Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BT8370

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-10-2011
Datum publicatie
18-10-2011
Zaaknummer
201001837/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De vreemdeling heeft er tenslotte ter zitting van de Afdeling van 19 oktober 2010 op gewezen dat een herschikkingsvoorstel van de Verordening bij de werkgroep van experts van de Raad van Europa en het Europees Parlement voorligt, in welk voorstel onder meer is opgenomen dat asielverzoeken van niet-begeleide minderjarigen worden behandeld door de lidstaat waar de meest recente asielaanvraag is ingediend. Dit voorstel geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de minister om die reden reeds thans de behandeling van de door de vreemdeling ingediende asielaanvraag onverplicht aan zich moet trekken. […].

Uit de door de vreemdeling overgelegde stukken blijkt niet dat het in Malta niet mogelijk of uiterst moeilijk is een asielaanvraag in te dienen. Evenmin blijkt daaruit van ernstige tekortkomingen in het onderzoek van de aanvraag, een gebrek aan tolken of van onvoldoende training van het personeel dat de gehoren afneemt en/of een beslissing op de asielaanvraag neemt, terwijl evenmin blijkt dat in Malta slechts in uitzonderlijke gevallen een asielaanvraag wordt gehonoreerd. Uit de door de vreemdeling overgelegde stukken blijkt daarentegen dat aan grote aantallen asielzoekers tenminste enige vorm van bescherming wordt geboden. Weliswaar maakt het rapport van Amnesty International melding van enkele tekortkomingen in de Maltese asielprocedure, maar er bestaat, mede gelet op het vorenoverwogene, geen grond voor het oordeel dat deze gebreken zodanig zijn dat sprake is van ernstige gebreken in de asielprocedure, zodanig dat overdracht strijd oplevert met de artikelen 3 of 13 van het EVRM of met het Vluchtelingenverdrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2011/492
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201001837/1/V3.

Datum uitspraak: 7 oktober 2011

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 18 februari 2010 in zaak nrs. 09/44573 en 09/44574 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 december 2009 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 18 februari 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 19 februari 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De minister van Justitie heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 15 oktober 2010 heeft de vreemdeling een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 oktober 2010, waar de vreemdeling, in persoon en bijgestaan door mr. A.M. van Eik, advocaat te Amsterdam, en de minister voor Immigratie en Asiel (hierna: de minister), vertegenwoordigd door mr. G.M.H. Hoogvliet, advocaat te 's Gravenhage, zijn verschenen.

Bij brief van 15 maart 2011 heeft de Afdeling het onderzoek heropend teneinde nadere schriftelijke inlichtingen als bedoeld in artikel 8:45 van de Algemene wet bestuursrecht in te winnen. De Afdeling heeft partijen verzocht in te gaan op de mogelijke relevantie van het arrest van 21 januari 2011 van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) in de zaak M.S.S. tegen België en Griekenland, zaak nr. 30696/09, JV 2011/68 (hierna: het arrest in de zaak M.S.S.) voor de beoordeling van het hoger beroep.

De vreemdeling en de minister hebben bij brieven van 12 april 2011 aan dit verzoek voldaan.

Bij brief van 12 mei 2011 heeft de vreemdeling een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak nogmaals ter zitting behandeld op 17 mei 2011, waar de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A.M. van Eik, voornoemd, en de minister, vertegenwoordigd door mr. G.M.H. Hoogvliet, voornoemd, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In de overwegingen wordt onder de minister tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 14 juli 2011 in zaak nr. 201009278/1/V3; www.raadvanstate.nl), blijkt uit het arrest in de zaak M.S.S. dat het EHRM bij de beoordeling of overdracht van een vreemdeling met toepassing van de Verordening (EG) 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: de Verordening) aan een andere lidstaat in strijd is met artikel 3, dan wel 13 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), in het bijzonder de detentie- en/of levensomstandigheden waarmee de overgedragen asielzoeker in dat land wordt geconfronteerd en de kwaliteit van de asielprocedure in dat land betrekt. Voorts vloeit uit het arrest in de zaak M.S.S. voort dat ook in een situatie waarin een vreemdeling zijn stelling dat overdracht strijdig is met artikel 3 van het EVRM, louter onderbouwt met een beroep op algemene documentatie die informatie bevat over één of meer van de blijkens het arrest relevante aspecten, een zorgvuldige beoordeling daarvan geboden is.

