Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BT7427

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-10-2011
Datum publicatie
12-10-2011
Zaaknummer
201101855/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 april 2009 heeft het college [appellante] onder aanzegging van bestuursdwang gelast de bij haar in eigendom zijnde kajuitboot en roeiboot vóór 27 april 2009 om 09.00 uur te verwijderen uit de passantenhaven te Aarle-Rixtel.

Bij besluit van 19 augustus 2009 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2012/8 met annotatie van J.M.H.F. Teunissen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201101855/1/H3.

Datum uitspraak: 12 oktober 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Waalre,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 24 december 2010 in zaak nr. 09/3370 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Laarbeek.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 april 2009 heeft het college [appellante] onder aanzegging van bestuursdwang gelast de bij haar in eigendom zijnde kajuitboot en roeiboot vóór 27 april 2009 om 09.00 uur te verwijderen uit de passantenhaven te Aarle-Rixtel.

Bij besluit van 19 augustus 2009 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 december 2010, verzonden op 29 december 2010, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 februari 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 15 maart 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college en [appellante] hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 september 2011, waar [appellante], bijgestaan door R.E.M.J. Snackers, en het college, vertegenwoordigd door M.L.M. van Heijnsbergen en C.V.L. Groenen, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 5.3.2, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Laarbeek (hierna: de Apv) is het verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water.

Ingevolge het tweede lid kan het college aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water:

a. nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente;

b. beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen.

Ingevolge het derde lid geldt het verbod in het eerste lid niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement (hierna: het Bpr), de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Provinciale Vaarwegenverordening of de Provinciale landschapsverordening.

Ter uitvoering van artikel 5.3.2, tweede lid, van de Apv is het Reglement passantenhaven gemeente Laarbeek (hierna: het Reglement) vastgesteld.

Ingevolge artikel 2 is de toegestane verblijfsduur in de passantenhaven bepaald tot maximaal drie achtereenvolgende dagen (3 x 24 uur) met een minimale tussentijd van zeven dagen in de periode gelegen tussen 1 april en 1 november.

Ingevolge artikel 9.03, derde lid, van het Bpr mogen een schip, een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting, in een vlucht- of overnachtingshaven, behoudens toestemming van de bevoegde autoriteit, niet:

a. langer dan drie achtereenvolgende dagen ligplaats nemen;

b. binnen twaalf uren, nadat de onder a bedoelde periode is beëindigd, opnieuw ligplaats nemen.

Het ligplaats nemen wordt niet geacht te zijn beëindigd, indien het schip, het drijvende voorwerp of de drijvende inrichting over minder dan 500 m is verplaatst.

2.2. Bij besluit van 14 januari 2009 heeft het college [appellante] onder aanzegging van bestuursdwang gelast de bij haar in eigendom zijnde kajuitboten en een roeiboot te verwijderen uit de passantenhaven te Aarle-Rixtel vanwege overtreding van artikel 2 van het Reglement. Bij besluit van 22 april 2009 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 14 januari 2009 herroepen. In dit besluit heeft het college vermeld dat het in geval van voortdurende overtreding opnieuw een aanschrijving zal doen uitgaan.

2.3. Bij afzonderlijk besluit van 22 april 2009 heeft het college [appellante] opnieuw aangeschreven. Hieraan heeft het ten grondslag gelegd dat de nog aanwezige [kajuitboot] en de roeiboot van 1 tot en met 4 april 2009 ligplaats innamen in de passantenhaven te Aarle-Rixtel. Het college heeft [appellante] vanwege overtreding van artikel 2 van het Reglement gelast deze vaartuigen vóór 27 april 2009 om 09.00 uur te verwijderen uit de passantenhaven, omdat de maximaal toegestane verblijfsduur in de passantenhaven in deze periode is bepaald tot maximaal drie achtereenvolgende dagen met een minimale tussentijd van zeven dagen. Het college acht de begunstigingstermijn redelijk omdat het wegvaren dan wel wegslepen van de vaartuigen uit de passantenhaven binnen deze termijn uitvoerbaar wordt geacht en het voor [appellante] duidelijk kon zijn dat een bestuursdwangaanschrijving aanstaande was. Dat zij op dat moment in het buitenland verbleef zonder een zaakwaarnemer te hebben aangewezen dient voor haar rekening en risico te komen, aldus het college in het besluit op bezwaar. Omdat de vaartuigen niet tijdig waren verwijderd, zijn deze op 28 april 2009 getaxeerd en uit de passantenhaven getakeld en opgeslagen.

