Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BT8374

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-10-2011
Datum publicatie
18-10-2011
Zaaknummer
201106343/1/V4
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aangezien de vreemdeling ter zake van zijn afkomst derhalve geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangetoond, moet worden aangenomen dat hij niet afkomstig is uit Zuid-Somalië. Desalniettemin vreest de vreemdeling te worden uitgezet naar Mogadishu. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 9 juni 2011 in zaak nr. 201010753/1/V2 (www.raadvanstate.nl) dient de rechter de afwijzing van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel te toetsen in het licht van de mede daaraan verbonden rechtsgevolgen. Dat betekent echter niet dat die rechtsgevolgen los van de strekking van de beschikking op de aanvraag waaruit deze voortvloeien kunnen worden beoordeeld. Vooropgesteld zij dat uit artikel 45, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 volgt dat het aan de desbetreffende vreemdeling is om na de afwijzing van diens aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, Nederland binnen de daartoe gestelde termijn te verlaten. Eerst indien de vreemdeling niet aan die verplichting voldoet, ontstaat voor de minister de bevoegdheid om hem uit te zetten. Of de minister die bevoegdheid vervolgens ook daadwerkelijk aanwendt, betreft een onzekere toekomstige gebeurtenis. De wijze waarop een mogelijke uitzetting geëffectueerd zou kunnen worden, maakt dan ook geen deel uit van de beoordeling die de minister naar aanleiding van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd dient te verrichten. In het licht van het bovenstaande heeft de rechtbank ten onrechte de situatie in Mogadishu bij de beoordeling betrokken. De, naar gesteld, onveilige situatie in die stad kan in zoverre niet als nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid worden aangemerkt op grond waarvan het besluit van 8 februari 2011 door de rechter kan worden getoetst.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:6
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 45
Vreemdelingenwet 2000 72
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2011/496 met annotatie van prof. mr. T.P. Spijkerboer
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201106343/1/V4.

Datum uitspraak: 11 oktober 2011

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister voor Immigratie en Asiel,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen, van 31 mei 2011 in zaak nr. 11/4477 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de minister.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 februari 2011 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 31 mei 2011, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 7 juni 2011, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de enige grief klaagt de minister, samengevat weergegeven, dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het besluit van 8 februari 2011 voor vernietiging in aanmerking komt. Voor deze overweging heeft de rechtbank, volgens de minister, ten onrechte redengevend geacht dat de wijze waarop een mogelijke uitzetting geëffectueerd kan worden onderdeel kan uitmaken van een meeromvattende beschikking, indien de wijze van uitzetting mogelijk een schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden oplevert, en dat het reizen vanaf het vliegveld in Mogadishu niet veilig is. Verder heeft de rechtbank van belang geacht dat niet duidelijk is of de vreemdeling via Mogadishu of Hargeisha kan worden uitgezet. Met bovengenoemde overwegingen heeft de rechtbank ten onrechte de omstandigheden waaronder een mogelijke uitzetting zal plaatsvinden bij haar beoordeling betrokken. Uitzetting kan immers eerst aan de orde komen indien de vreemdeling niet voldoet aan zijn plicht om het land zelfstandig te verlaten, aldus de minister.

2.1.1. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (zie onder meer de uitspraak van 6 maart 2008 in zaak nr. 200706839/1, www.raadvanstate.nl) vloeit voort dat, indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking wordt genomen, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Dit uitgangspunt geldt niet alleen voor besluiten genomen naar aanleiding van een nieuwe aanvraag, maar ook voor besluiten op een verzoek om terug te komen van een al dan niet op aanvraag genomen besluit (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2005 in zaak nr. 200406320/1, www.raadvanstate.nl). Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst.

2.1.2. De vreemdeling heeft eerder, op 11 februari 2008, een aanvraag ingediend om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. Bij besluit van 23 juni 2009 is deze aanvraag afgewezen.

Het besluit van 8 februari 2011 is van gelijke strekking als dat van 23 juni 2009, zodat op het daartegen ingestelde beroep voormeld beoordelingskader van toepassing is.

2.1.3. In de eerdere procedure is ongeloofwaardig geacht dat de vreemdeling afkomstig is uit Zuid-Somalië.

Ten betoge dat hij wel uit Zuid-Somalië, meer specifiek Mogadishu, afkomstig is, heeft de vreemdeling in het kader van de bij besluit van 8 februari 2011 afgewezen aanvraag een verklaring van de Somalische Vereniging Zwolle van 5 juli 2010 ingebracht, waarin wordt vermeld dat op basis van een aantal getuigenverklaringen van mensen die de vreemdeling kenden in Mogadishu met zekerheid is te zeggen dat hij uit Somalië komt. Voorts heeft de vreemdeling in dit verband een internetbericht overgelegd.

In de verklaring van 5 juli 2010 is niet aangegeven welke getuigen zouden hebben verklaard de vreemdeling te kennen, zodat niet is aangetoond dat sprake is van objectieve bronnen van informatie. Reeds daarom kan voormelde verklaring niet als nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid worden aangemerkt. Ten aanzien van het internetbericht is niet duidelijk of het ziet op de vreemdeling, zodat dat bericht evenmin als een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid kan worden aangemerkt. Aangezien de vreemdeling ter zake van zijn afkomst derhalve geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangetoond, moet worden aangenomen dat hij niet afkomstig is uit Zuid-Somalië. Desalniettemin vreest de vreemdeling te worden uitgezet naar Mogadishu.

2.1.4. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 9 juni 2011 in zaak nr. 201010753/1/V2 (www.raadvanstate.nl) dient de rechter de afwijzing van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel te toetsen in het licht van de mede daaraan verbonden rechtsgevolgen. Dat betekent echter niet dat die rechtsgevolgen los van de strekking van de beschikking op de aanvraag waaruit deze voortvloeien kunnen worden beoordeeld. Vooropgesteld zij dat uit artikel 45, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 volgt dat het aan de desbetreffende vreemdeling is om na de afwijzing van diens aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, Nederland binnen de daartoe gestelde termijn te verlaten. Eerst indien de vreemdeling niet aan die verplichting voldoet, ontstaat voor de minister de bevoegdheid om hem uit te zetten. Of de minister die bevoegdheid vervolgens ook daadwerkelijk aanwendt, betreft een onzekere toekomstige gebeurtenis. De wijze waarop een mogelijke uitzetting geëffectueerd zou kunnen worden, maakt dan ook geen deel uit van de beoordeling die de minister naar aanleiding van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd dient te verrichten.

In het licht van het bovenstaande heeft de rechtbank ten onrechte de situatie in Mogadishu bij de beoordeling betrokken. De, naar gesteld, onveilige situatie in die stad kan in zoverre niet als nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid worden aangemerkt op grond waarvan het besluit van 8 februari 2011 door de rechter kan worden getoetst. De grief slaagt.

2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Afdeling als volgt.

2.3. De vreemdeling heeft geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aangetoond. Evenmin doet zich een relevante wijziging van het recht voor.

Voorts is niet gebleken van bijzondere feiten en omstandigheden, als bedoeld in rechtsoverweging 45 van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 19 februari 1998 in zaak nr. 145/1996/764/965, Bahaddar tegen Nederland (JV 1998/45). Daartoe is mede van belang dat thans moet worden aangenomen dat de vreemdeling niet afkomstig is uit Zuid-Somalië.

Gezien het vorenstaande is er voor een rechterlijke toetsing van het besluit van 8 februari 2011 geen plaats en is het beroep derhalve ongegrond.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen, van 31 mei 2011 in zaak nr. 11/4477;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins de Vin, voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.L.M. van Loo, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin

voorzitter

w.g. Van Loo

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2011

418.

Verzonden: 11 oktober 2011

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser