Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BT8367

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-10-2011
Datum publicatie
18-10-2011
Zaaknummer
201005977/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet blijkt echter dat het uit de genoemde stukken naar voren komende beeld ook van toepassing zou zijn op vreemdelingen die in het kader van de Verordening aan Malta worden overgedragen en met name blijkt daaruit niet dat in het kader van de Verordening overgedragen vreemdelingen bij aankomst in Malta opnieuw worden gedetineerd. Reeds daarom staan de in die stukken weergegeven detentieomstandigheden van asielzoekers die voor het eerst in Malta arriveren niet aan overdracht in de weg.[…].

Hoewel uit het vorenstaande blijkt dat de opvang voor verbetering vatbaar is en niet in alle gevallen als adequaat is aan te merken, blijkt daaruit evenzeer dat in alle gevallen opvang wordt geboden en dat in aanvulling op die opvang en op het verstrekken van voeding een financiële toelage wordt verstrekt. Gelet daarop bieden de documenten waar de vreemdeling zich ten aanzien van de situatie in Malta op heeft beroepen onvoldoende grond voor de conclusie dat de leefomstandigheden waar de vreemdeling in die lidstaat mee te maken kan krijgen van een zodanige aard zijn dat op basis daarvan zou moeten worden geconcludeerd dat voor de vreemdeling bij overdracht aan Malta een situatie zal ontstaan die strijdig is met artikel 3, dan wel 13 van het EVRM. […].

Daartoe is redengevend dat, gelet op het voorgaande, van de door de vreemdelingen ingeroepen documenten op voorhand kan worden gezegd dat ze niet kunnen leiden tot het oordeel dat de in het arrest in de zaak M.S.S. in verband met de Griekse asielprocedure genoemde aspecten aan overdracht naar Malta in de weg zouden moeten staan. Zoals hiervoor overwogen kunnen de documenten voor zover deze zien op de detentie, niet tot dit oordeel leiden reeds nu hieruit niet blijkt dat met toepassing van de Verordening naar Malta overdragen vreemdelingen worden gedetineerd. Voor zover de ingeroepen documenten zien op de levensomstandigheden voor de vreemdeling na overdracht aan en de asielprocedure in Malta, kan hieruit, zoals hiervoor eveneens is overwogen, niet worden afgeleid dat de situatie in Malta zodanig is dat niet zonder een in het besluit op deze documenten toegespitste standpuntbepaling kan worden aangenomen dat deze aan overdracht in de weg staan.[…].

In aanmerking genomen dat melding wordt gemaakt van slechts één geval waarin op grond van de Verordening overgedragen asielzoekers zijn uitgezet naar hun land van herkomst en de sinds die gebeurtenis verstreken tijd, is hiermee niet gebleken dat in het kader van de Verordening overgedragen vreemdelingen een risico op uitzetting in strijd met artikel 3 van het EVRM lopen van zodanige aard en omvang dat het als reëel kan worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2011/493
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201005977/1/V3.

Datum uitspraak: 7 oktober 2011

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 27 mei 2010 in zaak nr. 09/47837 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 december 2009 heeft de staatssecretaris van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 27 mei 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 21 juni 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 oktober 2010, waar de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. P. Ograjensek, advocaat te Echt, en de minister voor Immigratie en Asiel (hierna: de minister), vertegenwoordigd door mr. G.M.H. Hoogvliet, advocaat te 's Gravenhage, zijn verschenen.

Bij brief van 15 maart 2011 heeft de Afdeling het onderzoek heropend teneinde nadere schriftelijke inlichtingen als bedoeld in artikel 8:45 van de Algemene wet bestuursrecht in te winnen. De Afdeling heeft partijen verzocht in te gaan op de mogelijke relevantie van het arrest van 21 januari 2011 van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) in de zaak M.S.S. tegen België en Griekenland, zaak nr. 30696/09, JV 2011/68 (hierna: het arrest in de zaak M.S.S.) voor de beoordeling van het hoger beroep.

De vreemdeling en de minister hebben bij brieven van 8 april 2011 onderscheidenlijk 12 april 2011 aan dit verzoek voldaan.

Met toestemming van partijen is van een hernieuwde behandeling ter zitting afgezien. Vervolgens is het onderzoek opnieuw gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de overwegingen wordt onder de minister tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 14 juli 2011 in zaak nr. 201009278/1/V3; www.raadvanstate.nl), blijkt uit het arrest in de zaak M.S.S. dat het EHRM bij de beoordeling of overdracht van een vreemdeling met toepassing van de Verordening (EG) 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: de Verordening) aan een andere lidstaat in strijd is met artikel 3, dan wel 13 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), in het bijzonder de detentie- en/of levensomstandigheden waarmee de overgedragen asielzoeker in dat land wordt geconfronteerd en de kwaliteit van de asielprocedure in dat land betrekt. Voorts vloeit uit het arrest in de zaak M.S.S. voort dat ook in een situatie waarin een vreemdeling zijn stelling dat overdracht strijdig is met artikel 3 van het EVRM, louter onderbouwt met een beroep op algemene documentatie die informatie bevat over één of meer van de blijkens het arrest relevante aspecten, een zorgvuldige beoordeling daarvan geboden is.

