft aan de reactieve aanwijzing met betrekking tot artikel 3, lid 3.2.6, artikel 8, lid 8.2.6, en artikel 9, lid 9.2.6, ten grondslag gelegd dat deze bepalingen het oprichten van schuilgelegenheden tot 50 m2 verspreid in het buitengebied mogelijk maken voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering. Het toelaten van dit soort bouwwerken leidt tot een verdergaande verstening en verrommeling van het buitengebied, terwijl het college streeft naar een concentratie van bebouwing binnen bouwblokken en het college de noodzaak voor het verspreid oprichten van deze bouwwerken vanuit een doelmatige agrarische bedrijfsvoering niet inziet. Het college acht dit in strijd met het provinciale belang van het openhouden van het buitengebied en het tegengaan van verstoring van landschappelijke kwaliteiten.

2.35.5. [appellant sub 20], die eigenaar is van agrarische gronden in het plangebied, en het gemeentebestuur stellen dat deze reactieve aanwijzing ten onrechte is gegeven.

2.35.6. Het betoog van [appellant sub 20] en het gemeentebestuur dat het college niet bevoegd is tot het geven van deze reactieve aanwijzing omdat het college ten aanzien van de bepalingen waarop de aanwijzing ziet geen zienswijzen heeft ingediend, faalt. Het college heeft in zijn zienswijzen naar voren gebracht bezwaar te hebben tegen de in de artikelen 8 en 9 van het ontwerpplan opgenomen ontheffingsregeling voor het verspreid oprichten van bouwwerken (schuilgelegenheden en veldschuren). Naar aanleiding hiervan is het plan gewijzigd vastgesteld, zonder dat de zienswijze van het college daarbij volledig is overgenomen. Voorts ontbrak de ontheffingsregeling van artikel 3, lid 3.2.6, van de planregels in het ontwerpplan, zodat het plan ook in zoverre gewijzigd is vastgesteld. Gelet hierop is het aanwijzingsbesluit in zoverre niet in strijd met artikel 3.8, zesde lid, gelezen in samenhang met het vierde lid, van de Wro.

2.35.7. [appellant sub 20] betoogt dat in het plan terecht een regeling is opgenomen voor schuilgelegenheden omdat het houden van dieren in weilanden in plaats van in stallen een groot goed is en dieren in het kader van dierenwelzijn behoefte hebben aan een droge slaap- en bijvoederplaats. Op plaatsen waar zo'n regeling ontbreekt worden zeecontainers in weilanden geplaatst en steeds verplaatst, hetgeen vaak tot jarenlange handhavingsprocedures leidt. Voorts voorziet het plan in waarborgen voor het oprichten van schuilgelegenheden omdat een ontheffing is vereist, bij de verlening waarvan toetsing plaatsvindt van de noodzaak voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering en de ruimtelijke wenselijkheid. Daarbij is de maximale omvang van de schuilgelegenheden kleiner dan in het ontwerp van het plan was voorzien. Door deze waarborgen zal geen wildgroei ontstaan en is de aanwijzing onvoldoende gemotiveerd.

Het gemeentebestuur voert aan dat het een legaal, door de welstandscommissie te toetsen alternatief wil bieden voor het plaatsen van zeecontainers en het afzagen van silo's, mede omdat handhaving in een kleine gemeente onderhavig is aan de noodzakelijke prioritering. Omdat schuilgelegenheden niet direct maar slechts met een ontheffing mogen worden opgericht, kan per geval een afweging gemaakt worden over de situering en kan ontheffing geweigerd worden als er nog ruimte is op een aanpalend bouwvlak. Bovendien zal, gelet op het vereiste dat minstens 5 ha veldkavel aanwezig moet zijn, geen wildgroei plaatsvinden. Het geldende bestemmingsplan bevat een door het college goedgekeurde, vergelijkbare ontheffingsmogelijkheid en de raad heeft, na afweging van de betrokken belangen, de onderhavige, ten opzichte van het geldende plan meer beperkende regeling in het plan opgenomen.

Ter zitting heeft het gemeentebestuur toegelicht dat de regelingen met betrekking tot het toestaan van schuilgelegenheden zijn opgenomen omdat Baarle-Nassau een agrarische gemeente is waar veel inwoners vee houden.

2.35.8. Het provinciale beleid was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit volgens paragraaf 5.2.4 van de Interimstructuurvisie gericht op het realiseren van zuinig ruimtegebruik door onder meer het tegengaan van verrommeling en onnodige verstening van het landelijk gebied. Uit de begripsbepaling over het begrip bouwblok in bijlage 1 bij de Paraplunota kan voorts worden afgeleid dat volgens het beleid bebouwing ten behoeve van een bestemming in een bouwvlak diende te worden geconcentreerd.

2.35.9. De bestemmingsvlakken met de bestemmingen "Agrarisch", "Agrarisch met waarden, agrarische functie met natuurwaarden" en "Agrarisch met waarden, agrarische functie met landschapswaarden" zijn niet voorzien van bouwvlakken. Hieruit volgt dat de planregels waarop de reactieve aanwijzing betrekking heeft in strijd zijn met het ten tijde van het bestreden besluit geldende beleid, op grond waarvan het college, vooruitlopend op het vaststellen van de Verordening, de reactieve aanwijzing heeft gegeven.

De Afdeling stelt echter vast dat het destijds geldende beleid niet is omgezet in algemene regels, zodat genoemde planregels niet in strijd zijn met de inmiddels vastgestelde en in werking getreden Verordening. Hiertoe overweegt de Afdeling als volgt.

2.35.10. Het aan de aanwijzing ten grondslag liggende beleid is volgens het college thans vervat in het uitgangspunt van zuinig ruimtegebruik dat is opgenomen in artikel 2.1. van de Verordening.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, eerste volzin, van de Verordening draagt een bestemmingsplan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied bij aan de zorg voor het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het daarbij betrokken gebied en de naaste omgeving, in het bijzonder aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, voor zover hier van belang, houdt het principe van zorgvuldig ruimtegebruik in ieder geval in dat ingeval van vestiging van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling is verzekerd dat gebruik wordt gemaakt van een bestaand bestemmingsvlak of bouwblok waarbinnen het geldend bestemmingsplan het bouwen van gebouwen en bijbehorende bouwwerken toestaat.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder b, is uitbreiding van het op grond van het geldende bestemmingsplan toegestane ruimtebeslag slechts toegestaan mits de financiële, juridische of feitelijke mogelijkheden ontbreken om de beoogde ruimtelijke ontwikkeling binnen dat toegestane ruimtebeslag te doen plaatsvinden.

In paragraaf 2.2 van de toelichting bij de Verordening staat onder meer dat voor het opnemen van een zorgplicht in de Verordening is gekozen om gemeenten de vrijheid te geven om zelf te bepalen op welke wijze zij het belang van ruimtelijke kwaliteit behartigen. De bepaling laat gemeenten dus gedragsalternatieven.

2.35.11. Gelet op de in de artikel 3, lid 3.2.6, artikel 8, lid 8.2.6, en artikel 9, lid 9.2.6, van de planregels opgenomen voorwaarden en beperkingen kan het college niet worden gevolgd in het standpunt dat met deze bepalingen onvoldoende invulling wordt gegeven aan de zorgplicht uit artikel 2.1 van de Verordening. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de bepalingen niet bij recht maar bij ontheffing voorzien in de mogelijkheid om schuilgelegenheden op te richten, dat slechts ontheffing kan worden verleend voor veldkavels van 5 ha of groter en dat beperkingen zijn gesteld aan de omvang van op te richten schuilgelegenheden. Voorts kan slechts ontheffing worden verleend indien de noodzaak van het oprichten van een schuilgelegenheid voor de agrarische bedrijfsvoering wordt aangetoond, hetgeen naar het oordeel van de Afdeling onder meer meebrengt dat geen ontheffing kan worden verleend indien een schuilgelegenheid gerealiseerd kan worden op een aanpalend bouwvlak. Mede in aanmerking genomen dat het uitgangspunt van de Verordening is dat het aan gemeenten is om in concrete gevallen vorm te geven aan de in artikel 2.1 opgenomen algemene zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit, kan het college niet worden gevolgd in het standpunt dat de in artikel 3, lid 3.2.6, artikel 8, lid 8.2.6, en artikel 9, lid 9.2.6, van de planregels opgenomen voorwaarden en beperkingen onvoldoende waarborgen bieden voor een zorgvuldig ruimtegebruik. Het beroep van het college op artikel 2.1, tweede lid, van de Verordening vormt geen grond voor een ander oordeel nu die bepaling nadere invulling geeft aan artikel 2.1, eerste lid, van de Verordening en uit het voorgaande voortvloeit dat artikel 3, lid 3.2.6, artikel 8, lid 8.2.6, en artikel 9, lid 9.2.6, van de planregels niet in strijd zijn met artikel 2.1, eerste lid, van de Verordening.

Zoals hiervoor onder 2.6.1 is overwogen, is de reactieve aanwijzing gegeven om de provinciale belangen die een vertaling zouden krijgen in de Verordening te waarborgen. Nu uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat artikel 3, lid 3.2.6, artikel 8, lid 8.2.6, en artikel 9, lid 9.2.6, van de planregels niet in strijd zijn met artikel 2.1, eerste lid, van de Verordening, brengt dit mee dat in het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd dat provinciale belangen door deze bepalingen onvoldoende worden gewaarborgd en het geven van een reactieve aanwijzing met betrekking tot deze bepalingen noodzakelijk maken. Het beroep van [appellant sub 20] is geheel en het beroep van het gemeentebestuur is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit, voor zover daarbij een reactieve aanwijzing is gegeven betreffende de regeling met betrekking tot het toestaan van schuilgelegenheden zoals opgenomen in artikel 3, lid 3.2.6, artikel 8, lid 8.2.6, en artikel 9, lid 9.2.6, van de planregels dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb.

2.35.12. Ter voorlichting aan partijen merkt de Afdeling het volgende op. Naar aanleiding van deze uitspraak dient het gemeentebestuur het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, voor zover dat betrekking heeft op de regeling met betrekking tot het toestaan van schuilgelegenheden zoals opgenomen in artikel 3, lid 3.2.6, artikel 8, lid 8.2.6, en artikel 9, lid 9.2.6, van de planregels onverwijld met inachtneming van de daarvoor geldende voorschriften bekend te maken, waarna daartegen, gedurende de in artikel 6:7 van de Awb genoemde termijn voor het indienen van een beroepschrift, voor belanghebbenden beroep bij de Afdeling openstaat.

2. Thema Land- en tuinbouw

Het perceel Oordeelsestraat achter nr. 60

2.36. Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Agrarisch, agrarisch bedrijf" aan het perceel Oordeelsestraat achter nr. 60.

2.36.1. In het plan is aan het desbetreffende perceel de bestemming "Agrarisch, agrarisch bedrijf" toegekend.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1.1, van de planregels zijn de betreffende gronden onder meer bestemd voor grondgebonden agrarische doeleinden.

Ingevolge lid 4.2.1 mag de tot "Agrarisch, agrarisch bedrijf" bestemde grond uitsluitend worden bebouwd ten dienste van de in de bestemmingsomschrijving aangegeven bestemming. Daarbij gelden per bestemmingsvlak de in lid 4.2.2 en 4.2.3 gestelde voorwaarden.

2.36.2. Het college heeft aan de reactieve aanwijzing met betrekking tot het perceel ten grondslag gelegd dat het plan in zoverre voorziet in nieuwvestiging van een grondgebonden agrarisch bedrijf in de zogenoemde AHS-landbouw zonder dat duidelijk is welke inhoudelijk ruimtelijke afweging heeft plaatsgevonden en of aan de provinciale beleidsuitgangspunten ter zake is voldaan. Het college stelt dat het provinciale belang hierdoor onvoldoende wordt gewaarborgd.

