Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BT7439

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-10-2011
Datum publicatie
12-10-2011
Zaaknummer
201101000/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 januari 2010 heeft de minister aan [appellant] een boete van € 1.100,00 opgelegd.

Bij besluit van 8 april 2010 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 december 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 januari 2011, hoger beroep ingesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201101000/1/H3.

Datum uitspraak: 12 oktober 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Beegden, gemeente Maasgouw,

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 16 december 2010 in zaak nr. 10/440 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Infrastructuur en Milieu, voorheen: de minister van Verkeer en Waterstaat.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 januari 2010 heeft de minister aan [appellant] een boete van € 1.100,00 opgelegd.

Bij besluit van 8 april 2010 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 december 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 januari 2011, hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 9 maart 2011 heeft de minister een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 augustus 2011, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. W. Autar, werkzaam bij het ministerie, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 13 van Verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad van 20 december 1985 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer (PB 1985 L 370; hierna: de Verordening), voor zover thans van belang, zien de werkgever en de bestuurders toe op de juiste werking en het juiste gebruik van het controleapparaat, indien de bestuurder moet rijden met een voertuig dat is uitgerust met een aan bijlage I B beantwoordend controleapparaat.

Ingevolge artikel 15, tweede lid, voor zover thans van belang, moeten de bestuurders voor iedere dag dat zij rijden, registratiebladen gebruiken vanaf het tijdstip waarop zij het voertuig overnemen. Het registratieblad wordt niet vóór het einde van de dagelijkse werktijd uit het apparaat genomen, tenzij zulks anderszins is toegestaan. Geen enkel registratieblad mag worden gebruikt voor een langere periode dan die waarvoor dat bestemd is.

Ingevolge artikel 5:12, tweede lid, aanhef en onder a, van de Arbeidstijdenwet (hierna: de Atw) kunnen, met uitzondering van arbeid verricht door defensiepersoneel, bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld die afwijken van, in de plaats komen van of strekken tot aanvulling van het bij paragraaf 5.2 bepaalde, ten aanzien van arbeid verricht door personen, werkzaam in of op railvoertuigen of motorrijtuigen.

Ingevolge artikel 7:2, derde lid, gelezen in verbinding met het eerste lid, voor zover thans van belang, wordt een beschikking op grond van deze wet van een ambtenaar als bedoeld in artikel 10:5, tweede lid, voor zover het betreft arbeid verricht door personen als bedoeld in artikel 5:12, tweede lid, alsmede arbeid in bedrijven of inrichtingen die rechtstreeks betrekking heeft op arbeid verricht in of op motorrijtuigen als bedoeld in artikel 5:12, tweede lid, onderdeel a, genomen namens de minister van Verkeer en Waterstaat.

Ingevolge artikel 10:1, voor zover thans van belang, wordt als overtreding aangemerkt het niet naleven van - voor zover aangeduid als overtredingen - de voorschriften krachtens artikel 5:12, tweede lid.

Ingevolge artikel 10:5, tweede lid, legt, voor zover het de in artikel 5:12, tweede lid, onderscheiden categorieën van arbeid betreft, een daartoe door de minister van Verkeer en Waterstaat en de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tezamen aangewezen ambtenaar de bestuurlijke boete op aan de natuurlijke persoon of rechtspersoon op wie de verplichtingen rusten welke voortvloeien uit deze wet en de daarop berustende bepalingen, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als overtreding.

Ingevolge artikel 10:7, eerste lid, aanhef en onder a, is de bestuurlijke boete die ten hoogste voor een overtreding kan worden opgelegd, indien begaan door een natuurlijke persoon, gelijk aan de geldsom van ten hoogste € 11.250,00.

Ingevolge het derde lid, tweede volzin, stellen de minister van Verkeer en Waterstaat en de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor overtredingen begaan door personen, bedoeld in artikel 5:12, tweede lid, tezamen beleidsregels vast waarin de boetebedragen voor die overtredingen worden vastgesteld.

Ingevolge artikel 2.3:1, aanhef en onder a, van het Arbeidstijdenbesluit vervoer (hierna: het Atbv) zijn hoofdstuk 2 (artikel 2.1:1-2.7:6) en de daarop berustende bepalingen met uitsluiting van het Arbeidstijdenbesluit van toepassing op iedere verplaatsing, die geheel of gedeeltelijk over voor openbaar gebruik toegankelijke wegen plaatsvindt in lege of beladen toestand, alsmede de direct daarmee samenhangende werkzaamheden, van een vrachtauto waarvan het kentekenbewijs een laadvermogen van meer dan 500 kilogram vermeldt, alsmede een losse trekker.

Ingevolge artikel 2.4:13, tweede lid, is het, voor zover verordening (EG) nr. 561/2006 van toepassing is, verboden te handelen in strijd met de artikelen 1, 3, eerste lid, en 13 tot en met 16 van de Verordening.

Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, voor zover thans van belang, levert het niet naleven van artikel 2.14:3, tweede lid, een overtreding op.

Ingevolge het tweede lid, voor zover thans van belang, wordt, behoudens artikel 2.14:3, tweede lid, indien de bestuurder werknemer is, in geval van het niet naleven van een tot de bestuurder gerichte bepaling de werkgever aangemerkt als degene die die bepaling niet heeft nageleefd.

Volgens artikel 1, eerste lid, van de Beleidsregel boeteoplegging Arbeidstijdenwet en Arbeidstijdenbesluit vervoer (wegvervoer) is deze beleidsregel van toepassing op alle beboetbare feiten die als zodanig bij of krachtens de Atw zijn aangemerkt en die betrekking hebben op arbeid verricht door personen als bedoeld in artikel 5:12, tweede lid, onderdeel a, van de Atw en arbeid in bedrijven of inrichtingen die rechtstreeks betrekking heeft op arbeid verricht in of op motorrijtuigen als bedoeld in artikel 5:12, tweede lid, onderdeel a, van de Atw.

Volgens het tweede lid worden bij de berekening van een boete als bedoeld in artikel 10:5 van de Atw voor alle beboetbare feiten als uitgangspunt gehanteerd de normbedragen die gelden voor de onderscheiden onderwerpen in de 'Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete wegvervoer' die als bijlage 1 bij deze beleidsregel is gevoegd.

In die lijst is bij het onderwerp "niet/oneigenlijk gebruiken van registratiemiddel" € 1.100,00 als boetenormbedrag vermeld.

2.2. Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 28 januari 2010 heeft de minister [appellant] beboet wegens overtreding van artikel 2.4:13, tweede lid, van het Atbv, gelezen in verbinding met artikel 15, tweede lid, van de Verordening. De minister heeft daaraan ten grondslag gelegd dat twee politieambtenaren op 2 september 2009 rond 20:30 uur bij een controle hebben geconstateerd dat [appellant] een vrachtauto heeft bestuurd, terwijl in het controleapparaat van die vrachtauto geen registratieblad was geplaatst.

2.3. [appellant] betoogt allereerst dat de rechtbank heeft miskend dat de in artikel 2.4:13, tweede lid, van het Atbv neergelegde verbodsbepaling ten aanzien van het gebruik van registratiebladen een wettelijke grondslag ontbeert. Hij voert daartoe aan dat op grond van artikel 5:12, tweede lid, van de Atw, waarop het Atbv volgens de aanhef is gebaseerd, slechts regels mogen worden gesteld die afwijken van, in de plaats komen van of strekken tot aanvulling van het in paragraaf 5.2 van de Atw bepaalde. In die paragraaf is niets bepaald omtrent het gebruik van registratiebladen, aldus [appellant].

2.3.1. In paragraaf 5.2 van de Atw, met als titel "Arbeids- en rusttijden", zijn bepalingen opgenomen omtrent de arbeids- en rusttijden die werkgevers ten behoeve van de werknemers bij de organisatie van de arbeid in acht moeten nemen. Het gebruik van een controleapparaat met registratiebladen heeft tot doel dat gecontroleerd kan worden of de wettelijke arbeids- en rusttijden in acht worden genomen. Gelet hierop, biedt artikel 5:12, tweede lid, van de Atw de grondslag om, ter uitwerking en aanvulling van paragraaf 5.2 van de Atw, regels te stellen omtrent het gebruik van registratiebladen. Derhalve heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat artikel 2.4:13, tweede lid, van het Atbv een wettelijke grondslag ontbeert. Het betoog faalt.

