Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BT7440

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-10-2011
Datum publicatie
12-10-2011
Zaaknummer
201100942/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 juni 2010 heeft de burgemeester [wederpartij] onder aanzegging van bestuursdwang gelast de [horeca-inrichting] (hierna: het theehuis), gevestigd aan de [locatie] te Rotterdam, voor de duur van twaalf maanden te sluiten.

Bij besluit van 25 oktober 2010 heeft de burgemeester het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201100942/1/H3.

Datum uitspraak: 12 oktober 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de burgemeester van Rotterdam,

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 13 december 2010 in de zaken nrs. 10/4333 en 10/4335 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te Rotterdam,

en

de burgemeester.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 juni 2010 heeft de burgemeester [wederpartij] onder aanzegging van bestuursdwang gelast de [horeca-inrichting] (hierna: het theehuis), gevestigd aan de [locatie] te Rotterdam, voor de duur van twaalf maanden te sluiten.

Bij besluit van 25 oktober 2010 heeft de burgemeester het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 december 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en zelf in de zaak voorzien door het besluit van 15 juni 2010 te herroepen en te bepalen dat het theehuis vanaf 15 juni 2010 voor de duur van zes maanden gesloten dient te blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de burgemeester bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 januari 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 17 februari 2011.

Bij brief van 22 maart 2011 heeft [wederpartij] een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 augustus 2011, waar de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. A.J.J. van der Vlist en mr. S.W. Remmert, beiden werkzaam bij de gemeente, en [wederpartij], bijgestaan door mr. M.P.P.M. Weerts, advocaat te Rotterdam, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

2.2. Volgens het bij de Horecanota Rotterdam 2007-2011 horende Handhavingsarrangement horeca besluit de burgemeester bij de aanwezigheid van een handelshoeveelheid van een middel als bedoeld in lijst I of II van de Opiumwet of bij handel in een dergelijk middel tot intrekking van de exploitatievergunning en/of tot het bevelen van de sluiting van de desbetreffende inrichting voor de duur van drie, zes of twaalf maanden. Onder een handelshoeveelheid wordt verstaan een hoeveelheid drugs die een gebruikershoeveelheid overschrijdt en bestemd is voor handel en verkoop. Onder een gebruikershoeveelheid wordt verstaan een hoeveelheid drugs die doorgaans wordt aangeboden voor eigen gebruik. Voor middelen als bedoeld in lijst II van de Opiumwet, oftewel softdrugs, is dit maximaal 5 gram. Een sluiting geldt in beginsel voor een periode van zes maanden. Ingeval er aanleiding is tot matiging, kan de duur van de sluiting worden beperkt tot een periode van drie maanden. Mochten de ernst en de aard van de feiten en omstandigheden daartoe aanleiding geven, dan kan de burgemeester besluiten tot een sluiting van twaalf maanden, aldus het Handhavingsarrangement.

2.3. De burgemeester heeft aan het in bezwaar gehandhaafde besluit van 15 juni 2010 een rapportage van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond van 28 april 2010 ten grondslag gelegd. Volgens deze rapportage heeft de politie het theehuis op 12 en 21 april 2010 gecontroleerd en daarbij middelen als bedoeld in lijst II van de Opiumwet aangetroffen. Bij de eerste controle zijn bij de beheerder 19,8 gram hasj en bij een bezoeker 6,4 gram hasj, zijnde hoeveelheden van meer dan 5 gram en derhalve handelshoeveelheden, aangetroffen. Bij die controle is bij een andere bezoeker 1 gram hennep aangetroffen. Bij de tweede controle is waargenomen dat een bezoeker een joint aan het draaien was. Deze bezoeker heeft tegenover de politie verklaard dat hij dikwijls een joint rookt in het theehuis. Bij de tweede controle zijn bij drie andere bezoekers gebruikershoeveelheden softdrugs aangetroffen, aldus de politierapportage. In de politierapportage zijn voorts verschillende mutatierapporten en processen-verbaal aangehaald, die betrekking hebben op drugsgerelateerde overlast op en rond de Goudse Rijweg. De burgemeester heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de politierapportage naar voren komt dat het theehuis een grote rol speelt bij deze overlast.