Zoals de Afdeling eveneens heeft overwogen in voormelde uitspraak van 14 juli 2011, wordt geen grond gezien voor het oordeel dat de door het Court of Appeal aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) gestelde prejudiciële vragen in de weg staan aan een besluit van de minister tot overdracht van een vreemdeling met toepassing van de Verordening. Bij dat oordeel heeft de Afdeling onder meer betrokken dat, gelet op de beoordeling waartoe het arrest in de zaak M.S.S. noopt, ervan kan worden uitgegaan dat eventuele schendingen van het Unierecht in het land waaraan de vreemdeling wordt overgedragen, die buiten het kader van de door het EHRM bij de beoordeling betrokken aspecten vallen en derhalve niet leiden tot de conclusie dat bij overdracht aan een andere lidstaat sprake is van een dreigende schending van artikel 3 van het EVRM, het Hof niet tot het oordeel zullen leiden dat een lidstaat vanwege dergelijke schendingen de behandeling van een asielverzoek met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Verordening aan zich zou moeten trekken.

2.3. In de grieven 1 en 3, in onderlinge samenhang bezien en kort samengevat, klaagt de vreemdeling dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat artikel 6 van de Verordening niet van toepassing is. Daartoe betoogt de vreemdeling dat artikel 6 van de Verordening ziet op de bescherming van niet begeleide minderjarigen, hetgeen met zich brengt dat de lidstaten er zorg voor moeten dragen dat een kind bij een gezinslid kan verblijven. Nu de stichting Nidos zijn voogd is en hij in Malta geen voogd heeft, is de stichting, zo stelt de vreemdeling, te kwalificeren als gezinslid in de zin van dat artikel.

2.3.1. Ingevolge artikel 2, aanhef en onder i, sub iii, van de Verordening, voor zover thans van belang, worden, voor zover het gezin reeds in het land van herkomst bestond, onder gezinsleden verstaan de vader, moeder of voogd.

Ingevolge artikel 6, voor zover thans van belang, berust, indien de asielzoeker een niet begeleide minderjarige is, de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het asielverzoek bij de lidstaat waar een lid van zijn gezin zich wettig ophoudt, voor zover dit in het belang van de minderjarige is.

2.3.2. Dat hier te lande in de voogdij van de vreemdeling is voorzien maakt niet dat de stichting Nidos kan worden aangemerkt als gezinslid in de zin van artikel 2 van de Verordening, zodat artikel 6 van de Verordening toepassing mist. Reeds daarom kan hetgeen in dit opzicht is aangevoerd niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

2.3.3. In grief 3 klaagt de vreemdeling voorts dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat hij het betoog dat zijn voogd zich verzet tegen overdracht zolang de minister niet specificeert door wie en waar de vreemdeling adequaat opvang zal worden geboden in Malta niet volgt, nu uit de ter zake overgelegde stukken, een brief van de stichting Nidos van 4 december 2009 en een verklaring van deze stichting van 10 november 2009, niet blijkt dat in Malta geen voogdijvoorzieningen voor de vreemdeling kunnen worden getroffen. De vreemdeling betoogt daartoe dat hij zijn verklaringen over het ontbreken van voogdijvoorzieningen in Malta heeft gestaafd met stukken van non-gouvernementele en intergouvernementele organisaties die bevestigen dat minderjarigen geen voogdijvoorzieningen in Malta krijgen, maar worden gedetineerd.

2.3.4. Ter ondersteuning van zijn betoog heeft de vreemdeling gewezen op de volgende stukken:

- een resolutie van het Europees Parlement van 6 april 2006 over de situatie in vluchtelingenkampen in Malta;

- een rapport van de United Nations Human Rights Council van 12 maart 2009;

- een rapport van de United Nations High Commissioner for Refugees (hierna: de UNHCR) van 26 januari 2009, getiteld "UN experts express concern at length for illegal migrants in Malta";

- het World report 2009 in zake Malta van Human Rights Watch van 14 januari 2009;

- een rapport van het Committee on Migration, Refugees and Population van de Parliamentary Assembly of the Council of Europe van 11 juli 2008;

- een artikel in MaltaMedia van 29 oktober 2007 getiteld "Somalis "regularly beaten" in Malta, claims Somali website";

- een rapport van het Global Detention Project van december 2009, getiteld "Malta Detention Profile";

- het rapport "Human Rights in Republic of Malta" van 2009 van Amnesty International, en

- een rapport van Artsen zonder grenzen van april 2009 getiteld "Not criminals".

