Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BT8544

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-10-2011
Datum publicatie
19-10-2011
Zaaknummer
201101794/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 juli 2009 heeft de RDW de erkenning van de keuringsbevoegdheid APK van [wederpartij] voor de categorie voertuigen tot en met 3500 kg ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201101794/1/H3.

Datum uitspraak: 19 oktober 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de directie van de Dienst Wegverkeer (hierna: de RDW),

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 december 2010 in zaak nr. 09/4625 in het geding tussen:

[wederpartij], gevestigd te Amsterdam,

en

de RDW.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 juli 2009 heeft de RDW de erkenning van de keuringsbevoegdheid APK van [wederpartij] voor de categorie voertuigen tot en met 3500 kg ingetrokken.

Bij besluit van 15 september 2009 heeft de RDW het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 december 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 15 september 2009 vernietigd, het besluit van 22 juli 2009 herroepen, bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit en bepaald dat [wederpartij] een schriftelijke waarschuwing wordt opgelegd vanwege het op 25 juni 2009 geconstateerde gebrek aan de afzuiger van de dieselroetmeter. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de RDW bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 februari 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden ervan zijn aangevuld bij brief van 7 maart 2011.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 september 2011, waar de RDW, vertegenwoordigd door N.T.P. Eshuis, werkzaam bij de RDW, en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. L. Nix, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 87, tweede lid, aanhef en onder f, van de Wegenverkeerswet 1994 kan de RDW een erkenning intrekken of wijzigen indien degene aan wie de erkenning is verleend handelt in strijd met een of meer andere uit de erkenning voortvloeiende verplichtingen.

Ingevolge artikel 31, zesde lid, van de Regeling erkenning en keuringsbevoegdheid APK (hierna: de regeling) wordt, indien bij de steekproef wordt vastgesteld dat het voertuig niet voldoet aan de keuringseisen, het voertuig onterecht is af- of goedgekeurd, het keuringsrapport onjuist of onvolledig is ingevuld of indien wordt geconstateerd dat de voorschriften met betrekking tot de steekproef niet in acht zijn genomen, door de daartoe aangewezen functionaris van de RDW een steekproefcontrolerapport opgemaakt dat door deze wordt ondertekend alsmede door de keurmeester.

Ingevolge artikel 41 wordt, indien door de erkenninghouder de in de artikelen 25 tot en met 32 neergelegde verplichtingen of voorschriften niet worden nageleefd, terstond begonnen met een procedure voor intrekking van de bevoegdheid voertuigen aan een keuring te onderwerpen.

2.2. De RDW heeft de erkenning van [wederpartij] ingetrokken, omdat bij een steekproefherkeuring op 25 juni 2009 is vastgesteld dat de nul-emissiemeter van de dieselroetmeter defect was en is geweigerd het steekproefcontrolerapport te ondertekenen.

2.3. De RDW betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat [wederpartij] niet artikel 31, zesde lid, van de regeling heeft overtreden doordat [directeur] van [wederpartij], en de keurmeester hebben geweigerd het steekproefcontrolerapport te ondertekenen. Volgens de RDW is de erkenninghouder, anders dan de rechtbank heeft overwogen, ervoor verantwoordelijk dat de keurmeester zijn verplichtingen nakomt, waaronder het ondertekenen van het steekproefcontrolerapport. Dit volgt uit artikel 41 van de regeling, aldus de RDW. Een andere uitleg zou volgens hem ook niet passen binnen het systeem van de regelgeving, omdat de erkenninghouder dan niet meer kan worden aangesproken op de gang van zaken tijdens de keuring. Ter ondersteuning van zijn betoog verwijst de RDW naar de uitspraak van de Afdeling van 4 december 2002 in zaak nr. 200202094/1.

2.3.1. In artikel 31, zesde lid, van de regeling is voor zover hier van belang bepaald dat de keurmeester het steekproefcontrolerapport ondertekent. Die verplichting geldt voor de keurmeester; niet voor de erkenninghouder. Uit artikel 31, zesde lid, volgt niet dat de erkenninghouder verantwoordelijk is voor het al dan niet ondertekenen van het steekproefcontrolerapport door de keurmeester. Dit volgt evenmin uit artikel 41 van de regeling. Daarin is bepaald wat de gevolgen zijn wanneer een erkenninghouder de verplichtingen niet naleeft die in artikel 25 tot en met 32 van de regeling zijn neergelegd. Wanneer een verplichting slechts aan de keurmeester is opgelegd, kan het niet naleven daarvan niet de in artikel 41 van de regeling bedoelde gevolgen hebben en dus niet leiden tot het beginnen van een procedure voor de intrekking van de bevoegdheid van de erkenninghouder voertuigen aan een keuring te onderwerpen.

De verwijzing van de RDW naar de uitspraak van de Afdeling in zaak nr. 200202094/1 maakt niet dat geoordeeld moet worden dat de rechtbank heeft miskend dat de RDW zich op het standpunt mocht stellen dat [wederpartij] artikel 31, zesde lid, van de regeling heeft overtreden. Die zaak is niet op een lijn te stellen met de zaak die thans aan de orde is, omdat het daarin ging om de strikt persoonlijke pincode van een keurmeester die door de erkenninghouder op een computer was opgeslagen, waardoor anderen dan de keurmeester aan wie de pincode was toegekend van die pincode gebruik konden maken. Een dergelijke situatie is hier niet aan de orde.

Geen grond bestaat voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat [wederpartij] niet artikel 31, zesde lid, van de regeling heeft overtreden doordat [directeur] en de keurmeester hebben geweigerd het steekproefcontrolerapport te ondertekenen. Het betoog faalt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, voor zover aangevallen.

2.5. De RDW dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevallen;

II. veroordeelt de directie van de Dienst Wegverkeer tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. bepaalt dat van de directie van de Dienst Wegverkeer een griffierecht van € 454,00 (zegge: vierhonderdvierenvijftig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Van Hardeveld

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2011

312-622.