2.4. [appellant] betoogt tevens dat de rechtbank heeft miskend dat de in artikel 2.4:13, tweede lid, van het Atbv neergelegde verbodsbepaling niet tot de bestuurder is gericht en dat hij reeds daarom niet als overtreder kan worden aangemerkt. Hij voert daartoe aan dat de bestuurder louter onderwerp van de verboden gedraging is. Tevens wijst hij op het bepaalde in artikel 13 van de Verordening.

2.4.1. Artikel 2.4:13, tweede lid, van het Atbv verbiedt overtredingen van verschillende bepalingen van de Verordening, waaronder artikel 15, tweede lid. Hierin is bepaald dat bestuurders registratiebladen moeten gebruiken. Gelet op deze formulering, is deze bepaling tot de bestuurder gericht. Dit brengt met zich dat ook artikel 2.4:13, tweede lid, van het Atbv, in zoverre het overtreding van die bepaling van de Verordening verbiedt, tot de bestuurder is gericht, hetgeen de rechtbank met juistheid heeft overwogen. Artikel 13 van de Verordening doet daar niet aan af, aangezien ingevolge dat artikel ook bestuurders moeten toezien op het juiste gebruik van het controleapparaat.

In artikel 8:1, tweede lid, van het Atbv is bepaald dat in het geval van het niet naleven van een tot de bestuurder gerichte bepaling de werkgever wordt aangemerkt als degene die die bepaling niet heeft nageleefd. Daarbij is echter een uitzondering gemaakt voor, onder meer, het geval waarin artikel 2.4:13, tweede lid, van het Atbv niet is nageleefd. Zoals de rechtbank terecht heeft onderkend, dient [appellant] derhalve, indien hij als bestuurder in strijd met artikel 2.4:13, tweede lid, van het Atbv, gelezen in verbinding met artikel 15, tweede lid, van de Verordening, heeft gehandeld, als overtreder te worden aangemerkt. Het betoog faalt.

2.5. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat hij artikel 2.4:13, tweede lid, van het Atbv, gelezen in verbinding met artikel 15, tweede lid, van de Verordening, niet heeft overtreden. Hij voert daartoe aan dat hij niet meer aan het werk was toen hij zonder gebruik van een registratieblad in de vrachtauto reed. Hij reed toen om een plaats te vinden waar hij een betere internetontvangst voor zijn laptop zou hebben, teneinde zijn rusttijd aangenamer te maken. De afstand waarover hij de vrachtauto zonder gebruik van een registratieblad heeft verplaatst, was gering, aldus [appellant].

2.5.1. De betrokken politieambtenaren hebben naar aanleiding van voormelde controle op ambtsbelofte een boeterapport opgemaakt. Volgens dat boeterapport reed [appellant] in de gecontroleerde vrachtauto, die aan zijn werkgever toebehoorde, op een voor het openbaar verkeer openstaande weg, totdat de politieambtenaren hem een stopteken gaven. In het boeterapport is daarnaast vermeld dat [appellant] tegenover de politieambtenaren heeft verklaard dat hij wist dat hij reed zonder schijf en dat hij wist dat dit niet mocht, maar dat hij op deze manier "gewoon elf uur rust hield". De minister mocht op grond van de in het boeterapport vermelde bevindingen en verklaringen aannemelijk achten dat [appellant] voorafgaand aan de controle aan het werk was. De stelling van [appellant] dat hij al met werken was gestopt en slechts op zoek was naar een plaats met een betere internetontvangst voor zijn laptop, is onvoldoende om het tegendeel aannemelijk te achten. Ook de door [appellant] overgelegde dagstaat, waarop is ingevuld dat zijn werktijd om 18:00 uur was geëindigd, is daartoe onvoldoende, aangezien dit niet uitsluit dat hij na dit tijdstip toch heeft gewerkt.

De afstand waarover [appellant] de vrachtauto zonder gebruik van een registratieblad heeft verplaatst, is niet van belang voor de vraag of hij artikel 2.4:13, tweede lid, van het Atbv, gelezen in verbinding met artikel 15, tweede lid, van de Verordening, heeft overtreden. Ingevolge artikel 2.3:1 van het Atbv is artikel 2.4:13, tweede lid, van het Atbv van toepassing op iedere verplaatsing die geheel of gedeeltelijk over voor openbaar gebruik toegankelijke wegen plaatsvindt. Bovendien kan uit de tekst van artikel 15, tweede lid, van de Verordening niet worden afgeleid dat de daarin neergelegde verplichting om tijdens het rijden een registratieblad te gebruiken, niet op ritten van geringe afstand van toepassing is.

Nu [appellant] ingevolge artikel 2.4:13, tweede lid, van het Atbv, gelezen in verbinding met artikel 15, tweede lid, van de Verordening, gehouden was om voor iedere dag dat hij reed een registratieblad te gebruiken en om dit blad niet vóór het einde van de dagelijkse werktijd uit het controleapparaat te nemen, heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat [appellant], door voorafgaand aan voormelde controle zonder gebruik van een registratieblad te rijden, deze bepaling heeft overtreden en dat de minister derhalve bevoegd was om aan hem een boete op te leggen. Het betoog faalt.

2.6. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat de omstandigheden van dit geval de minister aanleiding hadden moeten geven om het uit de geldende beleidsregels voortvloeiende boetebedrag te matigen. Hij voert daartoe aan dat hij niet aan het werk was toen hij zonder gebruik van een registratieblad in de vrachtauto reed. Ook voert hij aan dat hij slechts over een geringe afstand aldus heeft gereden, gelet op de door hem overgelegde, eerder op de betrokken dag en op de volgende dag gebruikte registratiebladen. Dit betoog faalt echter, allereerst omdat [appellant], gelet op hetgeen hiervoor onder 2.5.1 is overwogen, niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet aan het werk was toen hij zonder gebruik van een registratieblad in de vrachtauto reed. Voorts hoefde de geringe afstand waarover [appellant] zonder gebruik van een registratieblad in de vrachtauto heeft gereden, geen aanleiding te geven tot matiging van het boetebedrag, reeds omdat hij volgens voormeld boeterapport niet verder kon rijden doordat de betrokken politieambtenaren hem een stopteken hadden gegeven.

2.7. [appellant] betoogt ten slotte dat de rechtbank heeft miskend dat het besluit op bezwaar van 8 april 2010 prematuur is genomen en de rechtbank de minister reeds daarom tot vergoeding van zijn proceskosten had moeten veroordelen en vergoeding van het door hem betaalde griffierecht had moeten gelasten. Hij voert daartoe aan dat hij in zijn bezwaarschrift heeft verzocht om toezending van een kopie van het zaakdossier en daarin heeft gesteld dat daarna nadere bezwaargronden ingediend zouden kunnen worden. Bij brief van 17 maart 2010 heeft de minister een kopie van het zaakdossier aan hem toegestuurd. In deze brief heeft de minister vermeld dat [appellant] over het verdere verloop van de procedure nog nader bericht zou ontvangen. De minister heeft evenwel zonder nader bericht het besluit van 8 april 2010 genomen. Nu hij daardoor geen gelegenheid heeft gehad om zijn bezwaargronden aan te vullen, was het instellen van beroep noodzakelijk, aldus [appellant].

2.7.1. Bij de brief van 17 maart 2010 heeft de minister [appellant] verzocht om aan de hand van een meegestuurd formulier mede te delen of hij voor het nemen van het besluit op bezwaar gehoord wilde worden. [appellant] heeft dit formulier op 18 maart 2010 teruggestuurd en daarin te kennen gegeven dat hij niet gehoord wilde worden omdat zijn bezwaar reeds voldoende was uiteengezet in het bezwaarschrift. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de minister onder deze omstandigheden niet hoefde te begrijpen dat [appellant] nog aanvullende bezwaargronden wilde indienen. Zij hoefde in de datum waarop het besluit op bezwaar is genomen dan ook geen aanleiding te zien om de minister tot vergoeding van de proceskosten van [appellant] te veroordelen en vergoeding van het door hem betaalde griffierecht te gelasten. Het betoog faalt.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. A. Hammerstein, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. de Vries, ambtenaar van staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. De Vries

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2011

582.