Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BT8568

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-10-2011
Datum publicatie
19-10-2011
Zaaknummer
201102492/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 20 juni 2009 heeft de Belastingdienst de aan [appellante] toegekende voorschotten kinderopvangtoeslag over de jaren 2008 en 2009 herzien en vastgesteld op nihil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201102492/1/H2.

Datum uitspraak: 19 oktober 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Capelle aan den IJssel,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 januari 2011 in zaak nr. 10/2655 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

1. Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 20 juni 2009 heeft de Belastingdienst de aan [appellante] toegekende voorschotten kinderopvangtoeslag over de jaren 2008 en 2009 herzien en vastgesteld op nihil.

Bij besluit van 28 mei 2010 heeft de Belastingdienst het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 januari 2011, verzonden op 18 januari 2011, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 28 mei 2010 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 februari 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 24 maart 2011.

De Belastingdienst heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 augustus 2011, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. T.E. van der Bent, advocaat te Zeist, en de Belastingdienst, vertegenwoordigd door mr. F.L.M. Schütz, werkzaam bij de Belastingdienst, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1a, eerste lid, van de Wet kinderopvang (hierna: de Wko), zoals deze wet luidde ten tijde hier van belang en voor zover hier van belang, is op deze wet de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir), met uitzondering van artikel 49 (voor 1 januari 2009) en artikel 5 (na 1 januari 2009), van toepassing.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, voor zover hier van belang, heeft een ouder aanspraak op een kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten jegens het Rijk, indien het betreft gastouderopvang die plaatsvindt door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau.

Ingevolge artikel 52 geschiedt kinderopvang op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de houder en de ouder.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de Awir wordt een tegemoetkoming op aanvraag toegekend door de Belastingdienst.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, verleent, indien de tegemoetkoming naar verwachting niet binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag zal worden toegekend, de Belastingdienst de belanghebbende een voorschot tot het bedrag waarop de tegemoetkoming vermoedelijk zal worden vastgesteld.

Ingevolge het vierde lid kan de Belastingdienst het voorschot herzien.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, verstrekken een belanghebbende, een partner en een medebewoner de Belastingdienst desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn.

Ingevolge artikel 11, derde lid, aanhef en onder c, van de Regeling Wet kinderopvang (hierna: de Regeling), voor zover hier van belang, bevat de administratie van een gastouderbureau tevens de volgende gegevens: afschriften van alle met vraagouders overeengekomen schriftelijke overeenkomsten, vermeldende per overeenkomst: de voor de gastouderopvang te betalen prijs per uur en […] de naam, geboortedatum, adres, postcode en woonplaats van het kind, het aantal uren gastouderopvang per kind per jaar, evenals de duur van de overeenkomst.

2.2. Op 10 mei 2007 heeft [appellante] een aanvraag ingediend voor een kinderopvangtoeslag. Zij heeft daarbij aangegeven dat zij gebruik maakt van gastouderopvang door bemiddeling van [gastouderbureau] te Gorinchem. In verband met die aanvraag heeft de Belastingdienst aan [appellante] voorschotten kinderopvangtoeslag over de jaren 2008 en 2009 verleend. Met ingang van 20 oktober 2008 is de registratie van [gastouderbureau] te Gorinchem beëindigd.

Op 2 december 2009 heeft [appellante] aan de Belastingdienst doorgegeven dat zij met ingang van 1 augustus 2008 gebruik maakt van bemiddeling door [gastouderbureau] te Hoogeveen.

De Belastingdienst heeft aan de herziening van de toegekende voorschotten onder meer ten grondslag gelegd het ontbreken van een verklaring omtrent het gedrag van de gastouder.

2.3. De rechtbank heeft het besluit van 28 mei 2010 vernietigd omdat de Belastingdienst in strijd met de Wko heeft gehandeld door aan de herziening het ontbreken van een verklaring omtrent het gedrag ten grondslag te leggen. Vervolgens heeft de rechtbank de rechtsgevolgen hiervan in stand gelaten, omdat de Belastingdienst zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellante] over de jaren 2008 en 2009 geen recht heeft op voorschotten kinderopvangtoeslag. Daartoe heeft zij overwogen dat een overeenkomst met het gastouderbureau te Gorinchem ontbreekt evenals de datum van ondertekening op de overeenkomsten tussen [appellante] en het gastouderbureau te Hoogeveen.

2.4. [appellante] komt in hoger beroep op tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit. In dit verband betoogt zij dat de rechtbank ten onrechte de aan het besluit van 28 mei 2010 ten grondslag gelegde motivering heeft gewijzigd en buiten haar bevoegdheid is getreden.

2.4.1. Ingeval een besluit wordt vernietigd, dient de rechtbank de mogelijkheden van finale beslechting van het geschil te onderzoeken, waarbij onder meer aan de orde is of er aanleiding is om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 26 maart 2008 in zaak nr. 200705490/1), is voor het in stand laten van de rechtsgevolgen niet vereist dat nog slechts één beslissing mogelijk is. In een geval als het onderhavige kan er uit een oogpunt van proceseconomie aanleiding zijn om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten indien het bestuursorgaan vasthoudt aan zijn besluit en alsnog het besluit voldoende motiveert en de andere partijen zich daarover in voldoende mate hebben kunnen uitlaten. Daarbij is beslissend of de inhoud van het vernietigde besluit na de kenbaar gemaakte motivering de rechterlijke toets kan doorstaan.