2.36.3. Het gemeentebestuur en [appellant sub 28], die op het perceel Oordeelstraat 8 te België een melkveehouderij voert, stellen dat deze reactieve aanwijzing ten onrechte is gegeven.

2.36.4. Het betoog van het gemeentebestuur dat het college niet bevoegd is tot het geven van de reactieve aanwijzing met betrekking tot het perceel Oordeelsestraat achter nr. 60 omdat het college ten aanzien hiervan geen zienswijzen heeft ingediend, faalt. De bestemming "Agrarisch, agrarisch bedrijf" is eerst bij de vaststelling van het plan aan het perceel toegekend. De reactieve aanwijzing heeft betrekking op deze wijziging. Gelet hierop is het aanwijzingsbesluit in zoverre niet in strijd met artikel 3.8, zesde lid, gelezen in samenhang met het vierde lid, van de Wro.

2.36.5. Het gemeentebestuur en [appellant sub 28] betogen dat het college miskent dat het plandeel waar de aanwijzing betrekking op heeft niet voorziet in nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf, maar op de vergroting van het bouwvlak van het bestaande agrarische bedrijf van [appellant sub 28], dat grotendeels is gesitueerd op Belgisch grondgebied. De bouw- en milieuvergunningen voor de door [appellant sub 28] beoogde uitbreidingen zijn reeds verleend.

2.36.6. Het provinciale beleid was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit volgens paragraaf 4.7.1 van de Paraplunota gericht op het beperken van de nieuwvestiging van agrarische bedrijven.

In paragraaf 4.7.3 van de Paraplunota, dat betrekking heeft op uitbreiding van grondgebonden agrarische bedrijven, is gesteld dat in de AHS-landbouw als uitgangspunt geldt dat agrarische bedrijven mogen uitbreiden.

2.36.7. Ter zitting hebben [appellant sub 28] en het gemeentebestuur aannemelijk gemaakt dat het perceel waar de reactieve aanwijzing op ziet deel uitmaakt van het aan de overzijde van Oordeelsestraat 60 in België gevestigde en daar als zodanig bestemde grondgebonden agrarische bedrijf van [appellant sub 28]. Gelet daarop heeft het college zich in het bestreden besluit ten onrechte op het standpunt gesteld dat het plan in strijd is met het beleid omdat het ter plaatse zou voorzien in de nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf. Nu voorts niet in geschil is dat het beleid waarop het college de aanwijzing heeft gebaseerd niet aan uitbreiding van een grondgebonden agrarisch bedrijf in de AHS-landbouw in de weg staat, is het plan in zoverre niet in strijd met dat beleid.

2.36.8. Gelet hierop heeft het college zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat provinciale belangen het geven van een reactieve aanwijzing met betrekking tot het perceel Oordeelsestraat achter nr. 60 met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken.

2.36.9. Uit het vorenstaande volgt dat het aanwijzingsbesluit in zoverre in strijd is met artikel 3.8, zesde lid, in samenhang met artikel 4.2, eerste lid, van de Wro. Het beroep van [appellant sub 28] is geheel en het beroep van het gemeentebestuur is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit, voor zover daarbij een reactieve aanwijzing is gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Agrarisch, agrarisch bedrijf" aan het perceel Oordeelsestraat achter nr. 60, dient te worden vernietigd.

Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden met betrekking tot dit onderdeel van het bestreden besluit geen bespreking.

2.36.10. Ter voorlichting aan partijen merkt de Afdeling het volgende op. Naar aanleiding van deze uitspraak dient het gemeentebestuur het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, voor zover dat betrekking heeft op het perceel Oordeelsestraat achter nr. 60, onverwijld met inachtneming van de daarvoor geldende voorschriften bekend te maken, waarna daartegen, gedurende de in artikel 6:7 van de Awb genoemde termijn voor het indienen van een beroepschrift, voor belanghebbenden beroep bij de Afdeling openstaat.

De percelen Meerleseweg ten noorden van nr. 4, Luktebaan 2 en Huisvennen 1

2.37. Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad reactieve aanwijzingen gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Agrarisch, agrarisch bedrijf" aan de percelen Meerleseweg ten noorden van nr. 4, Luktebaan 2 en Huisvennen 1.

2.37.1. In het plan is aan de desbetreffende percelen de bestemming "Agrarisch, agrarisch bedrijf" toegekend.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1.1, van de planregels zijn de betreffende gronden onder meer bestemd voor grondgebonden agrarische doeleinden.

Ingevolge lid 4.2.1 mag de tot "Agrarisch, agrarisch bedrijf" bestemde grond uitsluitend worden bebouwd ten dienste van de in de bestemmingsomschrijving aangegeven bestemming. Daarbij gelden per bestemmingsvlak de in lid 4.2.2 en 4.2.3 gestelde voorwaarden.

2.37.2. Het college heeft aan de reactieve aanwijzingen met betrekking tot deze percelen ten grondslag gelegd dat het plan in zoverre voorziet in nieuwvestiging van grondgebonden agrarische bedrijven in de AHS-landbouw zonder dat duidelijk is welke inhoudelijk ruimtelijke afweging heeft plaatsgevonden en of aan de provinciale beleidsuitgangspunten ter zake is voldaan. Het college stelt dat het provinciale belang hierdoor onvoldoende wordt gewaarborgd.

2.37.3. Het gemeentebestuur stelt dat de reactieve aanwijzingen voor de percelen Meerleseweg ten noorden van nr. 4, Luktebaan 2 en Huisvennen 1 ten onrechte zijn gegeven. [appellant sub 38] stelt dat de reactieve aanwijzing voor het perceel Meerleseweg ten noorden van nr. 4, waar hij een bouwwerk voor opslag/berging heeft staan, ten onrechte is gegeven.

2.37.4. Het betoog van het gemeentebestuur dat het college niet bevoegd is tot het geven van de reactieve aanwijzingen met betrekking tot de percelen Meerleseweg ten noorden van nr. 4, Luktebaan 2 en Huisvennen 1 omdat het college ten aanzien hiervan geen zienswijzen heeft ingediend, faalt. De bestemming "Agrarisch, agrarisch bedrijf" is eerst bij de vaststelling van het plan aan genoemde percelen toegekend. De reactieve aanwijzingen hebben betrekking op deze wijzigingen. Gelet hierop is het aanwijzingsbesluit in zoverre niet in strijd met artikel 3.8, zesde lid, gelezen in samenhang met het vierde lid, van de Wro. Hieruit volgt dat ook het betoog van [appellant sub 38] over de bevoegdheid van het college om de reactieve aanwijzing met betrekking tot het perceel Meerleseweg ten noorden van nr. 4 te geven, faalt.

2.37.5. [appellant sub 38] betoogt dat voor het bouwwerk op het perceel Meerleseweg ten noorden van nr. 4 in 1995 bouwvergunningen zijn verleend. Nu deze onherroepelijk zijn, is op het perceel terecht voorzien in een bouwvlak. Dat de vergunningen mogelijk zijn verleend in strijd met provinciaal beleid brengt niet mee dat het college zijn rechten teniet kan doen.

2.37.6. Het gemeentebestuur betoogt dat het situaties betreft die in het vorige plan onder het overgangsrecht waren gebracht en dat alle bouwwerken met vergunning zijn opgericht. Omdat een situatie niet tweemaal onder het overgangsrecht mag worden gebracht en vaststaat dat de bouwwerken niet binnen de planperiode zullen verdwijnen, zijn de bouwwerken bestemd in overeenstemming met de verleende vergunningen. Daarbij zijn de bouwvlakken zo klein mogelijk gemaakt.

2.37.7. Het provinciale beleid was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit volgens paragraaf 4.7.1 van de Paraplunota gericht op het beperken van de nieuwvestiging van agrarische bedrijven. Volgens die paragraaf is nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf in de GHS en de AHS-landschap uitgesloten. In de AHS-landbouw is nieuwvestiging, onder de in die paragraaf genoemde voorwaarden, uitsluitend toegestaan voor glastuinbouwbedrijven en voor de verplaatsing van overige agrarische bedrijven.

Volgens de in bijlage 1 bij de Paraplunota opgenomen begripsbeschrijvingen wordt onder nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf verstaan: de projectie van een agrarisch bouwblok op een locatie die volgens het ter plaatse geldende bestemmingsplan niet is voorzien van een bouwblok.

Ingevolge artikel 6.4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening bepaalt een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel dat nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf niet is toegestaan.

Ingevolge artikel 8.3, eerste lid, aanhef en onder a, bepaalt een bestemmingsplan dat is gelegen in een agrarisch gebied dat nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf niet is toegestaan.

2.37.8. Niet in geschil is dat het bestemmingsplan "Buitengebied 1990" niet voorzag in agrarische bouwvlakken ter plaatse van de percelen Meerleseweg ten noorden van nr. 4, Luktebaan 2 en Huisvennen 1. Gelet daarop heeft het college zich met juistheid op het standpunt gesteld dat het plan ter plaatse in strijd met paragraaf 4.7.1 van de Paraplunota en met de Verordening voorziet in nieuwvestiging van agrarische bedrijven.

2.37.9. Wat betreft de vraag of het college, gelet daarop, in redelijkheid van de noodzaak van het geven van een reactieve aanwijzing heeft kunnen uitgaan, overweegt de Afdeling als volgt.

2.37.10. Blijkens de stukken is voor het bouwwerk op het perceel Meerleseweg ten noorden van nr. 4 op 25 september 1995 aan [appellant sub 38] een inmiddels onherroepelijke bouwvergunning verleend voor het wijzigen van de indertijd aanwezige veldschuur in een veldschuur en machineberging ten behoeve van een agrarisch bedrijf. Voor het perceel Luktebaan 2 is blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting op 28 augustus 1958 vergunning verleend voor het bouwen van een veestal. Nu hiermee vaststaat dat de bouwwerken op de percelen Meerleseweg ten noorden van nr. 4 en Luktebaan 2 legaal zijn opgericht, brengt dit mee dat deze bouwwerken in beginsel, gelet op de rechtszekerheid, als zodanig dienen te worden bestemd. Dat van dit uitgangspunt in dit geval moet worden afgeweken, heeft het college niet aannemelijk gemaakt. De enkele omstandigheid dat deze bestemming in strijd is met het beleid uit paragraaf 4.7.1 van de Paraplunota vormt daarvoor onvoldoende grond. Nu de bestemming "Agrarisch, agrarisch bedrijf" slechts is toegekend aan de gronden waarop reeds bebouwing aanwezig is, heeft het college zich voorts ten onrechte op het standpunt gesteld dat het plan ter plaatse uitbreiding van de bestaande bebouwing mogelijk maakt. Voorts heeft het gemeentebestuur met juistheid gesteld dat het college zich, nu ingevolge artikel 4, lid 4.2.2, aanhef en onder b, van de planregels slechts een bedrijfswoning is toegelaten waar deze in de bestaande toestand reeds aanwezig is, ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het plan ter plaatse het bouwen van bedrijfswoningen mogelijk maakt. Tevens is niet aannemelijk gemaakt dat concreet zicht bestaat op verwijdering van de bouwwerken gedurende de planperiode. Gelet daarop heeft de raad in het vastgestelde plan in redelijkheid aan de desbetreffende percelen de bestemming "Agrarisch, agrarisch bedrijf" kunnen toekennen en is de conclusie dat het college niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van de bevoegdheid om een reactieve aanwijzing met betrekking tot de percelen Meerleseweg ten noorden van nr. 4 en Luktebaan 2 te geven.