Zoals de Afdeling eveneens heeft overwogen in voormelde uitspraak van 14 juli 2011, wordt geen grond gezien voor het oordeel dat de door het Court of Appeal aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) gestelde prejudiciële vragen in de weg staan aan een besluit van de minister tot overdracht van een vreemdeling met toepassing van de Verordening. Bij dat oordeel heeft de Afdeling onder meer betrokken dat, gelet op de beoordeling waartoe het arrest in de zaak M.S.S. noopt, ervan kan worden uitgegaan dat eventuele schendingen van het Unierecht in het land waaraan de vreemdeling wordt overgedragen, die buiten het kader van de door het EHRM bij de beoordeling betrokken aspecten vallen en derhalve niet leiden tot de conclusie dat bij overdracht aan een andere lidstaat sprake is van een dreigende schending van artikel 3 van het EVRM, het Hof niet tot het oordeel zullen leiden dat een lidstaat vanwege dergelijke schendingen de behandeling van een asielverzoek met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Verordening aan zich zou moeten trekken.

2.3. In de grieven 1 tot en met 4, in onderlinge samenhang bezien en samengevat weergegeven, klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister ten opzichte van Malta in zijn algemeenheid mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat de vreemdeling er niet in is geslaagd op grond van concrete, op de individuele zaak betrokken feiten en omstandigheden aannemelijk te maken dat dit wat betreft Malta anders is.

Daartoe betoogt hij, onder verwijzing naar diverse stukken, dat asielzoekers bij aankomst in Malta langdurig worden gedetineerd onder slechte omstandigheden, dat hij geen toegang heeft tot opvang-, juridische en overige voorzieningen, dat hij geen toegang heeft tot de asielprocedure en dat hij het risico loopt door de Maltese autoriteiten te worden teruggestuurd naar Somalië. Dit, zo stelt hij, is onder meer in strijd met artikel 18 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 7 december 2000, als aangepast op 12 december 2007 te Straatsburg, (laatstelijk gepubliceerd in PB 2010, C 83/389), Richtlijn 2003/9/EG van de Raad van de Europese Unie van 27 januari 2003 tot vaststelling van minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten, Richtlijn 2004/83/EG van 29 april 2004 van de Raad van de Europese Unie inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchtelingen of als personen die anderszins internationale bescherming behoeven, en de inhoud van de verleende bescherming en Richtlijn 2005/85/EG van 1 december 2005 van de Raad van de Europese Unie betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus. Voorts heeft de vreemdeling gewezen op een tweetal door de President van het EHRM in andere zaken getroffen interim measures. Onder die omstandigheden kan ten aanzien van Malta niet langer worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, aldus de vreemdeling.

2.3.1. Ter ondersteuning van zijn betoog heeft de vreemdeling gewezen op de volgende stukken:

- een rapport van de United Nations High Commissioner for Refugees (hierna: de UNHCR) van 26 januari 2009, getiteld "UN experts express concern at length for illegal migrants in Malta";

- een resolutie van het Europees Parlement van 6 april 2006 over de situatie in vluchtelingenkampen in Malta;

- Human Rights Watch World Report 2009 - Malta;

- Small frontier Island: Malta and the challenge of irregular Immigration van D. Lutterbeck;

- een rapport van de United Nations Human Rights Council van 12 maart 2009;

- een rapport van Freedom House, Freedom in the World - Malta (2008);

- een rapport van de European Commision against Racism and Intolerance (hierna: ECRI) van 14 december 2007;

- een artikel in MaltaMedia van 29 oktober 2007 getiteld "Somalis "regularly beaten" in Malta, claims Somali website";

- Refugee Documentation Centre (Ireland), Treatment of asylum seekers returned from Malta to Libya van 27 augustus 2009;

- het rapport "Human Rights in Republic of Malta" van 2009 van Amnesty International;

- brief van Vluchtelingenwerk Nederland in zake Malta van 19 juli 2009;

- Global Detention Project, Malta Detention Profile;

- zienswijze van Th. Hammarberg, commissaris voor de mensenrechten van de Raad van Europa, aan het EHRM van 10 maart 2010, kenmerk CommDH (2010)9;

- een persbericht van commissaris Hammarberg van 16 maart 2010;

- een brief van commissaris Hammarberg aan de minister van Justitie en Binnenlandse Zaken van Malta van 26 augustus 2009, en

- een rapport van de UNHCR van juni 2007 getiteld "Persons of UNHCR concern in Malta: possibility of incidents of refoulement".