2.4. De voorzieningenrechter heeft overwogen dat de burgemeester, gelet op de op 12 april 2010 in het theehuis aangetroffen handelshoeveelheden hasj, op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bevoegd was om de sluiting van het theehuis te bevelen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter rechtvaardigden de ernst en de aard van de onderhavige feiten en omstandigheden echter niet dat de burgemeester afweek van de volgens het Handhavingsarrangement normale sluitingsduur van zes maanden. Daartoe heeft de voorzieningenrechter overwogen dat uit voormelde politierapportage niet kan worden opgemaakt dat het theehuis een jarenlange structurele bijdrage heeft geleverd aan de drugsgerelateerde overlast op en rond de Goudse Rijweg, doch dat de rol van het theehuis beperkt is tot hetgeen is geconstateerd bij de politiecontroles op 12 en 21 april 2010, waarbij slechts kleine hoeveelheden softdrugs zijn aangetroffen, waarvan maar een deel de omvang van een handelshoeveelheid had. De voorzieningenrechter heeft tevens in aanmerking genomen dat uit de uitspraak van de Afdeling van 6 januari 2010 in zaak nr. 200903500/1/H3 (www.raadvanstate.nl) blijkt dat de burgemeester in een vergelijkbaar geval niet is afgeweken van de standaardsluitingsduur van zes maanden.

2.5. De burgemeester betoogt dat de voorzieningenrechter sluiting van het theehuis voor de duur van twaalf maanden ten onrechte onevenredig heeft geacht. Hij voert daartoe aan dat uit voormelde politierapportage blijkt dat het theehuis veelvuldig werd gebruikt als uitvalsbasis voor drugsdealers en drugsrunners en dat derhalve aannemelijk is dat het theehuis structureel bijdroeg aan de drugsgerelateerde overlast op en rond de Goudse Rijweg. De situatie van het theehuis is niet vergelijkbaar met de situatie van het belhuis waarop voormelde uitspraak van de Afdeling van 6 januari 2010 betrekking heeft. Anders dan het theehuis, speelde het belhuis geen grote rol bij drugsgerelateerde overlast in de omgeving, aldus de burgemeester.

2.5.1. Volgens voormelde politierapportage wordt door bewoners, winkeliers en bezoekers van en rond de Goudse Rijweg al jaren geklaagd over drugsgerelateerde overlast, hetgeen de politie aanleiding heeft gegeven tot het verrichten van verschillende observatie- en controleacties. Aan de hand van de desbetreffende mutatierapporten en op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal, welke bij de politierapportage zijn gevoegd, zijn de bevindingen beschreven die bij deze acties met betrekking tot het theehuis zijn gedaan. Zo is, naast de bevindingen van voormelde controles op 12 en 21 april 2010, vermeld dat op 7 april 2010 is waargenomen dat een bij de politie als drugsrunner bekendstaande persoon in en uit het theehuis liep en voor de ingang van het theehuis gebaarde naar een lokauto. Op 9 april 2010 is waargenomen dat bij de politie als drugsdealers bekendstaande personen het theehuis bezochten. Op 12 april 2010 is 's middags, voorafgaand aan de controle in het theehuis, waargenomen dat verschillende personen het theehuis bezochten, onder wie drie bij de politie als drugsrunners bekendstaande personen. Op die dag zijn 's avonds bij de controle vijftien bezoekers aangetroffen, onder wie acht personen die bij de politie als drugsrunners bekendstaan, aldus de politierapportage en de desbetreffende mutatierapporten en processen-verbaal.

Zoals hiervoor onder 2.3 is vermeld, is bij de controle op 12 april 2010 behalve bij een bezoeker ook bij de beheerder van het theehuis een handelshoeveelheid softdrugs aangetroffen. De burgemeester mocht op grond daarvan aannemelijk achten dat de beheerder, in plaats van erop toe te zien dat in of vanuit het theehuis geen drugshandel zou plaatsvinden, zelf in of vanuit het theehuis drugs verhandelde. Gelet hierop, alsmede op de hiervoor vermelde, door de politie waargenomen bezoeken van verschillende drugsdealers en drugsrunners aan het theehuis, mocht de burgemeester aannemelijk achten dat de aanwezigheid van handelshoeveelheden softdrugs in het theehuis op 12 april 2010 geen incident betrof, doch dat het theehuis structureel bijdroeg aan drugshandel en daarmee gepaard gaande overlast op en rond de Goudse Rijweg. Onder deze omstandigheden bestaat geen grond voor het oordeel dat de burgemeester sluiting van het theehuis voor de duur van twaalf maanden niet in redelijkheid noodzakelijk heeft kunnen achten om drugshandel vanuit het theehuis tegen te gaan.