2.37.11. Uit het vorenstaande volgt dat het aanwijzingsbesluit, voor zover het betrekking heeft op de percelen Meerleseweg ten noorden van nr. 4 en Luktebaan 2, in strijd is met artikel 3.8, zesde lid, in samenhang met artikel 4.2, eerste lid, van de Wro. Het beroep van [appellant sub 38] is geheel en het beroep van het gemeentebestuur is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit, voor zover daarbij een reactieve aanwijzing is gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Agrarisch, agrarisch bedrijf" aan de percelen Meerleseweg ten noorden van nr. 4 en Luktebaan 2, dient te worden vernietigd. Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden met betrekking tot deze onderdelen van het bestreden besluit geen bespreking meer.

2.37.12. Ter voorlichting aan partijen merkt de Afdeling het volgende op. Naar aanleiding van deze uitspraak dient het gemeentebestuur het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, voor zover dat betrekking heeft op de percelen Meerleseweg ten noorden van nr. 4 en Luktebaan 2, onverwijld met inachtneming van de daarvoor geldende voorschriften bekend te maken, waarna daartegen, gedurende de in artikel 6:7 van de Awb genoemde termijn voor het indienen van een beroepschrift, voor belanghebbenden beroep bij de Afdeling openstaat.

2.37.13. Met betrekking tot de bebouwing op het perceel Huisvennen 1 heeft het gemeentebestuur geen bouwvergunning overgelegd. Evenmin is anderszins aannemelijk gemaakt dat de bebouwing op het perceel legaal is opgericht. Voorts wordt de bebouwing op het perceel blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting sinds lang niet meer gebruikt voor agrarische doeleinden. Blijkens de stukken is de bebouwing in het verleden in strijd met de bestemming gebruikt als woning en - op grond van een persoonsgebonden gedoogtoestemming die in 2002 is verleend - voor het gebruik van opslag voor machines, gereedschap en materialen voor een klussenbedrijf. Het gemeentebestuur heeft niet aannemelijk gemaakt dat het perceel overeenkomstig de bestemming "Agrarisch, agrarisch bedrijf" zal worden gebruikt. Ook is niet gebleken dat de raad de vraag onder ogen heeft gezien of deze bestemming strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Dit brengt mee dat het college, nu nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf ter plaatse in strijd is met het destijds geldende beleid uit paragraaf 4.7.1 van de Paraplunota, welk beleid inmiddels is omgezet in algemene regels, in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van de bevoegdheid om een reactieve aanwijzing te geven met betrekking tot het perceel Huisvennen 1.

2.37.14. Gezien het vorenstaande heeft het college, vooruitlopend op de vaststelling van de Verordening, in redelijkheid van de noodzaak van het geven van een reactieve aanwijzing met betrekking tot het perceel Huisvennen 1 kunnen uitgaan, gelet op artikel 3.8, zesde lid, gelezen in samenhang met artikel 4.2, eerste lid, van de Wro.

2.37.15. In hetgeen het gemeentebestuur heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat provinciale belangen het geven van deze reactieve aanwijzing met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit, wat dit onderdeel betreft, anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van het gemeentebestuur is, voor zover het betrekking heeft op het perceel Huisvennen 1, ongegrond.

Het perceel Bredaseweg 29a

2.38. Het gemeentebestuur stelt dat ten onrechte een reactieve aanwijzing is gegeven met betrekking tot het perceel Bredaseweg 29a.

2.38.1. De Afdeling stelt, onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen onder 2.4.1, vast dat, nu het perceel Bredaseweg 29a niet is genoemd in het dictum van het bestreden besluit, geen reactieve aanwijzing met betrekking tot dat perceel is gegeven. Het feit dat het perceel wel is opgenomen binnen de rode belijning op de bijlage die behoort bij de reactieve aanwijzing met betrekking tot de percelen Bredaseweg 27a en 27b maakt dit niet anders, nu in het dictum van het bestreden besluit niet is bepaald dat deze reactieve aanwijzing betrekking heeft op de plandelen die in de bijlage met een rode belijning zijn aangegeven. Nu het aanwijzingsbesluit geen betrekking heeft op het perceel Bredaseweg 29a, kan het besluit voor dit perceel geen rechtsgevolg hebben. Het beroep van het gemeentebestuur is derhalve in zoverre niet-ontvankelijk.

2.38.2. Gelet hierop behoeven de desbetreffende beroepsgronden geen bespreking.

2.38.3. Ter voorlichting aan partijen merkt de Afdeling het volgende op. Het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan is samen met het aanwijzingsbesluit bekendgemaakt conform het bepaalde in artikel 3.8, zesde lid, van de Wro bezien in samenhang met het bepaalde in artikel 3:42, tweede lid, van de Awb. Nu, zoals uit het voorgaande blijkt, geen reactieve aanwijzing is gegeven met betrekking tot de bestemming die in het plan is toegekend aan het perceel Bredaseweg 29a, moet worden vastgesteld dat het plan in zoverre reeds is bekendgemaakt. Het is echter niet uitgesloten dat belanghebbenden hebben afgezien van het instellen van beroep tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, voor zover dat betrekking heeft op het perceel Bredaseweg 29a, omdat zij ten onrechte in de veronderstelling verkeerden dat met betrekking tot dit onderdeel van het bestemmingsplan een reactieve aanwijzing is gegeven. Gelet hierop dient het gemeentebestuur nogmaals onverwijld, conform het bepaalde in artikel 3:44 van de Awb, mededeling te doen van dit onderdeel van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, waarna daartegen, gedurende de in artikel 6:7 van de Awb genoemde termijn voor het indienen van een beroepschrift bezien in samenhang met het bepaalde in artikel 6:11 van de Awb, voor belanghebbenden beroep bij de Afdeling openstaat.

De percelen Heihoef 1, Molenstraat 20, Haldijk 7, Boschoven 24 en Bredaseweg 15

2.39. Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad reactieve aanwijzingen gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Agrarisch, agrarisch bedrijf" met de aanduiding "intensieve veehouderij" aan de percelen Heihoef 1, Molenstraat 20, Haldijk 7, Boschoven 24 en Bredaseweg 15.

2.39.1. In het plan is aan de desbetreffende percelen de bestemming "Agrarisch, agrarisch bedrijf" en de aanduiding "iv" toegekend.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1.1, van de planregels zijn de betreffende gronden onder meer bestemd voor grondgebonden agrarische doeleinden en voorts uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "iv" op verbeelding 1 voor intensieve veehouderijen.

Ingevolge lid 4.2.1 mag de tot "Agrarisch, agrarisch bedrijf" bestemde grond uitsluitend worden bebouwd ten dienste van de in de bestemmingsomschrijving aangegeven bestemming. Daarbij gelden per bestemmingsvlak de in lid 4.2.2 en 4.2.3 gestelde voorwaarden.

2.39.2. Het college heeft aan de reactieve aanwijzingen met betrekking tot de percelen Heihoef 1, Molenstraat 20, Haldijk 7 en Boschoven 24 ten grondslag gelegd dat het plan in zoverre voorziet in intensieve veehouderijen in verwevingsgebied, terwijl geen toepassing is gegeven aan het bouwblok op maat principe, zoals dat is uitgewerkt in het Reconstructieplan. Wat betreft het perceel Bredaseweg 15 heeft het college aan de reactieve aanwijzing ten grondslag gelegd dat het plan in zoverre voorziet in een intensieve veehouderij in verwevingsgebied met een oppervlakte van meer dan 1,5 ha en meer dan 15% uitbreidingsruimte ten opzichte van een nauw begrensd bouwblok. Het college acht dit in strijd met het provinciale belang.

2.39.3. Het gemeentebestuur stelt dat de reactieve aanwijzingen met betrekking tot de percelen Heihoef 1, Molenstraat 20, Haldijk 7 en Boschoven 24 ten onrechte zijn gegeven. [appellant sub 37], die op het perceel Bredaseweg 15 een akkerbouwbedrijf en een varkenshouderij voert, stelt dat de reactieve aanwijzing met betrekking tot dat perceel ten onrechte is gegeven. [appellant sub 11], die op het perceel Heihoef 1 een varkenshouderij voert, stelt dat de reactieve aanwijzing met betrekking tot dat perceel ten onrechte is gegeven.

2.39.4. Het gemeentebestuur en [appellant sub 37] hebben onder meer aangevoerd dat het college niet bevoegd was tot het geven van deze aanwijzingen, omdat het college tegen deze onderdelen van het plan geen zienswijzen naar voren heeft gebracht.

2.39.5. De Afdeling stelt vast dat het college de planregeling voor de percelen Heihoef 1, Molenstraat 20, Haldijk 7, Boschoven 24 en Bredaseweg 15 in zijn zienswijzen tegen het ontwerpplan niet als zodanig heeft bestreden.

In de zienswijze staat met betrekking tot intensieve veehouderijen in verwevingsgebieden slechts dat in de planregels van het ontwerpplan beoordelingscriteria ontbreken of sprake is van duurzame locaties. Voorts staat in de zienswijze onder "Bouwblok op maat" dat de toekenning van bouwblokken voor de intensieve veehouderijen wordt behandeld onder "Reconstructieplan". Onder "Reconstructieplan" staat dat in het ontwerpplan voor bestaande intensieve veehouderijen in extensiveringsgebied ten onrechte geen toepassing is gegeven aan het bouwblok op maat principe. Dat het ontwerpplan evenmin aan dit principe voldeed voor bestaande intensieve veehouderijen in verwevingsgebied, is niet in de zienswijze vermeld. Gelet hierop is het in het aanwijzingsbesluit vervatte standpunt van het college dat in het plan ten onrechte bij bestaande intensieve veehouderijen in verwevingsgebieden geen toepassing is gegeven aan het bouwblok op maat principe zoals dat is uitgewerkt in het Reconstructieplan niet te herleiden tot de zienswijzen. Hetzelfde geldt voor het standpunt dat het plan ten onrechte voorziet in een intensieve veehouderij in verwevingsgebied met een oppervlakte van meer dan 1,5 ha en meer dan 15% uitbreidingsruimte ten opzichte van een nauw begrensd bouwblok. Zoals hiervoor onder 2.10.3.1 is overwogen dient het college in de zienswijzen duidelijk aan te geven op welke onderdelen de raad het plan bij de vaststelling dient te wijzigen ten opzichte van het ontwerp om een reactieve aanwijzing te voorkomen. Daaraan is in de zienswijze naar het oordeel van de Afdeling op dit punt niet voldaan, zodat niet kan worden geoordeeld dat het college op dit punt een zienswijze heeft ingediend die door de raad niet volledig is overgenomen, zoals bedoeld in artikel 3.8, vierde lid, van de Wro.

Ook is het plan wat betreft de percelen Heihoef 1, Molenstraat 20, Haldijk 7, Boschoven 24 en Bredaseweg 15 bij de vaststelling niet gewijzigd ten opzichte van het ontwerpplan.

2.39.6. Uit het vorenstaande volgt dat het aanwijzingsbesluit in zoverre in strijd is met artikel 3.8, zesde lid, in samenhang met het vierde lid, van de Wro. De beroepen zijn in zoverre gegrond. Het bestreden besluit, voor zover daarbij reactieve aanwijzingen zijn gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Agrarisch, agrarisch bedrijf" met de aanduiding "intensieve veehouderij" aan de percelen Heihoef 1, Molenstraat 20, Haldijk 7, Boschoven 24 en Bredaseweg 15, dient te worden vernietigd.

Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden met betrekking tot deze onderdelen van het bestreden besluit geen bespreking meer.

