Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BT8543

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-10-2011
Datum publicatie
19-10-2011
Zaaknummer
201012535/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 maart 2010 heeft het Faunafonds de aanvraag van [wederpartij] om een tegemoetkoming in de door een havik aangerichte schade aan zijn freiland-legkippen afgewezen.

Wetsverwijzingen
Flora- en faunawet
Flora- en faunawet 4
Flora- en faunawet 83
Flora- en faunawet 84
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2011-11-14
JOM 2012/108
JNA 2011/6
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201012535/1/H3.

Datum uitspraak: 19 oktober 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het bestuur van het Faunafonds,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 11 november 2010 in zaak nr. 10/2474 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te Barneveld,

en

het Faunafonds.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 maart 2010 heeft het Faunafonds de aanvraag van [wederpartij] om een tegemoetkoming in de door een havik aangerichte schade aan zijn freiland-legkippen afgewezen.

Bij besluit van 28 mei 2010 heeft het Faunafonds het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 november 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 28 mei 2010 vernietigd en het Faunafonds opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uispraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het Faunafonds bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 december 2010, hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

Het Faunafonds heeft een nadere reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 juli 2011, waar het Faunafonds, vertegenwoordigd door mr. C.J.M. Daniels en H.G. Engberink, werkzaam bij het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, en [wederpartij] in persoon zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van de Flora- en faunawet (hierna: de Ffw) worden als beschermde inheemse diersoort aangemerkt alle van nature op het Europese grondgebied van de Lid-Staten van de Europese Unie voorkomende soorten vogels met uitzondering van gedomesticeerde vogels behorende tot bij algemene maatregel van bestuur aangewezen soorten.

Ingevolge artikel 83, eerste lid, aanhef en onder b, is er een Faunafonds, dat tot taak heeft het in de daarvoor in aanmerking komende gevallen verlenen van tegemoetkomingen in geleden schade, aangericht door dieren behorende tot beschermde inheemse diersoorten.

Ingevolge artikel 84, eerste lid, wordt een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 83, eerste lid, onderdeel b, slechts verleend voor zover een belanghebbende schade lijdt of zal lijden, aangericht door dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, en die schade redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven. Een tegemoetkoming wordt naar billijkheid bepaald.

Volgens artikel 6, eerste lid, van de Regeling vaststelling beleidsregels schadevergoeding Faunafonds (zoals gepubliceerd in Stcrt. 2002, 69 en laatstelijk gewijzigd op 4 juni 2009, hierna: de Regeling) kan het bestuur een tegemoetkoming verlenen uitsluitend voor schade veroorzaakt door diersoorten genoemd in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Ffw, welke door vraat, betreden, verontreiniging, graven, wroeten en vegen aan bedrijfsmatige landbouw, bosbouw of bedrijfsmatige visserij is veroorzaakt.

Volgens artikel 7, eerste lid, zal het bestuur een tegemoetkoming, als bedoeld in artikel 2, slechts verlenen, indien en voor zover de grondgebruiker de schade naar zijn oordeel niet had kunnen voorkomen en beperken door het treffen van maatregelen of inspanningen, waartoe deze naar eisen van redelijkheid en billijkheid was gehouden.

Volgens artikel 9, eerste lid, aanhef en onder k, wordt geen tegemoetkoming verleend indien de schade is aangericht door een beschermde inheemse diersoort aan bedrijfsmatig geteelde gewassen of bedrijfsmatig gehouden landbouwhuisdieren in een stal.

Volgens het tweede lid kan het bestuur in bijzondere gevallen besluiten, in afwijking van hetgeen in dit artikel is bepaald, een tegemoetkoming te verlenen.

2.2. De Afdeling gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. [wederpartij] houdt kippen volgens het Freiland-systeem. Kippen die volgens dat systeem worden gehouden hebben overdag de mogelijkheid om de stal in en uit te lopen. In de middag van 13 februari 2010 hoorde [wederpartij] geluid afkomstig uit zijn kippenstal. In de stal trof hij in paniek geraakte en dode kippen aan. Naar later bleek was de paniek bij de in de stal aanwezige kippen veroorzaakt door de aanwezigheid in de stal van een havik. De kippen zijn massaal naar een wand van de stal gevlucht, waardoor uiteindelijk 1338 kippen door verstikking de dood hebben gevonden.