2.4. [appellante] betoogt allereerst dat het besluit van 22 april 2009 niet op juiste wijze is bekendgemaakt. Het besluit van 22 april 2009 had haar op 28 april 2009 nog niet bereikt, zodat het op die datum niet bij haar bekend was en dus ingevolge artikel 3:40 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) nog niet in werking was getreden. Het college is dan ook ten onrechte overgegaan tot het toepassen van bestuursdwang, aldus [appellante].

2.4.1. Het betoog faalt. Het besluit van 22 april 2009 is op 23 april 2009 aangetekend aan zowel [appellante] als aan degene die de vaartuigen feitelijk gebruikt, toegezonden. Dit betekent dat het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Dat [appellante] het poststuk pas op 6 mei 2009 op het postkantoor heeft afgehaald, nadat de postbezorger op 24 april 2009 een afhaalbericht heeft achtergelaten, maakt dat niet anders. Op het college rustte geen verplichting om zich ervan te vergewissen of het besluit van 22 april 2009 [appellante] ook daadwerkelijk had bereikt.

2.5. Verder betoogt [appellante] dat het Reglement in strijd is met het Bpr. In artikel 9.03, derde lid, van het Bpr wordt een minimale tussentijd van twaalf uren gehanteerd, terwijl het Reglement een tussentijd van minimaal zeven dagen hanteert.

2.5.1. Het Bpr strekt ter voorkoming van aanvaring of aandrijving op de openbare wateren in het Rijk, die voor de scheepvaart openstaan. Volgens de toelichting (Stb. 1983, 682, blz. 175) is beoogd te voorzien in de ordening van alle scheepvaartverkeer op de binnenwateren en op zee en daartoe regels vast te stellen die nodig zijn ter bevordering van de veiligheid en de vlotheid van de vaart en die direct of indirect strekken ter voorkoming van gevaar voor schepen of de scheepvaart. Het Reglement is vastgesteld met het oog op het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente. Aan het verbod van artikel 2 van het Reglement liggen ook andere motieven ten grondslag, zodat deze bepaling niet in strijd is met het Bpr. Het betoog faalt.

2.6. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college zich op goede gronden bevoegd heeft geacht handhavend op te treden. Zij voert aan dat het college ten onrechte niet heeft vastgesteld of zij direct vóór 22 april 2009 dan wel vóór 28 april 2009 artikel 2 van het Reglement heeft overtreden. Het bij de rechtbank bestreden besluit is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 (lees: 7:12) van de Awb. Daarbij acht zij van belang dat op de aan het besluit van 19 augustus 2009 ten grondslag gelegde foto's data zijn geschreven, doorgehaald en gewijzigd. De foto's, gemaakt door M.J.M. Hellings, buitengewoon opsporingsambtenaar van de regiopolitie Zuid-Oost, kunnen bovendien niet zijn genomen op de genoemde data vanwege de daarop zichtbare rijp aan de bomen, terwijl de gemiddelde temperatuur op 1 tot en met 4 april 2009 minimaal 10,3 graden Celsius bedroeg. Gelet hierop moet volgens [appellante] de verklaring van Hellings, dat de vaartuigen van 1 tot en met 4 april 2009 ligplaats aan de passantenhaven hebben ingenomen, als ongeloofwaardig worden aangemerkt. Nu de verklaring van Hellings en de foto's als bewijs zijn gebruikt, heeft het college gehandeld in strijd met het in artikel 2:4 van de Awb neergelegde fair-play-beginsel en het recht op een eerlijk proces zoals verwoord in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, aldus [appellante].