2.39.7. Ter voorlichting aan partijen merkt de Afdeling het volgende op. Naar aanleiding van deze uitspraak dient het gemeentebestuur het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, voor zover dat betrekking heeft op de percelen Heihoef 1, Molenstraat 20, Haldijk 7, Boschoven 24 en Bredaseweg 15, onverwijld met inachtneming van de daarvoor geldende voorschriften bekend te maken, waarna daartegen, gedurende de in artikel 6:7 van de Awb genoemde termijn voor het indienen van een beroepschrift, voor belanghebbenden beroep bij de Afdeling openstaat.

Het perceel Boschoven ongenummerd (Boschoven 3)

2.40. Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Agrarisch, agrarisch bedrijf" met de aanduiding "intensieve veehouderij" aan het perceel Boschoven ongenummerd (Boschoven 3).

2.40.1. In het plan is aan het desbetreffende perceel de bestemming "Agrarisch, agrarisch bedrijf" en de aanduiding "iv" toegekend.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1.1, van de planregels zijn de betreffende gronden onder meer bestemd voor grondgebonden agrarische doeleinden en voorts uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "iv" op verbeelding 1 voor intensieve veehouderijen.

Ingevolge lid 4.2.1 mag de tot "Agrarisch, agrarisch bedrijf" bestemde grond uitsluitend worden bebouwd ten dienste van de in de bestemmingsomschrijving aangegeven bestemming. Daarbij gelden per bestemmingsvlak de in lid 4.2.2 en 4.2.3 gestelde voorwaarden.

2.40.2. Het gemeentebestuur stelt dat de reactieve aanwijzing met betrekking tot het perceel Boschoven ongenummerd (Boschoven 3) ten onrechte is gegeven.

2.40.3. Ter zitting heeft het college zich op het standpunt gesteld zich met de bestemming die in het plan aan dit perceel is toegekend te kunnen verenigen.

Nu het college zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan het in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat dit onderdeel betreft niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het beroep van het gemeentebestuur is op dit punt gegrond, zodat het bestreden besluit voor zover daarbij een reactieve aanwijzing is gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Agrarisch, agrarisch bedrijf" met de aanduiding "intensieve veehouderij" aan het perceel Boschoven ongenummerd (Boschoven 3) dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb.

2.40.4. Gelet hierop behoeven de beroepsgronden met betrekking tot dit onderdeel van het bestreden besluit geen bespreking meer.

2.40.5. Ter voorlichting aan partijen merkt de Afdeling het volgende op. Naar aanleiding van deze uitspraak dient het gemeentebestuur het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, voor zover dat betrekking heeft op het perceel Boschoven ong. (Boschoven 3), onverwijld met inachtneming van de daarvoor geldende voorschriften bekend te maken, waarna daartegen, gedurende de in artikel 6:7 van de Awb genoemde termijn voor het indienen van een beroepschrift, voor belanghebbenden beroep bij de Afdeling openstaat.

De percelen Groot Bedaf 12 en Bredaseweg 21

2.41. Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad reactieve aanwijzingen gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Agrarisch, agrarisch bedrijf" met de aanduiding "intensieve veehouderij" aan de percelen Groot Bedaf 12 en Bredaseweg 21.

2.41.1. In het plan is aan de desbetreffende percelen de bestemming "Agrarisch, agrarisch bedrijf" en de aanduiding "iv" toegekend.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1.1, van de planregels zijn de betreffende gronden onder meer bestemd voor grondgebonden agrarische doeleinden en voorts uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "iv" op verbeelding 1 voor intensieve veehouderijen.

Ingevolge lid 4.2.1 mag de tot "Agrarisch, agrarisch bedrijf" bestemde grond uitsluitend worden bebouwd ten dienste van de in de bestemmingsomschrijving aangegeven bestemming. Daarbij gelden per bestemmingsvlak de in lid 4.2.2 en 4.2.3 gestelde voorwaarden.

2.41.2. Het college heeft aan de reactieve aanwijzingen met betrekking tot de percelen Groot Bedaf 12 en Bredaseweg 21 ten grondslag gelegd dat het plan in zoverre voorziet in intensieve veehouderijen in verwevingsgebied terwijl geen toepassing is gegeven aan het bouwblok op maat principe zoals dat is uitgewerkt in het Reconstructieplan omdat het plan meer dan 15% uitbreidingsruimte biedt ten opzichte van de bestaande bebouwing en voorzieningen. Voorts kan het college niet beoordelen of de bouwvlakken duurzame locaties betreffen. Het college acht dit in strijd met het provinciale belang.

2.41.3. [appellant sub 4], die op het perceel Groot Bedaf 12 een gemengd bedrijf exploiteert, stelt dat de reactieve aanwijzing met betrekking tot dat perceel ten onrechte is gegeven.

[appellant sub 15], die op het perceel Bredaseweg 21 een kalvermesterij exploiteert, stelt dat de reactieve aanwijzing met betrekking tot dat perceel ten onrechte is gegeven.

2.41.4. Het betoog van [appellant sub 15] dat het college niet bevoegd is tot het geven van de reactieve aanwijzing met betrekking tot het perceel Bredaseweg 21 omdat het college ten aanzien hiervan geen zienswijzen heeft ingediend, faalt. De aanduiding "iv" is eerst bij de vaststelling van het plan aan het perceel toegekend. De reactieve aanwijzing is gegeven met het oog op deze wijziging. Gelet hierop is het aanwijzingsbesluit in zoverre niet in strijd met artikel 3.8, zesde lid, gelezen in samenhang met het vierde lid, van de Wro.

2.41.5. [appellant sub 4] en [appellant sub 15] betogen dat de aan hun percelen toegekende bouwvlakken net zo groot zijn als de bouwvlakken die waren toegekend in het voorgaande bestemmingsplan, het plan "Buitengebied 1990". Er is dus geen sprake van uitbreiding.

[appellant sub 15] betoogt voorts dat het bestemmingsplan "Buitengebied 1990" volgens gedeputeerde Rüpp, mede met het oog op de partiële herziening van dat plan in 1994, mag worden beschouwd als zijnde getoetst aan het streekplan 1992, zodat het hier gaat om bestaande rechten die gerespecteerd dienen te worden.

2.41.6. Volgens paragraaf 11.6.1, onder b, van het Reconstructieplan, voor zover hier van belang, worden bouwrechten van intensieve veehouderijen in verwevingsgebied die zijn gebaseerd op het streekplan van 1992 en 2002 gerespecteerd. Deze bouwrechten zijn vervat in een daarop gebaseerd bouwblok. Bestaande intensieve veehouderijen waarvan de bouwrechten zijn vastgelegd in een bestemmingsplan dat niet is gebaseerd op het streekplan van 1992 of 2002, maar die een concreet initiatief hebben, krijgen een beoordeling volgens 'bouwblok op maat', zoals uiteengezet in bijlage 5 bij het Reconstructieplan. Indien er sprake is van een duurzame locatie kan met toepassing van de handleiding in bijlage 5 een bouwblok van maximaal 2,5 hectare worden toegekend.

Volgens de begripsbepalingen in paragraaf 11.6.1 van het Reconstructieplan wordt onder een bestemmingsplan, gebaseerd op het streekplan van 1992 en 2002, verstaan een bestemmings- of wijzigingsplan waarin directe bouwrechten zijn vastgelegd en waarover het college een besluit omtrent goedkeuring van dat plan heeft genomen na 17 juli 1992 en voor 22 april 2002.

Ingevolge artikel 9.3, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening bepaalt een bestemmingsplan dat is gelegen in een verwevingsgebied dat bouwblokken voor intensieve veehouderij die kleiner zijn dan 1,5 ha tot een omvang van ten hoogste 1,5 ha mogen uitbreiden op een duurzame locatie.

2.41.7. Uit de stukken blijkt dat het college op 20 september 1990 een besluit omtrent goedkeuring van het bestemmingsplan "Buitengebied 1990" heeft genomen, zodat geen sprake is van te respecteren rechten als bedoeld in paragraaf 11.6.1, onder b, van het Reconstructieplan. Voorts staat vast dat het bestemmingsplan op de percelen Groot Bedaf 12 en Bredaseweg 21 voorziet in een bouwvlak dat meer dan 15% groter is dan de bestaande bebouwing. Gelet daarop heeft het college zich met juistheid op het standpunt gesteld dat het plan in strijd is met het in paragraaf 11.6.1, onder b, van het Reconstructieplan opgenomen beleid.

Dat dit anders is omdat de in het bestemmingplan "Buitengebied 1990" opgenomen bouwvlakken voor intensieve veehouderij moeten worden aangemerkt als bouwblok op maat als bedoeld in het Reconstructieplan, zoals het gemeentebestuur ter zitting heeft gesteld, is niet aannemelijk gemaakt.

Het betoog van [appellant sub 15] dat het college zich ten onrechte op het standpunt stelt dat geen sprake is van te respecteren rechten als bedoeld in het Reconstructieplan vanwege toezeggingen daaromtrent van gedeputeerde Rüpp vormt evenmin grond voor een ander oordeel. Dat zodanige toezeggingen zijn gedaan dat de in bestemmingsplan "Buitengebied 1990" opgenomen rechten zouden worden gerespecteerd dat het college zich daardoor gebonden heeft moeten achten, heeft [appellant sub 15] niet aannemelijk gemaakt. Voor zover [appellant sub 15] heeft beoogd te betogen dat sprake is van te respecteren rechten omdat de partiële herziening van 1994 moet worden aangemerkt als een bestemmingsplan dat is gebaseerd op het streekplan van 1992 en 2002, wordt overwogen dat - wat daar van zij - uit de stukken blijkt dat de partiële herziening geen betrekking had op het perceel Bredaseweg 21.

2.41.8. Uit vorenstaande volgt dat de in het plan opgenomen bouwvlakken voor de percelen Groot Bedaf 12 en Bredaseweg 21 in strijd zijn met het ten tijde van het bestreden besluit geldende beleid, op grond waarvan het college, vooruitlopend op het vaststellen van de Verordening, de reactieve aanwijzingen heeft gegeven. De Afdeling stelt echter vast dat het destijds geldende beleid niet is omgezet in algemene regels, zodat genoemde plandelen niet in strijd zijn met de inmiddels vastgestelde en in werking getreden Verordening. Daartoe wordt overwogen dat - zoals ter zitting door het college is bevestigd - onder de term "bouwblok" in artikel 9.3, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening moet worden verstaan: het bouwvlak dat ten tijde van de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan in het geldende bestemmingsplan is opgenomen. Niet in geschil is dat de in het plan opgenomen bouwvlakken voor de percelen Groot Bedaf 12 en Bredaseweg 21 overeenkomen met de bouwvlakken die zijn opgenomen in het ten tijde van de vaststelling van het plan voor die percelen geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1990". Derhalve voorziet het plan voor de percelen Groot Bedaf 12 en Bredaseweg 21 niet in een uitbreiding als bedoeld in artikel 9.3, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening.

Zoals hiervoor onder 2.6.1 is overwogen, zijn de reactieve aanwijzingen gegeven om de provinciale belangen die een vertaling zouden krijgen in de Verordening te waarborgen. Nu uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het plan voor de percelen Groot Bedaf 12 en Bredaseweg 21 niet in strijd is met artikel 9.3, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening, brengt dit mee dat in het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd dat provinciale belangen door de planregeling voor deze percelen onvoldoende worden gewaarborgd en het geven van een reactieve aanwijzing met betrekking tot deze percelen noodzakelijk maken. De beroepen van [appellant sub 4] en [appellant sub 15] zijn gegrond. Het bestreden besluit, voor zover daarbij reactieve aanwijzingen zijn gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Agrarisch, agrarisch bedrijf" met de aanduiding "intensieve veehouderij" aan de percelen Groot Bedaf 12 en Bredaseweg 21, dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb.