2.3. Aan het besluit van 28 mei 2010 heeft het Faunafonds ten grondslag gelegd dat volgens artikel 9, eerste lid, aanhef en onder k, van de Regeling de schade die [wederpartij] heeft geleden in beginsel niet voor tegemoetkoming in aanmerking komt. Die schade is volgens het Faunafonds in beginsel weliswaar te beschouwen als bijzonder en onvoorzienbaar, maar [wederpartij] heeft onvoldoende preventieve maatregelen genomen om zodanige schade te voorkomen. Het is aan de ondernemer om voldoende maatregelen te treffen, opdat het binnenvliegen of binnengaan van een kippenstal door een havik wordt voorkomen, aldus het Faunafonds. [wederpartij] komt daarom evenmin op grond van artikel 9, tweede lid, van de Regeling voor een tegemoetkoming in aanmerking.

2.4. De rechtbank heeft vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat het gaat om dieren die in een stal worden gehouden, zodat artikel 9, eerste lid, aanhef en onder k, van de Regeling van toepassing is en in beginsel geen aanspraak bestaat op tegemoetkoming. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat [wederpartij] in zijn beroepschrift en ter zitting onweersproken heeft gesteld dat de havik vanuit de uitloop en via de wintertuin de stal in is gelopen en niet naar binnen is gevlogen. De havik, die ziek en door ondervoeding zwak was, had de grootte van een kip, maar was veel magerder, zo heeft [wederpartij] verklaard. Het Faunafonds heeft dat niet betwist. De rechtbank heeft geoordeeld dat onder deze omstandigheden [wederpartij] terecht betoogt dat de door het Faunafonds genoemde maatregelen het naar binnen lopen van een zieke en verzwakte havik van de grootte van een kip niet konden tegengaan. Het Faunafonds heeft niet gemotiveerd welke maatregelen [wederpartij] had moeten treffen om het inlopen van een havik te voorkomen, nu de havik dezelfde grootte had als een kip en deze havik via dezelfde weg als de kippen de stal is ingelopen. Aldus is niet inzichtelijk geworden waarom dit geen bijzonder geval is, als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de Regeling, aldus de rechtbank.

2.5. Het Faunafonds betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat dit geen bijzonder geval is waarin de schade voor een tegemoetkoming in aanmerking komt, omdat [wederpartij] niet alles in het werk heeft gesteld wat in redelijkheid van hem verwacht mag worden om het binnenvliegen van roofvogels te voorkomen. Voorts betoogt het Faunafonds dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het in het besluit van 28 mei 2010 had moeten toelichten welke maatregelen [wederpartij] had dienen te treffen om het inlopen van een havik te voorkomen, nu het binnenlopen van een havik voor rekening en risico van [wederpartij] dient te blijven.

2.5.1. Het Faunafonds heeft de door [wederpartij] geschetste feiten en omstandigheden niet weersproken. [wederpartij] heeft aangevoerd dat hij de havik bij het ruimen van de kippen in de stal aantrof, dat deze ziek was en een gebroken snavel had, dat hij de havik zelf heeft opgepakt en in een krat heeft gestopt. Toen hij de havik de volgende dag dood aantrof, heeft hij, om zijn verhaal te staven, de havik ingevroren. Gelet hierop en op de onder 2.2 genoemde feiten en omstandigheden moet het ervoor worden gehouden dat in de middag van 13 februari 2010 een zieke, verzwakte havik op dezelfde wijze als een kip dat doet de stal van [wederpartij] is binnengegaan. Anders dan het Faunafonds betoogt, kon dit voorval niet worden tegengegaan met maatregelen waarmede het invliegen van roofvogels wordt voorkomen, maar het in- en uitlopen van kippen onverlet wordt gelaten. Dit in aanmerking genomen moet de gang van zaken naar het oordeel van de Afdeling als uitzonderlijk worden aangemerkt.

Niet in geschil is dat de schade ten gevolge van het binnengaan van de havik bestaat uit 1338 dode kippen en dat deze schade als bijzonder en onvoorzienbaar moet worden beschouwd. Voorts heeft het Faunafonds desgevraagd ter zitting van de Afdeling medegedeeld dat zich in het verleden slechts één vergelijkbaar geval heeft voorgedaan. Gelet op het uitzonderlijke karakter van het voorval dat de schade heeft veroorzaakt kon van [wederpartij] in redelijkheid niet worden verwacht dat hij maatregelen zou treffen om dit te voorkomen. Derhalve dient dit voorval te worden beschouwd als een bijzonder geval in de zin van artikel 9, tweede lid, van de Regeling waarin de schade voor tegemoetkoming in aanmerking komt. Het betoog van het Faunafonds faalt.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. bepaalt dat van het bestuur van het Faunafonds een griffierecht van € 454,00 (zegge: vierhonderdvierenvijftig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. A. Hammerstein, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. Klein

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2011

176-671.