Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BT8548

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-10-2011
Datum publicatie
19-10-2011
Zaaknummer
201109062/2/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 juni 2011 heeft het college opnieuw besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Borne bij besluit van 9 december 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Wensink Zuid".

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/3835
JBO 2011/89 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201109062/2/R1.

Datum uitspraak: 13 oktober 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoeker A] en [verzoekster B] (hierna in enkelvoud: [verzoeker]), wonend te Borne,

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 juni 2011 heeft het college opnieuw besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Borne bij besluit van 9 december 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Wensink Zuid".

Tegen dit besluit heeft onder meer [verzoeker] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 augustus 2011, beroep ingesteld.

Bij dezelfde brief als waarmee beroep is ingesteld heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 27 september 2011, waar [verzoeker], vertegenwoordigd door mr. E.S. Fikkert, advocaat te Enschede, en het college, vertegenwoordigd door mr. A. van Maurik, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

Voorts zijn ter zitting de raad, vertegenwoordigd door mr. V.A. Textor, advocaat te Arnhem, [belanghebbend A] en [belanghebbende B], vertegenwoordigd door mr. R. van Eck, advocaat te Enschede, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Bij uitspraak van 9 februari 2011 in zaak nr. 200906471/1/R3 heeft de Afdeling het besluit van 30 juni 2009, waarbij het college heeft besloten over de goedkeuring van het plan deels vernietigd.

2.3. Het verzoek van [verzoeker] is erop gericht de werking van het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied met landschapswaarden (A)" en de aanduiding "Gebied met wijzigingsbevoegdheid 1" voor het perceel van [belanghebbende A] ten zuiden van het Welemanserf 6 en het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden (W)" en de aanduiding "specifieke bijgebouwenregeling (*)" voor het perceel van [belanghebbende B] kadastraal bekend onder nr. 356 te schorsen.

2.4. [verzoeker] stelt dat het plan niet meer uitvoerbaar is. [verzoeker] voert hiertoe aan dat de Afdeling in de in 2.2 genoemde uitspraak van 9 februari 2011 heeft overwogen dat het college in redelijkheid goedkeuring heeft kunnen onthouden aan de percelen met de bestemming "Agrarisch gebied met landschapswaarden (A)" en de aanduiding "Gebied met wijzigingsbevoegdheid" ten westen van de percelen van [belanghebbende A] en [belanghebbende B], als gevolg waarvan het plan niet meer volledig kan worden gerealiseerd en de ontwikkeling van het gehele gebied onder druk komt te staan.

2.4.1. [verzoeker] stelt terecht dat door het onthouden van goedkeuring hieraan op de percelen ten westen van de percelen van [belanghebbende A] en [belanghebbende B] geen villa's meer kunnen worden gerealiseerd door toepassing van een wijzigingsbevoegdheid. Hoewel dit betekent dat het oorspronkelijk door de raad vastgestelde plan niet meer volledig kan worden gerealiseerd, ziet de voorzitter niet in dat als gevolg hiervan op de percelen van [belanghebbende A] en [belanghebbende B] ook geen villa's meer kunnen worden gerealiseerd.

2.5. [verzoeker] stelt voorts dat het realiseren een bijgebouw op het perceel van [belanghebbende B] met de bestemming "Woondoeleinden (W)" en de aanduiding "specifieke bijgebouwenregeling (*)" zal leiden tot verkeersoverlast en geur- en geluidhinder. Voorts voorziet het plan op dit perceel in een bijgebouw met een groter oppervlakte dan andere bijgebouwen in de omgeving, hetgeen niet ruimtelijk is onderbouwd en in strijd is met de planvoorschriften.

2.5.1. Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften, zijn de gronden op de plankaart aangewezen voor "Woondoeleinden (W)" bestemd voor wonen.

Ingevolge het vierde lid, onder d, voor zover thans van belang, is ter plaatse van de aanduiding "specifieke bijgebouwenregeling (*)" maximaal 1 bijgebouw toegestaan met een oppervlakte van 225 m².

2.5.2. De stelling van [verzoeker] dat realisatie van een bijgebouw op het perceel van [belanghebbende B] zal leiden tot overlast vanwege verkeersaantrekkende werking en geur en geluid kan niet slagen. De woning van [verzoeker] is gelegen op meer dan 100 meter afstand van het perceel van [belanghebbende B]. De raad heeft zich naar het voorlopig oordeel van de voorzitter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat, gezien de aard van de op het perceel voorziene ontwikkelingen, te weten een woning en een bijgebouw waar hobbymatig vier paarden zullen worden gehouden, het plan ter plaatse van de woning van [verzoeker] niet zal leiden tot onaanvaardbare geluid- en geurhinder. De Afdeling heeft voorts in de in 2.2 genoemde uitspraak van 9 februari 2011 reeds overwogen dat aannemelijk is dat een mogelijke toename van verkeersbewegingen als gevolg van het bijgebouw gering is en een zeer beperkte invloed heeft op het plangebied en dat uit het verrichte onderzoek is gebleken dat ter plaatse aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit wordt voldaan. Voorts heeft de Afdeling in deze uitspraak overwogen dat voor het perceel van [belanghebbende B] onderzoeken zijn gedaan naar de akoestische situatie, waaruit geen overwegende bezwaren naar voren zijn gekomen voor de bestemming die voor het perceel van [belanghebbende B] is beoogd en dat het college zich in zoverre niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de raad onvoldoende onderzoek heeft verricht. In hetgeen [verzoeker] heeft aangevoerd ziet de voorzitter geen aanleiding voor een ander oordeel omtrent het verrichte akoestische onderzoek.

Anders dan [verzoeker] voorts stelt, bestaat geen grond voor het oordeel dat de in artikel 4, vierde lid, onder d, van de planvoorschriften opgenomen specifieke bijgebouwenregeling in strijd is met de planregels met betrekking tot bijgebouwen, nu deze regeling dient te worden aangemerkt als een bijzondere regeling die geldt in afwijking van deze planregels.

Voorts heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat de specifieke bijgebouwenregeling voor het perceel van [belanghebbende B] is gerechtvaardigd in verband met de actuele eisen op het gebied van dierenwelzijn, nu het bijgebouw zal worden gebruikt als paardenstal. Volgens de raad blijft het verhardingspercentage van het perceel laag en blijft de groene uitstraling van het gebied gewaarborgd. Naar het voorlopig oordeel van de voorzitter biedt hetgeen [verzoeker] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de specifieke bijgebouwenregeling voor het perceel van [belanghebbende B] onvoldoende ruimtelijk heeft onderbouwd.

2.6. [verzoeker] stelt ten slotte dat in het plan ten onrechte niet is geregeld dat bij realisering hiervan archeologisch onderzoek dient te worden verricht op de percelen van [belanghebbende B] en [belanghebbende A].

2.6.1. In de planregels is niet voorzien in een aanlegvergunningstelsel voor de bescherming van de archeologische waarden op de percelen van [belanghebbende B] en [belanghebbende A].

2.6.2. In de plantoelichting staat de raad met behulp van de Archeologische Monumentenkaart en de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden is nagegaan of de gronden binnen het plangebied archeologisch van betekenis zijn. Op de Archeologische Monumentenkaart zijn in het plangebied geen archeologische vindplaatsen aangegeven die bescherming genieten middels de Monumentenwet 1988 of waarvoor bescherming in voorbereiding is. De Indicatieve Kaart Archeologische Waarden geeft aan dat voor de gronden waar woningbouw mogelijk wordt gemaakt geen verwachtingswaarde is voor het aantreffen van archeologische resten.

In de plantoelichting staat voorts dat de raad eveneens de Archeologische verwachtings- en advieskaart heeft gehanteerd. Volgens deze kaart heeft het gebied waarbinnen de percelen van [belanghebbende B] en [belanghebbende A] zijn gelegen een lage archeologische verwachting, maar is in de nabijheid van deze percelen een oud erf gelegen. Rondom dit oude erf wordt een bufferzone aangehouden, waarbinnen een hoge verwachtingswaarde geldt. De percelen van [belanghebbende A] en [belanghebbende B] zijn gelegen binnen deze bufferzone. De raad heeft op grond van het door hem gevoerde beleid, zoals opgenomen in de toelichting bij de Archeologische verwachtings- en advieskaart, vrijstelling verleend van de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek.

In het voormelde beleid, voor zover thans van belang, staat dat wordt aanbevolen om vrijstelling van de onderzoeksverplichting te verlenen voor plangebieden of ingrepen met een omvang kleiner dan 2500 m² waarbinnen een gebied met een hoge archeologische verwachting valt. Volgens dit beleid is de aanwezigheid van archeologische resten in de verwachtingszones een zekerheid, maar zullen hierbinnen grote gebieden voorkomen waarin archeologische resten grotendeels of zelfs geheel ontbreken. Op basis van expert judgement kan worden gesteld dat de minimale omvang van onderzoeksgebieden op de Oost-Nederlandse zandgronden circa 2500 m² dient te zijn. Bij kleinere onderzoeksgebieden kan een bruikbaar onderzoeksresultaat in de meeste gevallen alleen worden bereikt indien wordt gekozen voor een relatief intensief en daardoor kostbaar onderzoek. Vanwege de relatief hoge onderzoekskosten in gebieden kleiner dan 2500 m² in verhouding tot de geringe kans dat werkelijk waardevolle archeologische resten aanwezig zijn, wordt het niet reëel geacht om voor deze kleine gebieden beleidsmatige belemmeringen op te werpen, aldus het beleid, zoals opgenomen in de toelichting bij de Archeologische verwachtings- en advieskaart.

2.6.3. Hetgeen [verzoeker] heeft aangevoerd, biedt naar het voorlopig oordeel van de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen archeologisch onderzoek hoeft te worden verricht op de percelen van [belanghebbende B] en [belanghebbende A]. Daarbij heeft de raad ter zitting toegelicht dat indien tijdens de bouwwerkzaamheden een vondst wordt gedaan de meldplicht van artikel 53 van de Monumentenwet 1988 geldt.

2.7. In hetgeen [verzoeker] overigens heeft aangevoerd, ziet de voorzitter evenmin aanknopingspunten voor de verwachting dat het bestreden besluit in de bodemprocedure geen stand zal kunnen houden.

2.8. Gelet op het voorgaande bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Schaaf, ambtenaar van staat.

w.g. Hoekstra w.g. Schaaf

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2011

523.