2.41.9. Gelet hierop behoeft hetgeen [appellant sub 4] en [appellant sub 15] overigens hebben aangevoerd geen bespreking.

2.41.10. Ter voorlichting aan partijen merkt de Afdeling het volgende op. Naar aanleiding van deze uitspraak dient het gemeentebestuur het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, voor zover dat betrekking heeft op de percelen Groot Bedaf 12 en Bredaseweg 21, onverwijld met inachtneming van de daarvoor geldende voorschriften bekend te maken, waarna daartegen, gedurende de in artikel 6:7 van de Awb genoemde termijn voor het indienen van een beroepschrift, voor belanghebbenden beroep bij de Afdeling openstaat.

De percelen Beemdendreef 4 en Beemdendreef 6

2.42. Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad reactieve aanwijzingen gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Agrarisch, agrarisch bedrijf" met de aanduiding "intensieve veehouderij" aan de percelen Beemdendreef 4 en Beemdendreef 6.

2.42.1. In het plan is aan de desbetreffende percelen de bestemming "Agrarisch, agrarisch bedrijf" en de aanduiding "iv" toegekend.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1.1, van de planregels zijn de betreffende gronden onder meer bestemd voor grondgebonden agrarische doeleinden en voorts uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "iv" op verbeelding 1 voor intensieve veehouderijen.

Ingevolge lid 4.2.1 mag de tot "Agrarisch, agrarisch bedrijf" bestemde grond uitsluitend worden bebouwd ten dienste van de in de bestemmingsomschrijving aangegeven bestemming. Daarbij gelden per bestemmingsvlak de in lid 4.2.2 en 4.2.3 gestelde voorwaarden.

2.42.2. Het college heeft aan de reactieve aanwijzingen met betrekking tot de percelen Beemdendreef 4 en Beemdendreef 6 ten grondslag gelegd dat het plan in zoverre voorziet in intensieve veehouderijen in verwevingsgebied, terwijl geen toepassing is gegeven aan het bouwblok op maat principe zoals dat is uitgewerkt in het Reconstructieplan. Het plan biedt meer dan 15% uitbreidingsruimte ten opzichte van een nauwbegrensd bouwvlak en het bouwvlak op het perceel Beemdendreef 4 heeft een oppervlakte van meer dan 1,5 ha. Voorts kan het college niet beoordelen of het gaat om duurzame locaties. Het college acht dit in strijd met het provinciale belang.

2.42.3. [appellant sub 9A] en [appellante sub 9B] en het gemeentebestuur stellen dat deze reactieve aanwijzingen ten onrechte zijn gegeven. Zij hebben onder meer aangevoerd dat het college niet bevoegd is tot het geven van deze aanwijzingen, omdat het college tegen deze onderdelen van het plan geen zienswijzen naar voren heeft gebracht.

2.42.4. De Afdeling stelt vast dat het college in de zienswijzen niet heeft aangegeven dat het plan, wat betreft de percelen Beemdendreef 4 en Beemdendreef 6, een te grote uitbreidingsruimte biedt.

Ter zitting is komen vast te staan dat het college zich bij het geven van de reactieve aanwijzingen heeft gebaseerd op een verbeelding, waarop een andere begrenzing tussen de percelen Beemdendreef 4 en Beemdendreef 6 is aangegeven dan op de verbeelding bij het ontwerpplan. Tevens is komen vast te staan dat het plan met betrekking tot de percelen Beemdendreef 4 en Beemdendreef 6 niet gewijzigd is vastgesteld. Blijkens de bij het vaststellingsbesluit behorende Nota van zienswijzen en Staat van wijzigingen zijn in het plan noch naar aanleiding van zienswijzen noch ambtshalve wijzigingen met betrekking tot de onderlinge begrenzing van percelen aangebracht. Dit heeft het gemeentebestuur ter zitting bevestigd.

2.42.5. Nu het plan met betrekking tot de percelen Beemdendreef 4 en Beemdendreef 6 niet gewijzigd is vastgesteld en uit hetgeen hiervoor onder 2.39.5 is overwogen volgt dat het college met betrekking tot deze percelen geen zienswijzen heeft ingediend, volgt uit hetgeen is overwogen onder 2.10.3.1 dat het aanwijzingsbesluit in zoverre in strijd is met artikel 3.8, zesde lid, gelezen in samenhang met het vierde lid, van de Wro. Het beroep van [appellant sub 9A] en [appellante sub 9B] is geheel en het beroep van het gemeentebestuur is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit, voor zover daarbij reactieve aanwijzingen zijn gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Agrarisch, agrarisch bedrijf" met de aanduiding "iv" aan de percelen Beemdendreef 4 en Beemdendreef 6, dient te worden vernietigd.

Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden met betrekking tot deze onderdelen van het bestreden besluit geen bespreking meer.

2.42.6. Ter voorlichting aan partijen merkt de Afdeling het volgende op. Naar aanleiding van deze uitspraak dient het gemeentebestuur het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, voor zover dat betrekking heeft op de percelen Beemdendreef 4 en Beemdendreef 6, onverwijld met inachtneming van de daarvoor geldende voorschriften bekend te maken, waarna daartegen, gedurende de in artikel 6:7 van de Awb genoemde termijn voor het indienen van een beroepschrift, voor belanghebbenden beroep bij de Afdeling openstaat.

Het perceel Gorpeind 4

2.43. Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Agrarisch, agrarisch bedrijf" aan het perceel Gorpeind 4.

2.43.1. In het plan is aan het perceel Gorpeind 4 de bestemming "Agrarisch, agrarisch bedrijf" toegekend.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1.1, van de planregels zijn de betreffende gronden onder meer bestemd voor grondgebonden agrarische doeleinden.

Ingevolge lid 4.2.1 mag de tot "Agrarisch, agrarisch bedrijf" bestemde grond uitsluitend worden bebouwd ten dienste van de in de bestemmingsomschrijving aangegeven bestemming. Daarbij gelden per bestemmingsvlak de in lid 4.2.2 en 4.2.3 gestelde voorwaarden.

2.43.2. Het college heeft aan de reactieve aanwijzing met betrekking tot het perceel Gorpeind 4 ten grondslag gelegd dat het bouwvlak op het perceel Gorpeind 4 te ruim is begrensd. Conform de provinciale beleidsuitgangspunten mogen grondgebonden agrarische bedrijven in de GHS-landbouw hun bouwvlak in beginsel met 15% uitbreiden, of tot een omvang van 1,5 ha als het bouwvlak na toepassing van dit uitbreidingspercentage kleiner zou zijn. Het bouwvlak op het perceel Gorpeind 4 is echter groter dan 1,5 ha en biedt bovendien aanzienlijk meer uitbreidingsruimte dan 15%, hetgeen in strijd is met het provinciale belang van zuinig ruimtegebruik.

2.43.3. [appellant sub 17], die op het perceel Gorpeind 4 een melkveebedrijf exploiteert, stelt dat deze reactieve aanwijzing ten onrechte is gegeven. Hij heeft onder meer aangevoerd dat het college niet bevoegd was tot het geven van deze aanwijzing, omdat het college tegen dit onderdeel van het plan geen zienswijzen naar voren heeft gebracht.

2.43.4. De Afdeling stelt vast dat het college de planregeling voor het perceel Gorpeind 4 in zijn zienswijzen tegen het ontwerpplan niet als zodanig heeft bestreden. Voorts stelt de Afdeling vast dat de reactieve aanwijzing met betrekking tot het perceel Gorpeind 4 is gebaseerd op het provinciale beleid met betrekking tot de uitbreiding van bouwblokken voor landbouw, anders dan intensieve veehouderij, in de GHS-landbouw, zoals vermeld in paragraaf 4.7.3 van de Paraplunota. Dat het ontwerpplan in strijd is met dat beleid staat niet in de zienswijze van het college, waarin onder "Begrenzing EHS" en "Begrenzing en bescherming GHS" slechts in wordt gegaan op andere punten waarop het ontwerpplan, voor zover het ziet op in de GHS gelegen gronden, volgens het college niet voldoet. Het gestelde onder "Bouwblok op maat" kan naar het oordeel van de Afdeling evenmin worden aangemerkt als zienswijze met betrekking tot het perceel Gorpeind 4 of het thema uitbreiding van grondgebonden agrarische bedrijven in de GHS-landbouw, nu in dat onderdeel van de zienswijze noch het perceel Gorpeind 4, noch dit thema, noch het beleid uit paragraaf 4.7.3 van de Paraplunota wordt genoemd. Zoals hiervoor onder 2.10.3.1 is overwogen dient het college in de zienswijzen duidelijk aan te geven op welke onderdelen de raad het plan bij de vaststelling dient te wijzigen ten opzichte van het ontwerp om een reactieve aanwijzing te voorkomen. Daaraan is in de zienswijze naar het oordeel van de Afdeling op dit punt niet voldaan, zodat niet kan worden geoordeeld dat het college op dit punt een zienswijze heeft ingediend die door de raad niet volledig is overgenomen, zoals bedoeld in artikel 3.8, vierde lid, van de Wro. De omstandigheid dat het plan wat betreft het perceel Gorpeind 4 gewijzigd is vastgesteld vormt geen grond voor een ander oordeel nu die wijziging - de verwijdering van een landschapselement - niet behelst dat de omvang van het bouwvlak op het perceel Gorpeind 4 is gewijzigd en de aanwijzing betrekking heeft op de omvang van het bouwvlak en niet op de verwijdering van het landschapselement.

2.43.5. Uit het vorenstaande volgt dat het aanwijzingsbesluit in zoverre in strijd is met artikel 3.8, zesde lid, gelezen in samenhang met het vierde lid, van de Wro. Het beroep van [appellant sub 17] is gegrond. Het bestreden besluit, voor zover daarbij een reactieve aanwijzing is gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Agrarisch, agrarisch bedrijf" aan het perceel Gorpeind 4, dient te worden vernietigd.

Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden van [appellant sub 17] geen bespreking meer.

2.43.6. Ter voorlichting aan partijen merkt de Afdeling het volgende op. Naar aanleiding van deze uitspraak dient het gemeentebestuur het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, voor zover dat betrekking heeft op het perceel Gorpeind 4, onverwijld met inachtneming van de daarvoor geldende voorschriften bekend te maken, waarna daartegen, gedurende de in artikel 6:7 van de Awb genoemde termijn voor het indienen van een beroepschrift, voor belanghebbenden beroep bij de Afdeling openstaat.

Het perceel Reth 4

2.44. Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Agrarisch, agrarisch bedrijf" met de nadere aanduiding "intensieve veehouderij" aan het perceel Reth 4.

2.44.1. In het plan is aan het perceel Reth 4 de bestemming "Agrarisch, agrarisch bedrijf" toegekend met de aanduiding "iv".

Ingevolge artikel 4, lid 4.1.1, van de planregels zijn de betreffende gronden onder meer bestemd voor grondgebonden agrarische doeleinden en voorts uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "iv" op verbeelding 1 voor intensieve veehouderijen.

Ingevolge lid 4.2.1 mag de tot "Agrarisch, agrarisch bedrijf" bestemde grond uitsluitend worden bebouwd ten dienste van de in de bestemmingsomschrijving aangegeven bestemming. Daarbij gelden per bestemmingsvlak de in lid 4.2.2 en 4.2.3 gestelde voorwaarden.