Voorts heeft de vreemdeling, ter nadere onderbouwing van zijn eerder ingenomen stellingen, bij brief van 15 oktober 2010 het

jaarrapport 2010 van Amnesty International en een artikel van de website www.maltatoday.com van 22 september 2010 getiteld "Council of Europe – 'Dublin' undermining refugee rights ans burdening Malta" overgelegd en er met betrekking tot dit laatste stuk op gewezen dat Th. Hammarberg, commissaris voor de mensenrechten van de Raad van Europa, Griekenland en Malta noemt als landen die niet in staat zijn adequate bescherming te bieden aan asielzoekers en heeft hij, bij brief van 12 april 2011, onder meer het rapport van Amnesty Intenational van december 2010 getiteld "Seeking safety, finding fear" overgelegd.

2.3.5. Ter toelichting op zijn standpunt dat in zoverre het niet begeleide minderjarige asielzoekers betreft ten aanzien van Malta kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel heeft de minister gewezen op de inhoud van het rapport van het European Migration Network, National contact point for Malta, getiteld "Unaccompanied minors in Malta" (hierna: het rapport van het EMN). In dit rapport staat onder meer het volgende vermeld:

"All verified unaccompanied minors in Malta are placed under a Care Order, which ensures their rights and access to support. This Care Order places the child under the direct care and responsibility of the Minister for Social Policy. Due to their special circumstances, UM are given a special provision and they are protected until the age of 18. When age is verified, the process for the issuing of a Care Order commences. The social worker on the Age Assessment Team [a] prepares a Social Work Report which is then approved and signed by both the Chair of the Team and the director of OIWAS, seen and countersigned by the Director of Social Welfare Standards and submitted to the Minister for Social Policy for signature that makes it effective. The Children’s and Young Persons’ Advisory Board receive a copy of the Care Order that includes information on where the child has been placed."

2.3.6. Volgens de door de vreemdeling overgelegde stukken worden vreemdelingen bij aankomst in Malta gedetineerd, waarbij voor niet begeleide minderjarige asielzoekers geen uitzondering wordt gemaakt. Anders dan de vreemdeling kennelijk meent kan niet reeds daaraan de conclusie worden verbonden dat in Malta geen voogdijvoorzieningen worden getroffen. Nu volgens het rapport van het EMN alle onbegeleide minderjarige asielzoekers onder voogdij worden geplaatst, bestaat geen grond voor het oordeel dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat in Malta geen voogdijvoorzieningen voor de vreemdeling zouden kunnen worden getroffen. Daartoe bestaat bovendien te minder aanleiding nu ter zitting van de Afdeling van 19 oktober 2010 is gebleken dat aan de vreemdeling na zijn detentie in Malta een voogd is toegewezen.

2.3.7. De stelling dat de stichting Nidos de vreemdeling niet zal laten gaan zolang de minister niet specificeert door wie en waar de vreemdeling adequaat wordt opvangen en voogdij zal worden geboden, heeft de voorzieningenrechter terecht geen aanleiding gegeven tot een ander oordeel, reeds omdat uit vorenbedoelde brief en vorenbedoelde verklaring van de stichting Nidos niet blijkt dat er in Malta voor alleenstaande minderjarigen zoals de vreemdeling na overdracht aan die lidstaat geen opvang voorhanden is en geen voogdijvoorzieningen zullen worden getroffen. In dit kader is voorts van belang dat de minister ter zitting van de Afdeling van 19 oktober 2010 erop heeft gewezen dat minderjarigen bij de overdracht door Nederland naar een andere lidstaat worden geëscorteerd en normaliter daar ter plaatse door de begeleider worden overgedragen.