2.3.2. De door de vreemdeling overgelegde stukken hebben in hoofdzaak betrekking op de omstandigheid dat vreemdelingen die voor het eerst arriveren in Malta en aldaar een asielaanvraag indienen gedurende langere tijd in detentie kunnen worden gehouden, dat die detentie plaatsvindt onder omstandigheden die te wensen overlaten, asielzoekers geconfronteerd worden met een gebrek aan beschikbare rechtsbijstand en informatie en dat geen automatische heroverweging van de detentie plaatsvindt. Niet blijkt echter dat het uit de genoemde stukken naar voren komende beeld ook van toepassing zou zijn op vreemdelingen die in het kader van de Verordening aan Malta worden overgedragen en met name blijkt daaruit niet dat in het kader van de Verordening overgedragen vreemdelingen bij aankomst in Malta opnieuw worden gedetineerd. Reeds daarom staan de in die stukken weergegeven detentieomstandigheden van asielzoekers die voor het eerst in Malta arriveren niet aan overdracht in de weg.

2.3.3. Dat de vreemdeling in Malta geen toegang zou hebben tot de asielprocedure heeft hij ook ter zitting bij de rechtbank naar voren gebracht. Naar aanleiding hiervan heeft de rechtbank overwogen dat uit het terugnameakkoord blijkt dat de asielaanvraag in Malta in behandeling is en dat de vreemdeling blijkens het gehoor Dublincliam zelf heeft verklaard een asielaanvraag te hebben ingediend. Nu deze overwegingen in hoger beroep niet zijn bestreden, kan hetgeen de vreemdeling in dit opzicht heeft aangevoerd reeds daarom niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden.

2.3.3.1. De vreemdeling betoogt voorts, onder verwijzing naar het door hem overgelegde stuk van D. Lutterbeck, dat slechts een zeer laag aantal asielzoekers wordt toegelaten.

2.3.3.2. In voornoemd stuk staat in de paragraaf "Asylum Applications", voor zover hier van belang, het volgende:

"Another significant aspect in this context has been the high percentage of applications who have been granted temporary humanitarian protection, that is, who have not been given formal refugee status but have rather been permitted to remain temporarily in Malta due to the risks they would face in their country of Origin. While, as in most other EU countries, only very few applicants have been granted refugee status under the Geneva Refugee Convention (around 3 percent), almost half have been allowed to stay in Malta on humanitarian grounds, which is the highest percentage among all EU countries. Moreover, even rejected asylum seekers often end up staying in the country, as Malta repatriates very few failed asylum seekers to their home country."

2.3.3.3. Gelet op het vorenstaande is het betoog van de vreemdeling dat slechts een zeer laag aantal asielzoekers wordt toegelaten gebaseerd op een onvolledige lezing van het stuk. Voor zover de vreemdeling heeft beoogd te betogen dat de asielprocedure niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen wordt overwogen dat vorenbedoeld stuk noch de overige door de vreemdeling overgelegde stukken grond bieden voor dat oordeel.

2.3.3.4. Uit het vorenstaande vloeit voort dat de inhoud van de stukken waar de vreemdeling zich ten aanzien van de asielprocedure in Malta op heeft beroepen, niet zodanig is dat op basis daarvan zou moeten worden geconcludeerd dat voor de vreemdeling bij overdracht aan Malta een situatie zal ontstaan die strijdig is met artikel 3, dan wel 13 van het EVRM.

2.3.4. Voor zover is beoogd te betogen dat asielzoekers ook na detentie onder slechts omstandigheden worden opgevangen wordt overwogen dat de door de vreemdeling overgelegde stukken daartoe geen grond bieden. In dit verband wordt verwezen naar het door de vreemdeling overgelegde stuk van ECRI, waarin, voor zover hier van belang, het volgende is vermeld:

"60. Once released from detention, refugees, asylum seekers and immigrants are accommodated in open centres that are run either by the State authorities (the Ministry for the Family and Social Solidarity) or by civil society organisations (including the Emigrants’ Commission). At the time of writing, these centres housed approximately 2,000 persons. Generally speaking, conditions in open centres that accommodate persons belonging to vulnerable categories of migrants are reported to be good. In the other open centres, however, conditions vary. ECRI regrets that at the time of writing, several hundred persons are accommodated in tents in totally inadequate conditions at the State-run Hal Far open centre, located just opposite the Hal Far detention centre. The Maltese authorities have informed ECRI that they are working to improve the conditions at the centre, although ECRI understands that for the foreseeable future, people will continue to live in tents. Conditions at the Marsa open centre are reported to be considerably better.