2.44.2. Het college heeft aan de reactieve aanwijzing met betrekking tot het perceel Reth 4 ten grondslag gelegd dat het plan in zoverre voorziet in een bouwvlak voor een agrarisch bedrijf dat heeft deelgenomen aan de Regeling beëindiging veehouderijtakken (hierna: de RBV-regeling). Volgens de informatie van het college is de agrarische bedrijfsvoering op deze locatie gestaakt, maar het bouwvlak is wat betreft bestemming en omvang niet aangepast. Omdat de agrarische bedrijfsvoering geheel is gestopt en de bebouwing is gesloopt, is het agrarisch bouwvlak met de aanduiding "intensieve veehouderij" ten onrechte gehandhaafd. Het college acht dit in strijd met het provinciale belang.

2.44.3. [appellant sub 40], die op het perceel Reth 4 een loods in gebruik heeft ten behoeve van zijn akkerbouwbedrijf, stelt dat met betrekking tot zijn perceel ten onrechte een reactieve aanwijzing is gegeven. Hij heeft onder meer aangevoerd dat het college niet bevoegd was tot het geven van deze aanwijzing, omdat het college tegen dit onderdeel van het plan geen zienswijzen naar voren heeft gebracht.

2.44.4. In de zienswijze heeft het college zich op het standpunt gesteld dat ten onrechte geen verkleining van bouwblokken heeft plaatsgevonden voor bedrijven die hebben deelgenomen aan de RBV-regeling. Niet in geschil is dat het op het perceel Reth 4 gevestigde agrarische bedrijf aan deze regeling heeft deelgenomen en dat het plan voor het perceel naar aanleiding van deze zienswijze niet is gewijzigd. Gelet daarop heeft de raad de zienswijze van het college op dit punt niet volledig overgenomen, zodat het aanwijzingsbesluit in zoverre niet in strijd is met artikel 3.8, zesde lid, gelezen in samenhang met het vierde lid, van de Wro.

2.44.5. [appellant sub 40] betoogt voorts dat de intensieve veehouderij van het bedrijf is gestaakt en de bebouwing die daarvoor in gebruik was is gesloopt, hetgeen een voorwaarde was voor toepassing van de RBV-regeling. Het akkerbouwbedrijf bestaat echter nog en voldoet aan de omvangseisen uit het bestemmingsplan voor de toekenning van een agrarisch bouwvlak, zodat dit bouwvlak in het plan terecht is toegekend. De aanwijzing is wat betreft de aanduiding "intensieve veehouderij" echter wel terecht gegeven, zodat zijn beroep niet daartegen is gericht.

2.44.6. Ter zitting hebben [appellant sub 40], het gemeentebestuur en het college zich, omdat de intensieve veehouderij op het perceel Reth 4 is gestaakt, de daarbij behorende bebouwing is gesloopt en de grondgebonden tak van het bedrijf is voortgezet, op het standpunt gesteld dat de reactieve aanwijzing terecht is gegeven wat betreft de toekenning van de aanduiding "intensieve veehouderij" aan het perceel, en voor het overige ten onrechte.

2.44.7. Nu het college zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan het in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat de reactieve aanwijzing met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Agrarisch, agrarisch bedrijf" aan het perceel Reth 4 niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het beroep van [appellant sub 40] is gegrond. Het bestreden besluit, voor zover daarbij een reactieve aanwijzing is gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Agrarisch, agrarisch bedrijf" aan het perceel Reth 4, dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

2.44.8. Gelet op het vorenstaande behoeft hetgeen [appellant sub 40] overigens heeft aangevoerd geen bespreking.

2.44.9. Ter voorlichting aan partijen merkt de Afdeling het volgende op. Naar aanleiding van deze uitspraak dient het gemeentebestuur het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, voor zover dat betrekking heeft op het toekennen van de bestemming "Agrarisch, agrarisch bedrijf" aan het perceel Reth 4 - maar niet voor zover daaraan de aanduiding "intensieve veehouderij" is toegekend -, onverwijld met inachtneming van de daarvoor geldende voorschriften bekend te maken, waarna daartegen, gedurende de in artikel 6:7 van de Awb genoemde termijn voor het indienen van een beroepschrift, voor belanghebbenden beroep bij de Afdeling openstaat.

Perceel Dorpsstraat 3

2.45. Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Bedrijf" aan het perceel Dorpsstraat 3.

2.45.1. In het plan is aan het perceel Dorpsstraat 3 de bestemming "Bedrijf" toegekend.

Ingevolge artikel 10, lid 10.1.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de betreffende gronden bestemd voor niet-agrarische bedrijven, conform de Staat van niet-agrarische bedrijven in lid 10.1.2.

Ingevolge lid 10.1.2, eerste volzin, zijn op de gronden op verbeelding 1 aangegeven als "Bedrijf" overeenkomstig de aanduiding uitsluitend toegestaan de bedrijven genoemd in de navolgende Staat van bedrijven, waarbij geldt dat de genoemd maximale oppervlakte aan bedrijfsbebouwing aangehouden dient te worden.

In de Staat van bedrijven staat voor Dorpsstraat 3 onder "aard van het bedrijf" vermeld "garagebedrijf" en onder "oppervlakte bedrijfsgebouwen (in m2)" 525.

2.45.2. Het college heeft aan de reactieve aanwijzing met betrekking tot het perceel Dorpsstraat 3 ten grondslag gelegd dat het bouwblok wat betreft bestemming en omvang niet is aangepast, terwijl de agrarische bedrijfsvoering volgens zijn gegevens door deelname aan de RBV-regeling ter plaatse is gestaakt. Er is geen op basis van de bestaande bebouwing passend bouwblok opgenomen. Onduidelijk is op basis van welke afwegingen deze herbestemming heeft plaatsgevonden. Het college acht dit in strijd met het provinciale belang.

2.45.3. [appellant sub 19], die op het perceel Dorpsstraat 3 een autobedrijf exploiteert, stelt dat deze reactieve aanwijzing ten onrechte is gegeven.

2.45.4. Het betoog van [appellant sub 19] dat het college niet bevoegd is tot het geven van de reactieve aanwijzing met betrekking tot het perceel Dorpsstraat 3 omdat het college ten aanzien hiervan geen zienswijzen heeft ingediend, faalt. Het college heeft in zijn zienswijze naar voren gebracht dat voor bedrijven die aan de RBV-regeling hebben deelgenomen ten onrechte geen verkleining van de toegekende bouwvlakken heeft plaatsgevonden. Ook is het plan voor wat betreft het perceel Dorpsstraat 3 gewijzigd vastgesteld, waarbij het in artikel 10 opgenomen maximale oppervlak voor bedrijfsbebouwing is gewijzigd van 500 m2 in 525 m2. Gelet hierop is het aanwijzingsbesluit in zoverre niet in strijd met artikel 3.8, zesde lid, gelezen in samenhang met het vierde lid, van de Wro.

2.45.5. [appellant sub 19] voert aan dat de gebouwen en het buitenterrein worden gebruikt voor het tentoonstellen van de auto's van zijn garagebedrijf.

Het bouwvlak in het plan is in overeenstemming met dat gebruik. Nu het bouwvlak is gemaximaliseerd op 525 m2 valt niet in te zien dat het bezwaarlijk is dat niet een nauw om de bebouwing begrensd bouwvlak is opgenomen. Bovendien bevindt het bedrijf zich, conform het provinciale beleid, in de kernrandzone, zodat niet valt in te zien dat de enkele omstandigheid dat het bouwvlak wat ruimer is dan het college wenselijk acht, van dermate groot provinciaal belang moet worden geacht dat het instrument van de reactieve aanwijzing op zijn plaats is.

2.45.6. Volgens paragraaf 4.11 van de Paraplunota behelsde het provinciale beleid ten tijde van het bestreden besluit dat voormalige agrarische bedrijfslocaties benut konden worden voor niet aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid onder de in die paragraaf opgenomen voorwaarden, waaronder de voorwaarde dat de bedrijfsgebouwen niet groter mogen zijn dan de voormalige agrarische bedrijfsgebouwen met een maximale oppervlakte van 400 m2.

Ingevolge artikel 11.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening - voor zover hier van belang - kan een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel of agrarisch gebied, niet zijnde een landbouwontwikkelingsgebied of een vestigingsgebied glastuinbouw, voorzien in een VAB-vestiging of een uitbreiding van een niet¬-agrarische ruimtelijke ontwikkeling mits de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een bestemmingsvlak met een omvang van meer dan 5.000 m2.

2.45.7. In de Staat van bedrijven staat voor Dorpsstraat 3 onder "aard van het bedrijf" vermeld "garagebedrijf" en onder "oppervlakte bedrijfsgebouwen (in m2)" 525.

2.45.8. Nu het plan voor het perceel Dorpsstraat 3 voorziet in een maximaal oppervlak voor bedrijfsbebouwing van 525 m2 heeft het college zich met juistheid op het standpunt gesteld dat het bestemmingsplan in zoverre in strijd is met het ten tijde van het bestreden besluit geldende provinciale beleid met betrekking tot het benutten van voormalige agrarische bedrijfslocaties voor niet aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid. Nu voorts vaststaat dat de omvang van het bestemmingsvlak met bestemming "Bedrijf" ongeveer 6000 m2 bedraagt, is het plan tevens in strijd met de algemene regels waarin het beleid met betrekking tot het benutten van voormalige agrarische bedrijfslocaties voor niet aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid, is omgezet.

2.45.9. Gezien het vorenstaande heeft het college, vooruitlopend op de vaststelling van de Verordening, in redelijkheid van de noodzaak van het geven van een reactieve aanwijzing met betrekking tot het perceel Dorpsstraat 3 kunnen uitgaan, gelet op artikel 3.8, zesde lid, gelezen in samenhang met artikel 4.2, eerste lid, van de Wro.

2.45.10. In hetgeen [appellant sub 19] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat provinciale belangen het geven van deze reactieve aanwijzing met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de thans bestaande bedrijfsbebouwing volgens het deskundigenrapport een omvang heeft van ongeveer 400 m2, zodat het college zich met juistheid op het standpunt stelt dat het plan bebouwing op thans onbebouwde ruimte mogelijk maakt. Daarbij is in het plan niet vastgelegd waar extra bebouwing mag worden opgericht. Mede gelet op de omvang van het bestemmingsvlak, heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat het plan in strijd is met het provinciale belang van zuinig ruimtegebruik.

Dat, zoals ter zitting door het gemeentebestuur is gesteld, het college onder vigeur van het bestemmingsplan "Buitengebied 1990" in het kader van een vrijstellingsprocedure een verklaring van geen bezwaar heeft verleend voor het oprichten van de bedrijfsgebouwen, vormt geen grond voor een ander oordeel. Gesteld is immers dat het college indertijd heeft aangegeven geen bezwaar te hebben tegen een bebouwingsomvang van 400 m2, of maximaal 460 m2, terwijl het plan bebouwing met een omvang van 525 m2 toestaat.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit, wat dit onderdeel betreft, anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 19] is ongegrond.

3. Thema Natuur

Het perceel aan de Heidreef, ten zuiden van de T-splitsing met de Heikantsestraat

2.46. Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Agrarisch, agrarisch bedrijf" aan het op bijlage 19 bij het bestreden besluit met rood omlijnde gedeelte van het perceel aan de Heidreef, ten zuiden van de T-splitsing met de Heikantsestraat (hierna: het perceel Heidreef 1).

2.46.1. In het plan is aan het perceel Heidreef 1, waar [appellant sub 18] een grondgebonden agrarisch bedrijf voert, de bestemming "Agrarisch, agrarisch bedrijf" toegekend.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1.1, onder a, zijn de voor "Agrarisch, agrarisch bedrijf" op verbeelding 1 aangewezen gronden bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijfsdoeleinden.

2.46.2. Het college heeft aan de reactieve aanwijzing ten grondslag gelegd dat gronden waar de aanwijzing betrekking op heeft volgens de EHS-kaarten van het college zijn aangewezen als bestaand bos- en natuurgebied en dat deze gronden in het plan niet adequaat zijn begrensd en beschermd.

2.46.3. [appellant sub 18] stelt dat deze reactieve aanwijzing ten onrechte is gegeven. Hij betoogt onder meer dat het college niet bevoegd was tot het geven van deze aanwijzing, omdat het college tegen dit onderdeel van het plan geen zienswijzen naar voren heeft gebracht.

2.46.4. De Afdeling stelt vast dat het college de planregeling voor het perceel Heidreef 1 in zijn zienswijzen tegen het ontwerpplan niet als zodanig heeft bestreden. Het in het aanwijzingsbesluit vervatte standpunt van het college dat de gronden waar de aanwijzing betrekking op heeft, gelet op hun ligging in de EHS, niet adequaat zijn begrensd en beschermd, is evenmin te herleiden tot de zienswijze. In de zienswijze is onder "Begrenzing EHS" vermeld dat de EHS in het plan in het algemeen op een goede manier wordt beschermd, maar dat in het plan ten onrechte niet is aangegeven welke gronden tot de EHS behoren. In de zienswijze is niet aangegeven dat in het plan van een onjuiste begrenzing van de EHS is uitgegaan of dat gronden met het oog op hun ligging in de EHS onjuist zijn bestemd.

Zoals hiervoor onder 2.10.3.1 is overwogen dient het college in de zienswijzen duidelijk aan te geven op welke onderdelen de raad het plan bij de vaststelling dient te wijzigen ten opzichte van het ontwerp om een reactieve aanwijzing te voorkomen. Daaraan is in de zienswijze naar het oordeel van de Afdeling op dit punt niet voldaan, zodat niet kan worden geoordeeld dat het college op dit punt een zienswijze heeft ingediend die door de raad niet volledig is overgenomen, zoals bedoeld in artikel 3.8, vierde lid, van de Wro. Voorts is het plan wat betreft het perceel Heidreef 1 bij de vaststelling niet gewijzigd ten opzichte van het ontwerpplan.

2.46.5. Uit het vorenstaande volgt dat het aanwijzingsbesluit in zoverre in strijd is met artikel 3.8, zesde lid, gelezen in samenhang met het vierde lid, van de Wro. Het beroep van [appellant sub 18] is gegrond. Het bestreden besluit, voor zover daarbij een reactieve aanwijzing is gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Agrarisch, agrarisch bedrijf" aan het op bijlage 19 bij het bestreden besluit met rood omlijnde gedeelte van het perceel aan de Heidreef, ten zuiden van de T-splitsing met de Heikantsestraat, dient te worden vernietigd.

Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden van [appellant sub 18] geen bespreking meer.

2.46.6. Ter voorlichting aan partijen merkt de Afdeling het volgende op. Naar aanleiding van deze uitspraak dient het gemeentebestuur het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, voor zover dat betrekking heeft op het op bijlage 19 bij het bestreden besluit met rood omlijnde gedeelte van het perceel aan de Heidreef, ten zuiden van de T-splitsing met de Heikantsestraat, onverwijld met inachtneming van de daarvoor geldende voorschriften bekend te maken, waarna daartegen, gedurende de in artikel 6:7 van de Awb genoemde termijn voor het indienen van een beroepschrift, voor belanghebbenden beroep bij de Afdeling openstaat.

Het perceel Grens 23, 67 t/m 91

2.47. Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Maatschappelijke doeleinden" met de nadere aanduiding "(klooster)" aan het op bijlage 20 bij het bestreden besluit met rood omlijnde gedeelte van het perceel Grens 23, 67 t/m 91.

2.47.1. Voorop moet worden gesteld dat op het op bedoelde bijlage met rood omlijnde gedeelte van het perceel Grens 23, 67 t/m 91 gedeeltelijk de bestemming "Maatschappelijk" met de aanduiding "kl" rust en gedeeltelijk de bestemming "Wonen" met de aanduiding "wl". Nu, zoals hiervoor onder 2.4.1 is overwogen, voor de strekking van de reactieve aanwijzing het dictum bepalend is, heeft de aanwijzing slechts betrekking op het deel van het op bijlage 20 met rood omlijnde perceel waar de bestemming "Maatschappelijk" met de aanduiding "kl" op rust.

2.47.2. In het plan is aan de desbetreffende gronden de bestemming "Maatschappelijk" met de aanduiding "kl" toegekend.

Ingevolge artikel 12, lid 12.1.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Maatschappelijk" op verbeelding 1 aangewezen gronden bestemd voor maatschappelijke doeleinden, conform de Staat van bijzondere doeleinden.

In de Staat van bijzondere doeleinden in artikel 12, lid 12.1.2, staat achter "M (kl)" als naam voorziening "klooster" vermeld, en als straatnaam "Grens".

Ingevolge artikel 12, lid 12.2.8, van de planregels mogen op de gronden gelegen binnen het bestemmingsvlak dat is aangeduid met "M (kl)" worden opgericht:

a. gebouwen ten behoeve van een woonzorgcomplex met een maximum van 50 woningen;

b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de toegestane doeleinden.

2.47.3. Het college heeft aan de reactieve aanwijzing met betrekking tot het perceel Grens 23, 67 t/m 91 ten grondslag gelegd dat het plan in zoverre voorziet in een bouwvlak dat is gelegen in de EHS, welke niet als zodanig op de verbeelding is aangegeven en evenmin wordt beschermd in de planregels, en dat tevens onduidelijk is hoe de nieuw te bouwen zorgwoningen zich verhouden tot de aanwezige natuurwaarden op het perceel. Het college acht het voorzien in een (nieuw) bouwvlak in de EHS ter plaatse in strijd met het provinciale belang.

2.47.4. Het gemeentebestuur en [appellant sub 21], die de op het perceel aanwezige bebouwing als woningen verhuurt en er tevens zorgappartementen wil realiseren, stellen dat de reactieve aanwijzing met betrekking tot het deel van het op bijlage 20 met rood omlijnde perceel waar de bestemming "Maatschappelijk" met de aanduiding "kl" op rust, ten onrechte is gegeven.

2.47.5. Het gemeentebestuur betoogt dat het college niet bevoegd was tot het geven van deze aanwijzing, omdat het college tegen dit onderdeel van het plan geen zienswijzen naar voren heeft gebracht.

2.47.6. Dit betoog faalt. In de zienswijze staat onder "Begrenzing en bescherming GHS" onder meer dat een adequate bescherming van natuurwaarden in de detailbestemming maatschappelijke doeleinden, zoals het klooster, ontbreekt. Het in het aanwijzingsbesluit vervatte standpunt van het college dat het plan voor het perceel Grens 23, 67 t/m 91 in zoverre voorziet in een bouwvlak dat is gelegen in de EHS, welke niet wordt beschermd in de planregels, steunt, gelet daarop, naar het oordeel van de Afdeling op de door het college ingediende zienswijzen. Gelet hierop is het aanwijzingsbesluit in zoverre niet in strijd met artikel 3.8, zesde lid, gelezen in samenhang met het vierde lid, van de Wro.

2.47.7. Volgens paragraaf 4.5 van de Paraplunota was het provinciale beleid er ten tijde van het bestreden besluit op gericht uitbreiding van stedelijk ruimtebeslag in de GHS te voorkomen en gold daarvoor het zogeheten "nee, tenzij" principe. Voorts staat in paragraaf 4.5.2 vermeld dat herbegrenzing van de EHS om andere dan ecologische redenen mogelijk is als een initiatief leidt tot een versterking van de natuur- en landschapswaarden in de betreffende regio.

2.47.8. Het gemeentebestuur en [appellant sub 21] betogen dat de aantasting van de EHS ter plaatse ruim wordt gecompenseerd doordat aan de zuid- en noordzijde van het perceel de bestemming van ongeveer 2,5 ha grond is gewijzigd van "Agrarisch" naar "Natuur en Bos". Volgens het gemeentebestuur zal natuurontwikkeling ter plaatse worden gewaarborgd doordat pas een aanlegvergunning voor het vellen van houtgewas en het creëren van oppervlakteverhardingen zal worden verleend nadat flinke stappen in de natuurontwikkeling zijn gemaakt.

2.47.9. Op de gronden waarop de aanwijzing betrekking heeft rustte ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied 1990" de bestemming "Bijzondere doeleinden" met de aanduiding "2". Ingevolge artikel 16 van de voorschriften bij dat plan mochten deze gronden worden gebruikt en gedeeltelijk worden bebouwd ten behoeve van een woonvoorziening voor bejaarden. Het voorgaande plan voorzag ter plaatse dus evenmin als het onderhavige plan in een natuurbestemming en wel in bebouwingsmogelijkheden. Voorts voorziet het onderhavige plan ten noorden van de gronden waarop de aanwijzing rust in een - deels in de EHS

gelegen - bestemmingsvlak met de bestemming "Natuur- en bosgebied", waarvoor voorheen de bestemming "Bijzondere doeleinden" met de aanduiding "2" gold. Tevens is een bestemmingsvlak ten zuiden van de gronden waar de aanwijzing op rust bestemd als "Natuur- en bosgebied", terwijl daar voorheen de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke en/of cultuurhistorische waarde" op rustte. Nu bedoelde percelen met de bestemming "Natuur- en bosgebied" aanzienlijk groter zijn dan de gronden waarop de aanwijzing rust, is niet onaannemelijk dat, zoals het gemeentebestuur en [appellant sub 21] betogen, de aantasting van de EHS ter plaatse ruim kan worden gecompenseerd en herbegrenzing tot de mogelijkheden behoort. Gelet hierop heeft het college niet aannemelijk gemaakt dat provinciale belangen het geven van een reactieve aanwijzing met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Maatschappelijk" met de aanduiding "kl" aan een deel van het perceel Grens 23, 67 t/m 91 met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken.

2.47.10. Uit het vorenstaande volgt dat het aanwijzingsbesluit in zoverre in strijd is met artikel 3.8, zesde lid, in samenhang met artikel 4.2, eerste lid, van de Wro. Het beroep van [appellant sub 21] is geheel, en het beroep van het gemeentebestuur is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit, voor zover daarbij een reactieve aanwijzing is gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Maatschappelijk" met de aanduiding "klooster" aan het op bijlage 20 bij het bestreden besluit met rood omlijnde gedeelte van het perceel Grens 23, 67 t/m 91, dient te worden vernietigd.

2.47.11. Ter voorlichting aan partijen merkt de Afdeling het volgende op. Naar aanleiding van deze uitspraak dient het gemeentebestuur het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, voor zover dat betrekking heeft op het toekennen van de bestemming "Maatschappelijk" met de aanduiding "kl" aan het op bijlage 20 bij het bestreden besluit met rood omlijnde gedeelte van het perceel Grens 23, 67 t/m 91, onverwijld met inachtneming van de daarvoor geldende voorschriften bekend te maken, waarna daartegen, gedurende de in artikel 6:7 van de Awb genoemde termijn voor het indienen van een beroepschrift, voor belanghebbenden beroep bij de Afdeling openstaat.

Het perceel in het bosje tussen L'Air Pur en de Belgische grens

2.48. Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Recreatiewoning" aan het perceel in het bosje tussen L'Air Pur en de Belgische grens (hierna: Schaluinen 15a).

2.48.1. In het plan is aan het perceel Schaluinen 15a de bestemming "Recreatie" met de aanduiding "Solitaire recreatiewoning" toegekend.