2.3.8. De vreemdeling heeft er tenslotte ter zitting van de Afdeling van 19 oktober 2010 op gewezen dat een herschikkingsvoorstel van de Verordening bij de werkgroep van experts van de Raad van Europa en het Europees Parlement voorligt, in welk voorstel onder meer is opgenomen dat asielverzoeken van niet-begeleide minderjarigen worden behandeld door de lidstaat waar de meest recente asielaanvraag is ingediend. Dit voorstel geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de minister om die reden reeds thans de behandeling van de door de vreemdeling ingediende asielaanvraag onverplicht aan zich moet trekken.

2.3.9. De grieven 1 en 3 falen.

2.4. In grief 2 klaagt de vreemdeling dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat de vreemdeling er niet in is geslaagd aan de hand van concrete op de individuele zaak betrokken feiten en omstandigheden aannemelijk te maken dat de minister ten opzichte van Malta niet mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De voorzieningenrechter heeft, zo betoogt de vreemdeling, miskend dat hij zijn verklaringen over het ontbreken van scholing, begeleiding, medische hulp en enige andere voorziening heeft gestaafd met stukken van non-gouvernementele en intergouvernementele organisaties en dat deze stukken een objectieve onderbouwing vormen van hetgeen hij heeft verklaard. Voorts is de voorzieningenrechter, aldus de vreemdeling, ten onrechte niet ingegaan op zijn gemotiveerde stelling dat Malta in strijd met artikel 3 van het EVRM asielzoekers, waaronder ook op grond van de Verordening overgedragen asielzoekers, heeft uitgezet en is de voorzieningenrechter, door te overwegen dat Malta door het accepteren van het claimverzoek heeft bevestigd dat er een inhoudelijke beoordeling van het asielaanvraag zal plaatsvinden, voorbij gegaan aan zijn gemotiveerde uiteenzetting dat de asielprocedure in Malta niet voldoet aan Richtlijn 2005/85/EG van de Raad van 1 december 2005 betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus en Malta daarom in strijd handelt met haar internationale verplichtingen voortvloeiend uit het EVRM en het Vluchtelingenverdrag. Tenslotte heeft de vreemdeling betoogd dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat de toegewezen interim measures impliceren dat Malta zijn non-refoulement verplichting voortvloeiend uit het EVRM niet nakomt en derhalve ten opzichte van Malta niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

In de grieven 4 en 5 klaagt de vreemdeling dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat de klacht dat Malta in strijd handelt met Richtlijn 2003/9/EG van de Raad van de Europese Unie van 27 januari 2003 tot vaststelling van minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten, moet worden ingebracht en behandeld in Malta en evenzeer ten onrechte heeft overwogen dat over de behandeling van asielzoekers door de Maltese autoriteiten en de omstandigheden waaronder zij in Malta in detentie verblijven moet worden geklaagd in Malta. Daartoe betoogt de vreemdeling, in onderlinge samenhang bezien en samengevat weergegeven, dat hij zijn betoog dat hij geen rechtshulp heeft gekregen heeft onderbouwd met de door hem overgelegde stukken, waaronder het jaarrapport 2009 van Amnesty International, en dat uit dat laatste rapport blijkt dat er geen rechterlijke toets plaatsvindt van de detentie.

2.4.1. De vreemdeling heeft zich ter ondersteuning van zijn standpunt dat ten opzichte van Malta niet kan worden vastgehouden aan het interstatelijk vertrouwensbeginsel gewezen op de hiervoor onder 2.3.4. genoemde stukken.

2.4.2. De door de vreemdeling overgelegde stukken hebben in hoofdzaak betrekking op de omstandigheid dat vreemdelingen die voor het eerst in Malta arriveren en aldaar een asielaanvraag indienen gedurende langere tijd in detentie kunnen worden gehouden, dat die detentie plaatsvindt onder omstandigheden die te wensen overlaten, asielzoekers geconfronteerd worden met een gebrek aan beschikbare rechtsbijstand en informatie en dat geen automatische heroverweging van de detentie plaatsvindt. Niet blijkt echter dat het uit de genoemde stukken naar voren komende beeld ook van toepassing zou zijn op vreemdelingen die in het kader van de Verordening aan Malta worden overgedragen en met name blijkt daaruit niet dat deze vreemdelingen bij aankomst in Malta opnieuw worden gedetineerd. Reeds daarom staan de in die stukken weergegeven detentieomstandigheden van asielzoekers die voor het eerst in Malta arriveren niet aan overdracht in de weg.