Dat de burgemeester heeft bevolen dat het belhuis, waarop voormelde uitspraak van de Afdeling van 6 januari 2010 betrekking heeft, voor de duur van zes maanden wordt gesloten, doet aan het voorgaande niet af. Uit die uitspraak kan niet worden afgeleid dat het belhuis, evenals het theehuis, structureel bijdroeg aan drugshandel in de omgeving. Zo blijkt uit die uitspraak niet dat bij de beheerder van het belhuis drugs zijn aangetroffen of dat het belhuis regelmatig door drugsdealers en drugsrunners werd bezocht.

Gezien het voorgaande, heeft de voorzieningenrechter sluiting van het theehuis voor de duur van twaalf maanden ten onrechte onevenredig geacht. Het betoog slaagt.

2.6. De burgemeester betoogt voorts dat de voorzieningenrechter hem ten onrechte tot vergoeding van bij [wederpartij] opgekomen proceskosten heeft veroordeeld en tot vergoeding van de door [wederpartij] betaalde griffierechten heeft gelast.

2.6.1. De voorzieningenrechter heeft de burgemeester gelast tot vergoeding van de door [wederpartij] voor de behandeling van het beroep en het door hem ingediende verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening betaalde griffierechten, welke griffierechten elk € 150,00 bedragen. De voorzieningenrechter heeft de burgemeester voorts veroordeeld tot vergoeding van proceskosten die in verband met de behandeling van zowel het beroep als het verzoek bij [wederpartij] zijn opgekomen. De voorzieningenrechter heeft daarbij op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor het bepalen van het te vergoeden bedrag één punt voor het verzoekschrift, één punt voor het beroepschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting toegekend, met dien verstande dat één punt neerkomt op € 437,00. Het voor het verschijnen ter zitting toegekende punt dient te worden beschouwd als zijnde toegekend voor proceskosten die in verband met de behandeling van het beroep bij [wederpartij] zijn opgekomen. Ter zitting voor de voorzieningenrechter is immers het beroep behandeld, aangezien de voorzieningenrechter na die zitting met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht uitspraak heeft gedaan op het beroep.

Voor zover het hoger beroep is gericht tegen de beslissingen van de voorzieningenrechter om de burgemeester te veroordelen tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten en om de burgemeester te gelasten tot vergoeding van het door [wederpartij] voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht, is de Afdeling onbevoegd om daarvan kennis te nemen. Deze beslissingen zijn verbonden aan de uitspraak op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening, waartegen ingevolge artikel 47, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wet op de Raad van State geen hoger beroep kan worden ingesteld.

Wat betreft de beslissingen van de voorzieningenrechter om de burgemeester te veroordelen tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten en om de burgemeester te gelasten tot vergoeding van het door [wederpartij] voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht, is van belang dat uit hetgeen hiervoor onder 2.5.1 is overwogen volgt dat de voorzieningenrechter het beroep ten onrechte gegrond heeft verklaard. Derhalve heeft de voorzieningenrechter de burgemeester ten onrechte tot vergoeding van die proceskosten en dat griffierecht veroordeeld. In zoverre slaagt het betoog.

2.7. De Afdeling is onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen voor zover het is gericht tegen de aangevallen uitspraak in zoverre de voorzieningenrechter daarbij de burgemeester heeft veroordeeld tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening opgekomen proceskosten en de burgemeester heeft gelast tot vergoeding van het door [wederpartij] voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht. Het hoger beroep is voor het overige gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, behalve voor zover het de beslissing op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening en de beslissingen omtrent de vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten en van het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht betreft. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [wederpartij] tegen het besluit van 25 oktober 2010 alsnog ongegrond verklaren.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen voor zover het is gericht tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 13 december 2010 in de zaken nrs. 10/4333 en 10/4335 in zoverre de voorzieningenrechter daarbij de burgemeester van Rotterdam heeft veroordeeld tot vergoeding van bij [wederpartij], handelend onder de naam [horeca-inrichting], in verband met de behandeling van het door hem ingediende verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro) en de burgemeester heeft gelast tot vergoeding van het door [wederpartij] voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro);

II. verklaart het hoger beroep voor het overige gegrond;

III. vernietigt voormelde uitspraak, behalve voor zover het de beslissing op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening en de hiervoor onder I. vermelde beslissingen van de voorzieningenrechter betreft;

IV. verklaart het door [wederpartij] tegen het besluit van de burgemeester van 25 oktober 2010, kenmerk 525525, ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. A. Hammerstein, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. de Vries, ambtenaar van staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. De Vries

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2011

582.