Ingevolge artikel 14, lid 14.1.1, aanhef, onder a, onder 2, van de planregels zijn de op verbeelding 1 voor "Recreatie" aangewezen gronden bestemd voor recreatief nachtverblijf op solitaire recreatiewoningen binnen de bestemming "Recreatie", van personen die hun woon- of verblijfplaats elders hebben.

2.48.2. Het college heeft aan de reactieve aanwijzing ten grondslag gelegd dat op het in het bosgebied gelegen perceel Schaluinen 15a een solitaire recreatiewoning is opgenomen waar dat in het voorheen geldende bestemmingsplan niet het geval was. Het college beschouwt deze woning als een nieuwvestiging. Nieuwvestiging van solitaire recreatiewoningen is vanuit het oogpunt van het tegengaan van verstening van het buitengebied en bescherming en ontwikkeling van ecologische waarden in strijd met het provinciaal belang.

2.48.3. [appellant sub 26A] en [appellant sub 26B], eigenaren van de recreatiewoning op het perceel Schaluinen 15a, en het gemeentebestuur stellen dat deze reactieve aanwijzing ten onrechte is gegeven.

2.48.4. Het gemeentebestuur betoogt onder meer dat het college niet bevoegd was tot het geven van deze aanwijzing, omdat het college tegen dit onderdeel van het plan geen zienswijzen naar voren heeft gebracht.

2.48.5. De Afdeling stelt vast dat het college de planregeling voor het perceel Schaluinen 15a in zijn zienswijzen tegen het ontwerpplan niet als zodanig heeft bestreden. Het in het aanwijzingsbesluit vervatte standpunt van het college dat de planregeling strijdig is met het provinciaal belang omdat sprake is van de nieuwvestiging van een solitaire recreatiewoning is evenmin te herleiden tot de zienswijze. In de zienswijze is onder "Recreatiewoningen" vermeld dat het ontwerpplan nieuwbouw van recreatiewoningen mogelijk maakt, en wel door middel van een uitbreiding van recreatiewoningen op de parken De Kievit en De Paddock, en dat niet is gebleken dat bedrijfsmatige exploitatie van de recreatiewoningen bij de vaststelling van het plan verzekerd is. Dat de zienswijze tevens betrekking heeft op solitaire recreatiewoningen zoals de woning op het perceel Schaluinen 15a, valt hier niet uit af te leiden. Zoals hiervoor onder 2.10.3.1 is overwogen dient het college in de zienswijzen duidelijk aan te geven op welke onderdelen de raad het plan bij de vaststelling dient te wijzigen ten opzichte van het ontwerp om een reactieve aanwijzing te voorkomen. Daaraan is in de zienswijze naar het oordeel van de Afdeling op dit punt niet voldaan, zodat niet kan worden geoordeeld dat het college op dit punt een zienswijze heeft ingediend die door de raad niet volledig is overgenomen, zoals bedoeld in artikel 3.8, vierde lid, van de Wro. Voorts is het plan wat betreft het perceel Schaluinen 15a bij de vaststelling niet gewijzigd ten opzichte van het ontwerpplan. Het betoog slaagt.

2.48.6. Uit het vorenstaande volgt dat het aanwijzingsbesluit in zoverre in strijd is met artikel 3.8, zesde lid, in samenhang met het vierde lid, van de Wro. Het beroep van [appellant sub 26A] en [appellant sub 26B] is geheel en het beroep van het gemeentebestuur is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit, voor zover daarbij een reactieve aanwijzing is gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "recreatiewoning" aan het perceel in het bosje tussen L'Air Pur en de Belgische grens (Schaluinen 15a) dient te worden vernietigd.

Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden met betrekking tot deze reactieve aanwijzing geen bespreking meer.

2.48.7. Ter voorlichting aan partijen merkt de Afdeling het volgende op. Naar aanleiding van deze uitspraak dient het gemeentebestuur het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, voor zover dat betrekking heeft op het perceel Schaluinen 15a, onverwijld met inachtneming van de daarvoor geldende voorschriften bekend te maken, waarna daartegen, gedurende de in artikel 6:7 van de Awb genoemde termijn voor het indienen van een beroepschrift, voor belanghebbenden beroep bij de Afdeling openstaat.

Slot

2.49. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van het college van burgemeester en wethouders van Baarle-Nassau voor zover het betrekking heeft op de percelen Reth 18, Kapelstraat 44, Hoogstratensebaan 39 en Bredaseweg 29a, het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Certitudo Baarle Nassau B.V. en anderen voor zover het betrekking heeft op de uitbreiding van Parc de Kievit met zorgappartementen, en de beroepen van [appellant sub 39], [appellante sub 22], waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B], [appellante sub 31], waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B], [appellante sub 13], [appellant sub 34] en van [appellant sub 27A] en [appellant sub 27B] niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van het college van burgemeester en wethouders van Baarle-Nassau, van [appellant sub 12] en van [appellant sub 5A] en [appellante sub 5B] gedeeltelijk, en de beroepen van [appellant sub 10], [appellant sub 8], [appellant sub 6], [appellant sub 16], [appellant sub 33], [appellant sub 30A] en [appellante sub 30B], [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B], [appellant sub 20], [appellant sub 28], [appellant sub 38], [appellant sub 11], [appellant sub 37], [appellant sub 4], [appellanten sub 15], [appellant sub 9A] en [appellante sub 9B], [appellant sub 9C] en [appellant sub 9D], waarvan de maten zijn [appellant sub 9A], [appellant sub 9C] en [appellant sub 9D], [appellant sub 17], [appellant sub 40], [appellant sub 18], [appellant sub 21A] en [appellante sub 21B] en van [appellant sub 26A] en [appellant sub 26B] geheel gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 25 augustus 2009, kenmerk 1563973/1573347, voor zover daarbij ten aanzien van het op 16 juli 2009 door de gemeenteraad van Baarle-Nassau vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied 2008" reactieve aanwijzingen zijn gegeven met betrekking tot:

- het toekennen van de bestemming "Agrarisch-technisch hulpbedrijf" aan de percelen Groot Bedaf ongenummerd tegenover nr. 5 en Visweg 1b,

- het toekennen van de bestemming "Bedrijf" aan de percelen Eikelenbosch ongenummerd naast nr. 3, Alphenseweg tegenover nr. 41 en Reth 8,

- het toekennen van de bestemming "Wonen" aan de percelen Kruising Heimolen/Molenbaan/Tommel, Hoogstratensebaan 35-37 en Oude Bredasebaan 29,

- het toekennen van de bestemming "Wonen" aan het perceel Boschoven 11, voor zover deze aanwijzing betrekking heeft op het deel van het perceel waaraan in het ontwerpplan reeds de bestemming "Wonen" was toegekend,

- de regeling met betrekking tot het toestaan van schuilgelegenheden zoals opgenomen in artikel 3, lid 3.2.6, artikel 8, lid 8.2.6 en artikel 9, lid 9.2.6,

- het toekennen van de bestemming "Agrarisch, agrarisch bedrijf" aan de percelen Oordeelsestraat achter nr. 60, Luktebaan 2 en Meerleseweg ten noorden van nr. 4 en Gorpeind 4,

- het toekennen van de bestemming "Agrarisch, agrarisch bedrijf" met de aanduiding "intensieve veehouderij" aan de percelen Heihoef 1, Molenstraat 20, Haldijk 7, Boschoven 24, Bredaseweg 15, Boschoven ongenummerd (Boschoven 3), Groot Bedaf 12, Bredaseweg 21, Beemdendreef 4 en Beemdendreef 6,

- het toekennen van de bestemming "Agrarisch, agrarisch bedrijf" aan het perceel Reth 4,

- het toekennen van de bestemming "Agrarisch, agrarisch bedrijf" aan het op bijlage 19 bij het bestreden besluit met rood omlijnde gedeelte van het perceel aan de Heidreef, ten zuiden van de T-splitsing met de Heikantsestraat,

- het toekennen van de bestemming "Maatschappelijk" met de nadere aanduiding "klooster" aan het op bijlage 20 bij het bestreden besluit met rood omlijnde gedeelte van het perceel Grens 23, 67 t/m 91,

- het toekennen van de bestemming "recreatiewoning" aan het perceel in het bosje tussen L'Air Pur en de Belgische grens (Schaluinen 15a);

IV. verklaart de beroepen van het college van burgemeester en wethouders van Baarle-Nassau, van [appellant sub 12], van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Certitudo Baarle Nassau B.V. en anderen en van [appellant sub 5A] en [appellante sub 5B] voor het overige, en de beroepen van [appellant sub 14A] en [appellant sub 14B], [appellante sub 41], [appellant sub 23], [appellant sub 3], [appellant sub 36], [appellant sub 35], [appellant sub 32], [appellant sub 24] en van [appellant sub 19] geheel ongegrond;

V. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van:

- de bij het college van burgemeester en wethouders van Baarle-Nassau in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- de bij [appellant sub 39] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1092,50 (zegge: duizendtweeënnegentig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- de bij [appellant sub 10] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- de bij [appellant sub 8] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- de bij [appellant sub 6] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1092,50 (zegge: duizendtweeënnegentig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- de bij [appellante sub 22], waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B], in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- de bij [appellante sub 31], waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B], in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1092,50 (zegge: duizendtweeënnegentig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- de bij [appellante sub 13] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1092,50 (zegge: duizendtweeënnegentig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- de bij [appellant sub 34] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 655,50 (zegge: zeshonderdvijfenvijftig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- de bij [appellant sub 16] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- de bij [appellant sub 12] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1092,50 (zegge: duizendtweeënnegentig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- de bij [appellant sub 33] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1092,50 (zegge: duizendtweeënnegentig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- de bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Certitudo Baarle Nassau B.V. en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

- de bij [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1092,50 (zegge: duizendtweeënnegentig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

- de bij [appellant sub 20] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- de bij [appellant sub 28] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1092,50 (zegge: duizendtweeënnegentig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- de bij [appellant sub 38] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- de bij [appellant sub 37] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- de bij [appellant sub 4] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- de bij [appellanten sub 15] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1092,50 (zegge: duizendtweeënnegentig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

- de bij [appellant sub 9A] en [appellante sub 9B], M.C. van Dun en [appellant sub 9D], waarvan de maten zijn [appellant sub 9A], [appellant sub 9C] en [appellant sub 9D], in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

- de bij [appellant sub 17] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- de bij [appellant sub 40] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- de bij [appellant sub 18] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- de bij [appellant sub 26A] en [appellant sub 26B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 682,81 (zegge: zeshonderdtweeëntachtig euro en eenentachtig cent), waarvan € 655,50 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

VI. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van:

- € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) voor het college van burgemeester en wethouders van Baarle-Nassau,

- € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 39],

- € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 10],

- € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 8],

- € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 6],

- € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) voor [appellante sub 22], waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B],

- € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) voor [appellante sub 31], waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B],

- € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) voor [appellante sub 13],

- € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 34],

- € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 16],

- € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 12],

- € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 33],

- € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 27A] en [appellant sub 27B], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander,

- € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 30A] en [appellante sub 30B], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander,

- € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) voor de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Certitudo Baarle Nassau B.V. en anderen, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen,

- € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 5A] en [appellante sub 5B], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander,

- € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander,

- € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 20],

- € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 28],

- € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 38],

- € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 11],

- € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 37],

- € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 4],

- € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellanten sub 15], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander,

- € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) voor [appellant sub 9A] en [appellante sub 9B], [appellant sub 9C] en [appellant sub 9D], waarvan de maten zijn [appellant sub 9A], [appellant sub 9C] en [appellant sub 9D], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander,

- € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 17],

- € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 40],

- € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 18],

- € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 21A] en [appellante sub 21B], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.I. Breunese-van Goor, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Breunese-van Goor

Voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2011

413-208.