61. In its second report, ECRI encouraged the Maltese authorities to assist asylum seekers and refugees in finding accommodation and to provide them with financial support when necessary. ECRI notes that, in addition to accommodation and food, residents of open centres are granted a daily allowance (around 4,60€ per adult and 2,30€ per child)."

2.3.4.1. Hoewel uit het vorenstaande blijkt dat de opvang voor verbetering vatbaar is en niet in alle gevallen als adequaat is aan te merken, blijkt daaruit evenzeer dat in alle gevallen opvang wordt geboden en dat in aanvulling op die opvang en op het verstrekken van voeding een financiële toelage wordt verstrekt. Gelet daarop bieden de documenten waar de vreemdeling zich ten aanzien van de situatie in Malta op heeft beroepen onvoldoende grond voor de conclusie dat de leefomstandigheden waar de vreemdeling in die lidstaat mee te maken kan krijgen van een zodanige aard zijn dat op basis daarvan zou moeten worden geconcludeerd dat voor de vreemdeling bij overdracht aan Malta een situatie zal ontstaan die strijdig is met artikel 3, dan wel 13 van het EVRM.

2.3.5. Hoewel de vreemdeling, gelet op het in 2.2. overwogene, terecht klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij op grond van concrete, op de individuele zaak betrokken feiten en omstandigheden aannemelijk moet maken dat de minister ten opzichte van Malta niet kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, kan dit niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. Daartoe is redengevend dat, gelet op het voorgaande, van de door de vreemdelingen ingeroepen documenten op voorhand kan worden gezegd dat ze niet kunnen leiden tot het oordeel dat de in het arrest in de zaak M.S.S. in verband met de Griekse asielprocedure genoemde aspecten aan overdracht naar Malta in de weg zouden moeten staan. Zoals hiervoor overwogen kunnen de documenten voor zover deze zien op de detentie, niet tot dit oordeel leiden reeds nu hieruit niet blijkt dat met toepassing van de Verordening naar Malta overdragen vreemdelingen worden gedetineerd. Voor zover de ingeroepen documenten zien op de levensomstandigheden voor de vreemdeling na overdracht aan en de asielprocedure in Malta, kan hieruit, zoals hiervoor eveneens is overwogen, niet worden afgeleid dat de situatie in Malta zodanig is dat niet zonder een in het besluit op deze documenten toegespitste standpuntbepaling kan worden aangenomen dat deze aan overdracht in de weg staan. Er bestaat derhalve geen grond voor het oordeel dat door de overdracht van de vreemdeling aan Malta een situatie zal ontstaan die strijdig is met artikel 3, dan wel 13 van het EVRM en de minister zich om die reden niet zonder nadere motivering met een beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel op het standpunt kan stellen, dat ervan kan worden uitgegaan dat Malta de refoulementverboden niet zal schenden.

2.3.6. De vreemdeling heeft voorts, onder verwijzing naar het rapport van de UNHCR van juni 2007 getiteld "Persons of UNHCR concern in Malta: possibility of incidents of refoulement", betoogd dat Malta in december 2005 twee Turkse asielzoekers die op grond van de Verordening door Duitsland waren overgedragen aan Malta direct heeft uitgezet naar Turkije.

In aanmerking genomen dat melding wordt gemaakt van slechts één geval waarin op grond van de Verordening overgedragen asielzoekers zijn uitgezet naar hun land van herkomst en de sinds die gebeurtenis verstreken tijd, is hiermee niet gebleken dat in het kader van de Verordening overgedragen vreemdelingen een risico op uitzetting in strijd met artikel 3 van het EVRM lopen van zodanige aard en omvang dat het als reëel kan worden aangemerkt.

2.3.7. Dat de President van het EHRM diverse interim measures heeft getroffen geeft geen grond voor het oordeel dat Malta zijn refoulementverplichtingen voortvloeiend uit het EVRM en het Vluchtelingenverdrag niet nakomt. De interim measures zijn niet van een motivering voorzien, zodat daaruit niet kan worden afgeleid of deze betekenis hebben voor andere vreemdelingen. In dit verband is voorts van belang dat de minister er in zijn brief van 12 april 2011 op heeft gewezen dat er in 2010, voor zover hem bekend, drie interim measures zijn getroffen en zeven zijn afgewezen.

2.3.8. Gelet op het vorenstaande falen de grieven 1 tot en met 4.

2.4. Grief 5 heeft geen zelfstandige betekenis.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. M.G.J. Parkins de Vin, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Vonk, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Vonk

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2011

345.

Verzonden: 7 oktober 2011

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser