Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BT8542

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-10-2011
Datum publicatie
19-10-2011
Zaaknummer
201011830/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 augustus 2008 heeft het college een verzoek van [appellant] om vergoeding van planschade afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201011830/1/H2.

Datum uitspraak: 19 oktober 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Leusden,

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 29 oktober 2010 in zaak nr. 09/104 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Leusden.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 augustus 2008 heeft het college een verzoek van [appellant] om vergoeding van planschade afgewezen.

Bij besluit van 9 december 2008 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 oktober 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 december 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 7 januari 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 september 2011, waar [appellant], bijgestaan door mr. N.Ch. Ellens, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. R. van de Scheur en mr. A.R. Francken, beiden werkzaam bij de gemeente, vergezeld door drs. P.A.J.M. van Bragt, werkzaam bij de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: de SAOZ), zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), zoals die bepaling tot 1 juli 2008 luidde, kennen burgemeester en wethouders een belanghebbende op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe voor zover blijkt dat hij ten gevolge van de bepalingen van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd.

2.2. Voor de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding op de voet van artikel 49 van de WRO dient te worden onderzocht of de verzoeker als gevolg van de desbetreffende wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient de planologische maatregel waarvan gesteld wordt dat deze schade heeft veroorzaakt, te worden vergeleken met het voordien geldende planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van deze regimes maximaal kan, onderscheidenlijk kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Slechts indien realisering van de maximale mogelijkheden met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, kan daarin aanleiding worden gevonden om te oordelen dat van dit uitgangspunt afgeweken moet worden.

2.3. [appellant] en zijn echtgenote zijn eigenaar van de vrijstaande woning op het perceel aan de [locatie] te Leusden, kadastraal bekend gemeente Leusden, sectie […], nr. […] (hierna: het perceel). Aan het verzoek om vergoeding van planschade hebben zij ten grondslag gelegd dat de onder het bestemmingsplan 'Uitbreidingsplan in hoofdzaak' (hierna: het oude bestemmingsplan) bestaande bebouwingsmogelijkheden van het perceel door de inwerkingtreding van het bestemmingsplan '[locatie]' (hierna: het nieuwe bestemmingsplan) zijn afgenomen en dat dit tot een waardevermindering van het perceel heeft geleid.

2.4. Het college heeft het verzoek ter advisering voorgelegd aan de SAOZ. In een advies van mei 2008 heeft deze uiteengezet dat de bepalingen van het oude bestemmingsplan, rekening houdend met de aanvullende werking van de bouwverordening van de gemeente Leusden (hierna: de bouwverordening), niet de door [appellant] veronderstelde bouwmogelijkheden boden, zodat hij door de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan niet in een planologisch nadeliger situatie is gebracht.

Het college heeft dit advies aan het besluit van 26 augustus 2008 ten grondslag gelegd en dat besluit bij besluit van 9 december 2008 gehandhaafd.

2.5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte aan de hand van een ter zitting getoonde kopie van de bij het oude bestemmingsplan behorende plankaart heeft vastgesteld dat aan de voorzijde van het perceel, waar het aan de Doornse Grintweg (thans: de Doornseweg) grenst, op de plankaart op circa 15 m van het hart van de weg een voorgevelrooilijn is ingetekend, zodat de aanduiding '15-40' en niet de aanduiding '50-300' op het perceel van toepassing was. Daartoe voert hij aan dat de afstand op de plankaart van de voorgevelrooilijn tot het hart van de weg met een standaardmeetlat is gemeten en dat dit, gezien de schaal en de staat van de plankaart, onvoldoende nauwkeurig is. Verder voert hij aan dat de op de plankaart ingetekende voorgevelrooilijn niet evenwijdig aan de weg loopt en dat het oordeel van de rechtbank in strijd met de bedoeling van de planwetgever is.

2.5.1. Ingevolge de bepalingen van het oude bestemmingsplan geeft de aanduiding van de bebouwing langs de betreffende weg met het eerste getal de minimumafstand van de voorgevel tot het hart van de weg aan en met het tweede getal de minimumsom van de zijdelingse afstanden tussen de beide zijgevels en de belendende panden aan eenzelfde zijde van de weg, met dien verstande dat de kleinste van de afstanden niet minder wordt dan een vierde deel van de som, door het tweede getal aangegeven.

2.5.2. Op de plankaart komen de aanduidingen '15-40' en '50-300' voor. Gezien de daarop voor het perceelsgedeelte langs de Doornse Grintweg ingetekende voorgevelrooilijn, heeft de rechtbank terecht overwogen dat op dat perceelsgedeelte niet de tweede, maar de eerste aanduiding van toepassing was en dat de minimumafstand van de voorgevel tot het hart van de weg 15 m bedraagt. Dat de op de plankaart op dat perceelsgedeelte ingetekende voorgevelrooilijn niet evenwijdig aan de weg loopt, kan, anders dan [appellant] betoogt, niet leiden tot het oordeel dat geen aanduiding van toepassing was en dat de minimumafstand tussen de woningen, waarop het tweede getal van de aanduiding ziet, zich niet verzette tegen het realiseren van de door [appellant] veronderstelde bouwmogelijkheden. Daarbij is van belang dat de aanduiding '15-40' op de plankaart is ingetekend in het perceelsgedeelte dat aan de Buurtweg (thans: de Waterlooweg) grenst en dat niet valt in te zien waarom deze aanduiding dan niet tevens van toepassing was op dat perceelsgedeelte voor zover het aan de Doornse Grintweg grenst. Dat het gebied aan de overzijde van de Doornse Grintweg een andere bestemming dan het gebied aan de overzijde van de Buurtweg had en dat voor andere percelen met dezelfde bestemming op de plankaart de aanduiding '50-300' is ingetekend, is onvoldoende om een verschil, als door [appellant] gemaakt, te kunnen verklaren. Indien voor het perceelsgedeelte langs de Doornse Grintweg slechts van de op de plankaart ingetekende voorgevelrooilijn wordt uitgegaan, zou dat bovendien, gezien de gebruikte schaal, tot rechtsonzekerheid over de exacte plaats van die lijn leiden, wat niet de bedoeling van de planwetgever kan zijn geweest.

Het betoog faalt.

2.6. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de in de bouwverordening gestelde voorschriften over het onderwerp achtergevelrooilijnen in aanvulling op de uit het oude bestemmingsplan voortvloeiende bebouwingsregeling van toepassing waren. Daartoe voert hij aan dat de planwetgever het mogelijk heeft willen maken het gehele perceel te bebouwen en de toepassing van een achtergevelrooilijn nooit heeft beoogd.

2.6.1. Gelijk de rechtbank heeft vastgesteld, bevat dat bestemmingsplan geen voorschriften met betrekking tot een in aanmerking te nemen achtergevelrooilijn en bepaalt het evenmin dat zodanige voorschriften niet op het plangebied van toepassing zijn. Gelet op artikel 9, tweede lid, van de Woningwet en de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling, waren de voorschriften van de bouwverordening over het onderwerp achtergevelrooilijnen in dit geval dan ook van toepassing in aanvulling op de uit het oude bestemmingsplan voortvloeiende bebouwingsregeling. Aan de gestelde bedoeling van de planwetgever kan derhalve niet de door [appellant] gewenste betekenis worden toegekend. Verder geeft de door [appellant] aangehaalde vergunningverlening ten behoeve van de bebouwing op de naastgelegen gronden, wat daar overigens ook van zij, evenmin aanleiding voor het oordeel dat het oude bestemmingsplan geen ruimte heeft gelaten voor een aanvullende werking van de bouwverordening ter zake van de achtergevelrooilijn.

Het betoog faalt.

2.7. [appellant] betoogt ten slotte dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de aan de achterzijde van het perceel gelegen toegangsweg niet als zodanig op de bij het oude bestemmingsplan behorende plankaart is ingetekend en dat de bouwverordening op dit onderdeel geen aanvullende werking heeft.

2.7.1. Voor zover [appellant] bedoelt te betogen dat de rechtbank heeft miskend dat, gezien die toegangsweg, aan de achterzijde van het perceel een voorgevelrooilijn liep, faalt dat betoog evenzeer. Het oude bestemmingsplan bepaalde waar de voorgevelrooilijnen lagen en het kende ter plaatse geen voorgevelrooilijn.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. J.A. Hagen en mr. J.C. Kranenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, ambtenaar van staat.

w.g. Polak w.g. Hazen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2011

452.