2.6.1. Onweersproken is dat [appellante] ter zitting bij de rechtbank, evenals op de hoorzitting bij de commissie bezwaarschriften, heeft erkend dat de vaartuigen van 1 tot en met 4 april 2009 ligplaats aan de passantenhaven hebben ingenomen. Daarmee staat in zoverre de juistheid van de op ambtseed opgemaakte verklaring van Hellings van 10 juli 2009 vast en is niet in geschil dat ten tijde van belang is gehandeld in strijd met artikel 5.3.2, eerste lid, van de APV, gelezen in samenhang met artikel 2 van het Reglement. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het college zich reeds hierom op goede gronden bevoegd heeft geacht handhavend op te treden. Dat het niet heeft vastgesteld of zij direct vóór 22 april 2009 dan wel vóór 28 april 2009 voormelde bepalingen heeft overtreden, kan daaraan niet afdoen. Nu de foto's niet nodig zijn als bewijs voor de overtreding, kan hetgeen daarover is aangevoerd buiten beschouwing blijven. Voor het oordeel dat het bij de rechtbank bestreden besluit in strijd is met een van de door [appellante] genoemde wettelijke bepalingen, ziet de Afdeling gelet op het vorenstaande geen grond. Het betoog faalt.

2.7. Zoals hiervoor is overwogen, was het college bevoegd ter zake handhavend op te treden. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.8. [appellante] betoogt dat het college in deze situatie behoorde af te zien van zijn bevoegdheid om handhavend op te treden. Zij beroept zich op het gelijkheidsbeginsel. Het college heeft ten aanzien van een pleziervaartuig in de passantenhaven, anders dan in haar geval, ruim de tijd genomen om overtreding van het Reglement vast te stellen alvorens bestuursdwang toe te passen, aldus [appellante]. Bovendien zijn de gevolgen van de bestuursdwang volgens [appellante] onevenredig in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, aangezien de kajuitboot wordt vernietigd als zij de kosten van de bestuursdwang niet voldoet.

2.8.1. Aangezien, naar het college onweersproken heeft gesteld, met betrekking tot bedoeld pleziervaartuig eerst niet bekend was wie de eigenaar was en de eigenaar, nadat deze was achterhaald, zelf heeft zorg gedragen voor verwijdering van het vaartuig, kan de stelling van [appellante] dat dit een met haar situatie te vergelijken geval is geen standhouden. Voor het oordeel dat het college in dit geval geen bestuursdwang mocht toepassen wegens schending van het gelijkheidsbeginsel, ziet de Afdeling dan ook geen grond.

2.8.2. De rechtbank heeft voorts terecht geen grond gezien voor het oordeel dat handhavend optreden in dit geval zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat het college hiervan had dienen af te zien. De omstandigheid dat de kajuitboot wordt vernietigd als [appellante] de kosten van de bestuursdwang niet voldoet ziet niet op het besluit tot toepassing van bestuursdwang als zodanig maar op de tenuitvoerlegging daarvan en dient daarom buiten beschouwing te blijven.

2.9. De Afdeling ziet in hetgeen [appellante] heeft aangevoerd evenmin grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de begunstigingstermijn niet onredelijk kort is. De enkele stelling van

[appellante], dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten aanzien van de begunstigingstermijn een gedegen advies hierover van de commissie bezwaarschriften heeft gepasseerd, is daartoe onvoldoende. Daarbij geldt dat het college in ieder geval in zoverre gemotiveerd van het advies is afgeweken.

2.10. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. De Leeuw-van Zanten

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2011

97-597.