De rechtbank heeft overwogen dat de Belastingdienst door zich in haar brief van 9 december 2010 op het standpunt te stellen dat niet is gebleken van een overeenkomst met het gastouderbureau te Gorinchem en evenmin met het gastouderbureau te Hoogeveen nu de datum van ondertekening op de overeenkomsten met het gastouderbureau te Hoogeveen ontbreekt, alsnog heeft gemotiveerd welke overwegingen tot het besluit van 28 mei 2010 hebben geleid. Derhalve was er, gelet op het hiervoor overwogene, aanleiding voor de rechtbank te onderzoeken of op grond van deze nadere toelichting de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand konden worden gelaten.

[appellante] is hierdoor, anders dan zij aanvoert, niet in een nadeliger positie gebracht, nu het besluit op bezwaar van 28 mei 2010 er toe strekte dat zij geen aanspraak kan maken op voorschotten kinderopvangtoeslag over de jaren 2008 en 2009 en zij derhalve niet in een slechtere positie is komen te verkeren dan in het geval zij geen beroep zou hebben ingesteld tegen het besluit op bezwaar. Voorts is in aanmerking genomen dat de Belastingdienst bij een enkele vernietiging van het besluit van 28 mei 2010 opnieuw op de bezwaren van [appellante] zou hebben moeten beslissen, waarbij de Belastingdienst deze met de motivering weergegeven in de brief van 9 december 2010 ongegrond zou hebben verklaard. Evenmin is de rechtbank hiermee buiten de omvang van het geschil getreden, nu het geschil ziet op het al dan niet terecht op nihil vaststellen van de voorschotten kinderopvangtoeslag over de jaren 2008 en 2009. Uit de aangevallen uitspraak volgt voorts dat de rechtbank heeft bezien of de nadere motivering die de Belastingdienst heeft gegeven de rechterlijke toetsing kan doorstaan. De rechtbank heeft derhalve, anders dan [appellante] betoogt, niet zelf de motivering, die aan het besluit van 28 mei 2010 ten grondslag ligt, gewijzigd.

Het betoog faalt.

2.5. Voorts betoogt [appellante] dat de rechtbank heeft miskend dat zij wel een overeenkomst met het gastouderbureau te Gorinchem heeft gesloten.

Verder betoogt zij dat de door haar overgelegde overeenkomsten met het gastouderbureau te Hoogeveen voldoen aan artikel 11, derde lid, aanhef en onder c, van de Regeling. Het ontbreken van een datum van ondertekening kan haar dan ook niet worden tegengeworpen.

2.5.1. Zowel in de eerst op 10 augustus 2011 overgelegde overeenkomst met het gastouderbureau te Gorinchem over het jaar 2008 als in de overeenkomsten met het gastouderbureau te Hoogeveen over augustus 2008, september 2008 tot en met december 2008 en het jaar 2009. ontbreekt de datum van ondertekening.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 27 juli 2011 in zaak nr. 201100797/1/H2) bestaat geen recht op een voorschot kinderopvangtoeslag indien geen sprake is van een overeenkomst als bedoeld in artikel 52 van de Wko die de basis vormt voor de kinderopvang. Dit betekent gelezen in samenhang met artikel 18, eerste lid, van de Awir dat degene die stelt recht te hebben op een voorschot kinderopvangtoeslag dat aan de hand van een schriftelijke overeenkomst met de houder moet aantonen. Nu in de overgelegde overeenkomsten de datum van ondertekening ontbreekt, staat niet vast dat de kinderopvang op basis van die overeenkomsten heeft plaatsgevonden en kunnen de overeenkomsten niet als bewijs voor kinderopvang dienen. De elementen die een overeenkomst ingevolge artikel 11, derde lid, aanhef en onder c, van de Regeling moet bevatten, zien op de inhoud van de overeenkomst, en doen niet af aan het voorgaande.

Gezien het gebrek in de overeenkomst met het gastouderbureau te Gorinchem over het jaar 2008 behoeft de hogerberoepsgrond van [appellante] dat deze overeenkomst stilzwijgend is verlengd omdat het gaat om hetzelfde gastouderbureau en de onderlinge relatie niet is gewijzigd, geen bespreking.

Het betoog faalt.

2.6. Nu [appellante] de gelegenheid heeft gehad om voorafgaande aan de zitting en ter zitting bij de rechtbank te reageren op de nadere motivering van de Belastingdienst, faalt haar betoog dat zij onvoldoende in de gelegenheid is gesteld hierop te reageren.

2.7. [appellante] voert tenslotte aan dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op alle in beroep aangevoerde gronden.

2.7.1. De rechtbank heeft aan haar oordeel ten grondslag gelegd dat de Belastingdienst op goede gronden de voorschotten kinderopvangtoeslag over de jaren 2008 en 2009 heeft kunnen herzien. De beroepsgronden van [appellante] die de rechtbank niet expliciet heeft besproken, kunnen aan dat oordeel niet afdoen. Nu de rechtbank gezien het vorenoverwogene terecht en op goede gronden tot dat oordeel is gekomen, kan deze hogerberoepsgrond niet tot het hiermee beoogde doel leiden.

2.8. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht de rechtsgevolgen van het besluit van 28 mei 2010 in stand gelaten.

2.9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. F.C.M.A. Michiels en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Bindels

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2011

85-680.