Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BT8556

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-10-2011
Datum publicatie
19-10-2011
Zaaknummer
201101161/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 september 2009 heeft de Belastingdienst het aan [appellant] toegekende voorschot kinderopvangtoeslag over het jaar 2008 herzien en over de periode januari 2008 tot en met november 2008 vastgesteld op nihil en over december 2008 vastgesteld op een bedrag van € 1.023,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2012/29 met annotatie van B.W.N. de Waard
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201101161/1/H2.

Datum uitspraak: 19 oktober 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Rotterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 december 2010 in zaak nr. 10/1235 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 september 2009 heeft de Belastingdienst het aan [appellant] toegekende voorschot kinderopvangtoeslag over het jaar 2008 herzien en over de periode januari 2008 tot en met november 2008 vastgesteld op nihil en over december 2008 vastgesteld op een bedrag van € 1.023,00.

Bij besluit van 27 augustus 2010 heeft de Belastingdienst het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het voorschot kinderopvangtoeslag over het jaar 2008 op nihil vastgesteld.

Bij uitspraak van 16 december 2010, verzonden op 17 december 2010, heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 januari 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 21 februari 2011.

De Belastingdienst heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 augustus 2011, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. T.E. van der Bent, advocaat te Zeist, en de Belastingdienst, vertegenwoordigd door mr. F.L.M. Schütz, werkzaam bij de Belastingdienst, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1a, eerste lid, van de Wet kinderopvang (hierna: de Wko), zoals deze wet luidde ten tijde hier van belang, is op deze wet de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir), met uitzondering van artikel 49, van toepassing.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, voor zover hier van belang, heeft een ouder aanspraak op een kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten jegens het Rijk, indien het betreft gastouderopvang die plaatsvindt door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, is de hoogte van de kinderopvangtoeslag afhankelijk van:

a. de draagkracht, en

b. de kosten van kinderopvang per kind die worden bepaald door:

1˚ het aantal uren kinderopvang per kind in het berekeningsjaar,

2˚ de voor die kinderopvang te betalen prijs, met inachtneming van het bedrag, bedoeld in het tweede lid, en

3˚ de soort kinderopvang.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de Awir wordt een tegemoetkoming op aanvraag toegekend door de Belastingdienst.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, verleent, indien de tegemoetkoming naar verwachting niet binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag zal worden toegekend, de Belastingdienst de belanghebbende een voorschot tot het bedrag waarop de tegemoetkoming vermoedelijk zal worden vastgesteld.

Ingevolge het vierde lid kan de Belastingdienst het voorschot herzien.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, verstrekken een belanghebbende, een partner en een medebewoner de Belastingdienst desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn.

2.2. Bij besluit van 7 maart 2008 heeft de Belastingdienst aan [appellant] een voorschot kinderopvangtoeslag over het jaar 2008 verstrekt ten bedrage van € 18.914,00. [appellant] heeft dit voorschot aangevraagd voor de opvang van zijn twee kinderen door zijn [broer] (hierna: de gastouder), door tussenkomst van [gastouderbureau].

Aan het besluit van 30 september 2009 heeft de Belastingdienst ten grondslag gelegd dat uit controle is gebleken dat bij de berekening van het voorschot is uitgegaan van onjuiste gegevens. In het besluit op bezwaar van 27 augustus 2010 heeft de Belastingdienst zich op het standpunt gesteld dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij kosten voor de opvang van zijn kinderen heeft gemaakt en dat hij daarom geen recht heeft op een voorschot kinderopvangtoeslag over 2008.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de Belastingdienst dit laatste standpunt heeft kunnen innemen.

2.3. [appellant] betoogt allereerst dat de rechtbank heeft miskend dat hij door het besluit op bezwaar van 27 augustus 2010 in een nadeliger positie is komen te verkeren.

2.3.1. Allereerst wordt overwogen dat in de bezwaarprocedure een volledige heroverweging van het genomen besluit dient plaats te vinden en dat dit kan betekenen dat het besluit op bezwaar met andere argumenten wordt onderbouwd dan het primaire besluit. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 3 december 2008 in zaak nr. 200802001/1) volgt uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) dat het bezwaarschrift er niet toe mag leiden dat het bestuursorgaan de heroverweging gebruikt om een verslechtering van de positie van de indiener te bereiken die zonder bezwaarschriftprocedure niet mogelijk zou zijn. Dit betekent dat het bestuursorgaan het besluit, voor zover het door het bezwaarschrift wordt bestreden, moet heroverwegen en moet nagaan of dit tot een voor de indiener gunstiger resultaat leidt. Leidt de heroverweging tot een voor de indiener ongunstiger resultaat, dan is dat alleen toelaatbaar indien het bestuursorgaan ook zonder dat het bezwaarschrift zou zijn ingediend tot wijziging van het bestreden besluit ten nadele van de indiener bevoegd zou zijn. Artikel 7:11 van de Awb verzet zich er in zo'n geval niet tegen dat een zodanige wijziging bij het besluit op het bezwaarschrift wordt bewerkstelligd.

Aan het besluit van 27 augustus 2010 ligt ten grondslag dat de Belastingdienst het na nader onderzoek niet aannemelijk acht dat kosten voor kinderopvang zijn gemaakt en dat [appellant] over het jaar 2008 geen recht heeft op een voorschot kinderopvangtoeslag. De rechtbank heeft in dit verband terecht en op goede gronden overwogen dat de Belastingdienst ingevolge artikel 16, vierde lid, van de Awir een verleend voorschot kan herzien, ook los van de onderhavige procedure. Anders dan [appellant] betoogt heeft de rechtbank hierbij niet het vertrouwens- of rechtszekerheidsbeginsel geschonden.

Het betoog faalt.

2.4. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de Belastingdienst hem had moeten horen, alvorens hij bij besluit van 27 augustus 2010 op de bezwaren kon beslissen. In dit verband wijst [appellant] op de andersluidende motivering die de Belastingdienst aan dat besluit ten grondslag heeft gelegd.

2.4.1. Ingevolge artikel 7:2, eerste lid, van de Awb stelt een bestuursorgaan, voordat het op het bezwaar beslist, belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord.

Ingevolge artikel 7:3, aanhef en onder b, kan van het horen van belanghebbenden worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is.

2.4.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 10 maart 2009 in zaak nr. 200805053/1) mag van het horen slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb worden afgezien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet tot een andersluidend besluit kunnen leiden. Bij besluit van 30 september 2009 is het toegekende voorschot kinderopvangtoeslag herzien omdat uit controle is gebleken dat bij de berekening van het voorschot is uitgegaan van onjuiste gegevens. Bij besluit van 27 augustus 2010 heeft de Belastingdienst zich op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is gemaakt dat kosten van kinderopvang zijn gemaakt. De rechtbank heeft in dit verband met juistheid overwogen dat [appellant] hangende de procedure niet de gevraagde gegevens aan de Belastingdienst heeft overgelegd. Hetgeen [appellant] heeft betoogd, rechtvaardigt niet de conclusie dat op voorhand redelijkerwijs twijfel mogelijk was dat de bezwaren tot een andersluidend besluit konden leiden. De rechtbank heeft dan ook terecht en op goede gronden geoordeeld dat aan genoemde maatstaf om af te zien van het horen is voldaan.

Het betoog faalt.

2.5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de Belastingdienst zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij kosten voor kinderopvang heeft gemaakt. Nu hij een kwitantie heeft overgelegd, ligt het volgens [appellant] vervolgens op de weg van de Belastingdienst om aannemelijk te maken dat hij geen kosten heeft gemaakt, temeer nu de Belastingdienst in veel gevallen betalingsbewijzen heeft geaccepteerd, waarbij geen sprake was van girale betalingen en waarbij geen aanvullende bankafschriften hoefden te worden overgelegd.

2.5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 22 juni 2011 in zaak nr. 201010918/1/H2; www.raadvanstate.nl), volgt uit artikel 18, eerste lid, van de Awir, gelezen in samenhang met artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wko, dat degene die kinderopvangtoeslag ontvangt, moet kunnen aantonen dat hij kosten voor kinderopvang heeft gemaakt en wat de hoogte is van deze kosten. De Belastingdienst mocht dan ook [appellant] om (nadere) gegevens vragen waaruit blijkt welke bedragen hij heeft betaald aan de gastouder.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat [appellant] aan de door hem overgelegde kwitantie niet de betekenis kan hechten die hij daaraan gehecht wenst te zien. Het betreft een ongedateerde en ongenummerde kwitantie. Deze kwitantie kan niet als voldoende bewijs van betaling worden aangemerkt. Ook anderszins heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat hij de gastouder heeft betaald en kosten voor kinderopvang heeft gemaakt. Met het door [appellant] in hoger beroep overgelegde afschrift van een besluit betreffende de terugvordering van huurtoeslag over 2008, gericht aan zijn vader, waarin tevens het jaarinkomen van de bij zijn vader inwonende gastouder is vermeld, heeft [appellant] evenmin aannemelijk gemaakt dat hij kosten voor kinderopvang heeft gemaakt. Ook uit de overige in hoger beroep overgelegde stukken, waaronder een afschrift van de fiscale gegevens van de gastouder en een uitdraai van de bankgegevens van [appellant], kan niet de conclusie worden getrokken dat [appellant] kosten voor kinderopvang heeft gemaakt.

[appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de rechtbank heeft miskend dat de Belastingdienst wat betreft de bewijsstukken van de kosten voor kinderopvang in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld. De enkele stelling van [appellant] dat hem bekend is dat de Belastingdienst in veel gevallen betalingsbewijzen heeft geaccepteerd, waarbij geen sprake was van girale betalingen en waarbij geen aanvullende bankafschriften hoefden te worden overgelegd, is hiervoor onvoldoende.

Het betoog faalt.

2.6. [appellant] betoogt tenslotte dat de rechtbank niet over alle in beroep aangevoerde gronden heeft geoordeeld.

2.6.1. De rechtbank heeft aan haar oordeel ten grondslag gelegd dat de Belastingdienst tot het standpunt heeft kunnen komen dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij kosten voor kinderopvang heeft gemaakt. De beroepsgronden van [appellant] die de rechtbank niet expliciet heeft besproken, kunnen aan dat oordeel niet afdoen. Nu de rechtbank gezien het vorenoverwogene terecht en op goede gronden tot dat oordeel is gekomen, kan deze hogerberoepsgrond niet tot het hiermee beoogde doel leiden.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. F.C.M.A. Michiels en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Bindels

Voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2011

85-680.