2.4.3. Voor zover is beoogd te betogen dat asielzoekers ook na detentie onder slechts omstandigheden worden opgevangen wordt het volgende overwogen.

2.4.3.1. Het door de vreemdeling overgelegde stuk van Amnesty Intenational van december 2010 "Seeking safety, finding fear", vermeldt in de paragraaf "Open Centres and poor conditions", voor zover hier van belang, het volgende:

"After they have spent the maximum period allowed in detention or have been granted some form of protection, individuals are assigned places in open centres. Most centres are run by the Agency for the Welfare of Asylum Seekers and include specialized facilities for single women, families, and unaccompanied minors. None of the centres is adequately staffed; in particular, they lack medical and social care workers. Residents also complain about overcrowding, poor sanitation, the lack of privacy and the absence of recreational activities."

2.4.3.2. De minister heeft ter toelichting op zijn standpunt dat voor de opvang van niet begeleide minderjarige asielzoekers voor Malta kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel gewezen op de inhoud van het rapport van het EMN. Daarin staat, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

"Homes for UM's are worlds apart from detention, and operate to provide a safe residential setting, education, preperation for employment, cultural orientation and leisure activities. There are two of these, Dar is-Sliem accommodating up to 30 under-16s of both genders, and Dar il-Liedna hosting up to 18 male over-16s. Osanna Pia, a mainstream Church run hostel, now takes some who need special attention."

2.4.3.3. Uit vorenbedoeld rapport van Amnesty International blijkt dat er voor onder meer minderjarigen is voorzien in speciale opvangvoorzieningen, hetgeen wordt bevestigd door het rapport van het EMN. Gelet op de blijkens laatst genoemd rapport geboden faciliteiten bestaat er geen grond voor het oordeel dat de levensomstandigheden voor de vreemdeling na overdracht aan Malta zodanig zullen zijn dat moet worden geconcludeerd dat na overdracht een situatie zal ontstaan die strijdig is met artikel 3, dan wel artikel 13 van het EVRM.

2.4.4. Voor zover is beoogd te betogen dat de asielprocedure in Malta zodanig is dat overdracht aan die lidstaat in strijd is met artikel 3 EVRM wordt het volgende overwogen.

2.4.4.1. Het door de vreemdeling overgelegde rapport van Amnesty International van december 2010 "Seeking safety, finding fear" vermeldt over de asielprocedure het volgende:

"Between 2002 and 2010, over 6,000 individuals were granted some form of protection by the Refugee Commissioner in Malta, the official body responsible for examining asylum claims. The decrease in the number of arrivals since mid-2009 has reduced the time needed to process new asylum claims. For instance, the 28 Somalis who arrived in Malta in July 2010 were all granted international protection within two months. In another positive development, the Refugee Commissioner decided to reconsider a number of rejected claims of nationals from the Democratic Republic of Congo, Ethiopia and Sudan in light of developments in their countries of origin. However, concerns remain around the right of rejected asylum-seekers to appeal effectively. For instance, negative decisions are not sufficiently reasoned, depriving rejected asylum-seekers of the opportunity to challenge successfully the decision. Moreover, asylum-seekers and their lawyers are not granted full access to the case file. Further, the Refugee Appeals Board holds its sessions behind closed doors and is reported to have reversed decisions in only four cases between 2002 and 2008."

In het rapport van de United Nations Human Rights Council van 12 maart 2009 staat, onder verwijzing naar een rapport van de UNHCR van juli 2007 getiteld "The detention of refugees and asylum-seekers by reason of their unauthorized entry or presence", vermeld dat een zeer groot aantal personen dat wordt gered door de Maltese marine wordt erkend als zijnde personen die internationale bescherming nodig hebben. Het rapport van het Global Detention Project van december 2009 vermeldt, onder verwijzing naar een rapport van de European Commission against Racism and Intolerance (ECRI) van 14 december 2007 en naar eerdergenoemd rapport van Artsen Zonder Grenzen van april 2009, dat tussen januari 2002 en mei 2007 aan 4% van de asielzoekers een vluchtelingenstatus is verleend en dat aan ongeveer 45% tijdelijke humanitaire bescherming is verleend en dat in 2008 aan minder dan 1% van de asielzoekers de vluchtelingenstatus is verleend en aan de meerderheid van hen, 53%, humanitaire bescherming is verleend.

2.4.4.2. Het door de minister overgelegde rapport van het EMN vermeldt over de asielprocedure onder meer het volgende:

"The Office firmly believes that the interest of the child, has to be considered as a first priority, thus treating UM as children first and migrants second, even at the point when age has not yet been verified. The Office of the Refugee Commissioner believes that itis important that the agency responsible for age assessment keeps the Office informed of the stage reached in the age assessment, even though the office can only proceed after the AAT have reached their decision. The Office of the Refugee Commissioner can proceed to interview the minor after he/she has been appointed a Legal guardian and released to the residential home.

The Office, despite the increasing numbers in asylum applications, proceeds to interview UM as early as possible and gives them priority over other cases. Furthermore, the office asserts that they are interviewed in the most sensitive manner."

en

"Each case is assigned an interpreter unless the individual claiming for asylum decides not to use this service. Before the start of every procedure, the asylum seekers, including UM are given the opportunity to ensure that they are able to communicate and understand clearly the assigned interpreter.

These interpreters are given induction training which is provided by the Office of the Refugee Commissioner. Asylum determination officers, who work closely with interpreters on a frequent basis, are also encouraged to give feedback to the interpreters as to allow for on- the spot training. This is in congruency with the UNHCR (1997) guidelines which stipulate the importance of having skilled and trained interpreters.

The asylum determination officers are required to have a first Degree and/or a Masters Degree in social sciences such as Psychology and Sociology. The office also has asylum determination officers with a background in Law. Asylum determination officers are given a minimum of one month training, which includes training on both the legal aspect as well as the interviewing process. After being acquainted with this theoretical background, asylum determination officers are given hands on training, where they are monitored by a senior colleague. The office has also introduced a mentoring system whereby a senior asylum determination officer follows closely the work of their new colleagues. All cases are thoroughly re-examined by the Refugee Commissioner or his Assistant.

The Office of the Refugee Commissioners assigns the most experienced case workers to lead interviews with UM. A discretionary policy may also be used, by which an UM who is of a tender age, is not interviewed directly, but the asylum procedure is conducted by compiling the information about the UM from his/her legal guardian. Thus, in the best interest of the child, the interview may be pursued by his/her legal guardian."

2.4.4.3. Uit de door de vreemdeling overgelegde stukken blijkt niet dat het in Malta niet mogelijk of uiterst moeilijk is een asielaanvraag in te dienen. Evenmin blijkt daaruit van ernstige tekortkomingen in het onderzoek van de aanvraag, een gebrek aan tolken of van onvoldoende training van het personeel dat de gehoren afneemt en/of een beslissing op de asielaanvraag neemt, terwijl evenmin blijkt dat in Malta slechts in uitzonderlijke gevallen een asielaanvraag wordt gehonoreerd. Uit de door de vreemdeling overgelegde stukken blijkt daarentegen dat aan grote aantallen asielzoekers tenminste enige vorm van bescherming wordt geboden. Weliswaar maakt het rapport van Amnesty International melding van enkele tekortkomingen in de Maltese asielprocedure, maar er bestaat, mede gelet op het vorenoverwogene, geen grond voor het oordeel dat deze gebreken zodanig zijn dat sprake is van ernstige gebreken in de asielprocedure, zodanig dat overdracht strijd oplevert met de artikelen 3 of 13 van het EVRM of met het Vluchtelingenverdrag. Ten aanzien van de vreemdeling bestaat voor dat oordeel te minder aanleiding nu uit het rapport van het EMN blijkt dat tijdens de asielprocedure bijzondere aandacht wordt geschonken aan onbegeleide minderjarigen en dat bij het beoordelen van asielverzoeken gebruik wordt gemaakt van hoogopgeleide en voor dat doel geschoolde medewerkers.

2.4.5. Hoewel de vreemdeling, gelet op het in 2.2. overwogene, terecht klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij op grond van concrete, op de individuele zaak betrokken feiten en omstandigheden aannemelijk moet maken dat de minister ten opzichte van Malta niet kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, kan dit niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. Daartoe is redengevend dat, gelet op het voorgaande, van de door de vreemdelingen ingeroepen documenten op voorhand kan worden gezegd dat ze niet kunnen leiden tot het oordeel dat de in het arrest in de zaak M.S.S. in verband met de Griekse asielprocedure genoemde aspecten aan overdracht naar Malta in de weg zouden moeten staan. Zoals hiervoor overwogen kunnen de documenten voor zover deze zien op de detentie, niet tot dit oordeel leiden reeds nu hieruit niet blijkt dat met toepassing van de Verordening naar Malta overdragen vreemdelingen worden gedetineerd. Voor zover de ingeroepen documenten zien op de levensomstandigheden voor de vreemdeling na overdracht aan en de asielprocedure in Malta, kan hieruit, zoals hiervoor eveneens is overwogen, niet worden afgeleid dat de situatie in Malta zodanig is dat niet zonder een in het besluit op deze documenten toegespitste standpuntbepaling kan worden aangenomen dat deze aan overdracht in de weg staan. Er bestaat derhalve geen grond voor het oordeel dat door de overdracht van de vreemdeling aan Malta een situatie zal ontstaan die strijdig is met artikel 3, dan wel 13 van het EVRM en de minister zich om die reden niet zonder nadere motivering met een beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel op het standpunt kan stellen, dat ervan kan worden uitgegaan dat Malta de refoulementverboden niet zal schenden.

2.4.6. De vreemdeling klaagt terecht dat de voorzieningenrechter niet is ingegaan op zijn beroepsgrond dat Malta in strijd met artikel 3 EVRM asielzoekers, waaronder ook op grond van de Verordening overgedragen asielzoekers, heeft uitgezet. De klacht kan echter niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

De vreemdeling heeft in beroep betoogd dat een grote groep Eritrese asielzoekers in 2002 is gedeporteerd naar Libië. Hij heeft voorts, onder verwijzing naar het in zijn zaak uitgebrachte zwaarwegend advies van 23 juni 2009, betoogd dat Malta blijkens het rapport van de UNHCR van juni 2007 getiteld "Persons of UNHCR concern in Malta: possibility of incidents of refoulement" in december 2005 twee Turkse asielzoekers die op grond van de Verordening door Duitsland aan Malta waren overgedragen direct heeft uitgezet naar Turkije.

In aanmerking genomen dat melding wordt gemaakt van slechts één geval waarin op grond van de Verordening overgedragen asielzoekers zijn uitgezet naar hun land van herkomst en de sinds die gebeurtenis verstreken tijd, is hiermee niet gebleken dat in het kader van de Verordening overgedragen vreemdelingen een risico op uitzetting in strijd met artikel 3 van het EVRM lopen.

2.4.7. Dat de President van het EHRM diverse interim measures heeft getroffen impliceert, anders dan de vreemdeling heeft betoogd, niet dat Malta zijn refoulementverplichtingen voortvloeiend uit het EVRM en het Vluchtelingenverdrag niet nakomt. De interim measures zijn niet van een motivering voorzien, zodat daaruit niet kan worden afgeleid of deze betekenis hebben voor andere vreemdelingen. Dat de zaak waarin op 9 november 2010 een interim measure is getroffen, naar de vreemdeling stelt, veel overeenkomsten vertoont met zijn zaak, kan niet tot een ander oordeel leiden. In dit verband is van belang dat de minister er in zijn brief van 12 april 2011 op heeft gewezen dat er in 2010, voor zover hem bekend, drie interim measures zijn getroffen en zeven zijn afgewezen.

2.4.8. De grieven 2, 4 en 5 falen.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. M.G.J. Parkins de Vin, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Vonk, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Vonk

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2011

345.

Verzonden: 7 oktober 2011

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser