Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BT8570

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-10-2011
Datum publicatie
19-10-2011
Zaaknummer
201106461/1/R3 en 201106461/2/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 april 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Ambtswoning" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201106461/1/R3 en 201106461/2/R3.

Datum uitspraak: 14 oktober 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te Baarle-Nassau,

en

de raad van de gemeente Baarle-Nassau,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 april 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Ambtswoning" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 juni 2011, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 5 juli 2011.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 juni 2011, hebben [appellant] en anderen de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 22 september 2011, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door M.L.M. Verbruggen, bijgestaan door mr. F.H. Damen, advocaat te Tilburg, en de raad, vertegenwoordigd door mr. A.J.H. Keijsers , werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Verder is ter zitting [belanghebbende], vertegenwoordigd door A. Wouters, verschenen.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. Het plan voorziet onder meer in de mogelijkheid in de Rector van den Broekstraat een appartementencomplex te bouwen met tien gestapelde woningen en een parkeerkelder.

2.3. [appellant] en anderen stellen dat het plan in stedenbouwkundig opzicht onaanvaardbaar is. De bouwhoogte van het appartementencomplex is volgens hen aanzienlijk groter dan die van de woningen in de omgeving en de bouwmassa past niet in het kleinschalig karakter van de straat. Het gaat hier met name om de verhouding tussen de bouwhoogte van het appartementencomplex en de afstand van het complex tot de straat. Volgens [appellant] en anderen dient de afstand van de rooilijn van het gebouw tot aan de as van de weg ongeveer gelijk te zijn aan de maximaal toegestane bouwhoogte. Deze bouwhoogte is echter aanzienlijk groter dan de afstand tot aan de as van de straat, waardoor volgens hen een effect van vernauwing ontstaat.

Verder voeren [appellant] en anderen aan dat, anders dan de raad stelt, het voorliggende plan voorziet in een aanzienlijke toename van de bouwhoogte, bouwdiepte en frontbreedte ten opzichte van de maximale bouwmogelijkheden van het vorige plan. Daarbij stellen zij dat het vorige plan pas sinds 2007 van kracht is en de raad niet afdoende heeft gemotiveerd dat het noodzakelijk is om dat plan te wijzigen en daarbij ruimere bouwmogelijkheden toe te staan.

2.3.1. Het vorige bestemmingsplan "Centrum Noord-Oost en Brede School", dat de raad op 12 april 2007 heeft vastgesteld en het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant op 23 juli 2007 heeft goedgekeurd, maakte ter plaatse een appartementencomplex met een frontbreedte van ongeveer 36 m en een diepte van 15 m mogelijk.

Ingevolge artikel 3, lid 3.2.2, onder f, van de planvoorschriften van dat plan bedroeg de maximaal toegestane nokhoogte van een hoofdgebouw 10 m.

Ingevolge lid 3.2.2, onder g, bedroeg de maximaal toegestane bouwhoogte ingeval van een plat dakvlak met daarop een dakopbouw 9 m, waarbij de maximaal toegestane bouwhoogte van het hoofdgebouw 6 m bedroeg.

Blijkens de verbeelding van het voorliggende plan heeft het bouwvlak van het voorziene appartementencomplex een frontbreedte van ongeveer 45 m en een diepte van 17,5 m onderscheidenlijk ter plaatse van de entreeportalen 18,5 m.

Ingevolge artikel 4, lid 4.2.2, onder d, van de planregels mag de bouwhoogte van het hoofdgebouw maximaal 11 m bedragen, met dien verstande dat het hoofdgebouw moet worden voorzien van een setback, onder de volgende voorwaarden:

1. de bouwhoogte tot en met de setback mag maximaal 10,5 m bedragen, de hoogte van het hoofdgebouw tot en met de tweede bouwlaag mag maximaal 8 m bedragen;

2. de setback mag niet meer dan 80% van het dakvlak beslaan;

3. de setback dient aan de naar de openbare weg en/of groenvoorzieningen gekeerde zijde en achterzijde van het hoofdgebouw minimaal 2 m uit de rand van het dakvlak te worden gesitueerd.

2.3.2. De voorzitter overweegt dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat in de Rector van den Broekstraat niet alleen laagbouw voorkomt, maar ook hoge gebouwen met drie bouwlagen aanwezig zijn, zoals het appartementencomplex Le Monastère, de appartementen van Amarant en het appartementencomplex De Croon. Ook elders in het centrum staan hoge gebouwen, zoals het gemeentehuis, het kantoor van de Rabobank en de Brede School De Uilenpoort. Verder is in het plan rekening gehouden met de omliggende bebouwing, doordat is voorgeschreven dat het beoogde appertementencomplex moet zijn voorzien van een terugliggende derde bouwlaag. Aan de omstandigheid dat de afstand van het appartementencomplex, vooral ter plaatse van de entreeportalen, tot aan de as van de weg minder bedraagt dan de maximaal toegestane bouwhoogte, behoefde de raad naar het oordeel van de voorzitter niet de conclusie te verbinden dat dat rechtens niet geoorloofd zou zijn, waarbij van belang is dat de raad ter zake een grote mate van beslissingsvrijheid heeft. Daarom ziet de voorzitter, gelet op diepte en frontbreedte van het bouwvlak en de maximaal toegestane bouwhoogte, evenmin aanleiding voor het oordeel dat de raad het voorziene appartementencomplex uit stedenbouwkundig oogpunt niet aanvaardbaar heeft kunnen achten.

Verder heeft de raad zich, gelet op het voorgaande, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het voorliggende plan slechts in beperkte mate afwijkt van het vorige plan. Volgens de plantoelichting heeft de raad het plan vastgesteld, omdat de voorgenomen ontwikkelingen net niet binnen het vorige plan konden worden ingepast. In het enkele feit dat het vorige plan slechts enkele jaren geleden is vastgesteld, ziet de voorzitter, gegeven de aanzienlijke beslissingsvrijheid van de raad om tot herziening van een bestemmingsplan over te gaan, geen aanleiding voor het oordeel dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd dat een herziening van het vorige plan noodzakelijk is.

2.4. In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover bestreden, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

2.5. Gelet hierop bestaat aanleiding om het verzoek om een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep ongegrond;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van staat.

w.g. Polak w.g. Kooijman

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2011

177-656.